Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2314

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-07-2017
Datum publicatie
07-07-2017
Zaaknummer
16/5233 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beoordeling. De beoordeling kan de terughoudende rechterlijke toetsing doorstaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2017/151
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/5233 AW

Datum uitspraak: 6 juli 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het bestuur van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (bestuur)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant (rechtbank) beroep ingesteld tegen het besluit van het bestuur van 1 juni 2016 (bestreden besluit), waarbij zijn bezwaar tegen het besluit van het bestuur van 26 januari 2016 ongegrond is verklaard. De rechtbank heeft dit beroepschrift doorgezonden naar de Raad.

Het bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 mei 2017. Appellant is verschenen. Het bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.W. van Putten-de Waard,

mr. T.N.E. Meyboom en drs. C.B.M. de Hoogh.

OVERWEGINGEN

1.1.

Op 1 april 2015 is appellant als [functie 1] met de voorfase van zijn opleiding tot [functie 2] gestart. Op 1 juli 2015 is de hoofdfase van zijn opleiding gestart in leerwerkomgeving (LWO) I, zijnde de afdeling [afdeling] op de locatie [locatie] van de rechtbank. In de tweede helft van november 2015 heeft appellant de samenwerking met één van zijn praktijkopleiders, E, opgezegd. Met zijn twee andere praktijkopleiders, B en S, is appellant verder gegaan. E bleef wel betrokken bij de tweede evaluatie, die op 11 december 2015 tot stand is gekomen.

1.2.

Op 7 januari 2016 heeft de beoordelingscommissie (commissie) op basis van het portfolio van appellant en het beoordelingsgesprek een tussenbeoordeling opgemaakt van zijn functioneren over de periode van 1 juli 2015 tot 1 januari 2016. Het judicium van deze beoordeling was ‘onvoldoende’. Nadat appellant hierover zijn zienswijze had gegeven, heeft het bestuur bij besluit van 26 januari 2016 (beoordelingsbesluit) de beoordeling overgenomen en vastgesteld. In een aanvullende motivering, gedateerd 27 januari 2016, heeft de president van de rechtbank afzonderlijk gereageerd op de zienswijze van appellant. Het bestuur heeft het beoordelingsbesluit, na bezwaar, met overneming van het advies van de bezwaaradviescommissie (BAC), gehandhaafd bij het bestreden besluit.

1.3.

In verband met deze beoordeling is de opleiding van appellant beëindigd en is aan appellant ontslag verleend uit zijn functie van [functie 1] bij de rechtbank. Tegen deze besluiten heeft appellant geen rechtsmiddelen ingesteld.

2. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden gekeerd tegen het bestreden besluit.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1.

Onder verwijzing naar zijn eerdere rechtspraak ter zake (bijvoorbeeld de uitspraak van

13 oktober 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3858) acht de Raad zich bevoegd om in eerste en enige aanleg te oordelen over het beroep van appellant. De rechtbank heeft dan ook terecht het beroepschrift van appellant doorgezonden naar de Raad.

De tussentijdse beoordeling

3.2.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 1 september 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3259) is de toetsing van de inhoud van een beoordeling beperkt tot de vraag of die beoordeling op voldoende gronden berust. Bij negatieve oordelen moet het bestuursorgaan dit met concrete feiten onderbouwen. Niet doorslaggevend is of elk feit dat het bestuursorgaan ter onderbouwing aanvoert boven elke twijfel is verheven en of sommige feiten niet (geheel) juist zijn vastgesteld of geïnterpreteerd. Bepalend is of de gegeven waardering, gelet op het totale beeld van het in beschouwing genomen gezichtspunt, de terughoudende rechterlijke toetsing kan doorstaan.

3.3.1.

Aan het tussentijds beoordelingsbesluit ligt het advies van de commissie ten grondslag. Appellant betoogt dat de commissie in dit advies niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom hij op verschillende onderdelen zo slecht heeft gescoord. In het bestreden besluit heeft het bestuur zich naar de mening van appellant ten onrechte geschaard achter de overweging van de BAC dat het achterwege laten van een toelichting of althans een vermelding van vindplaatsen op de ‘scoringslijst beoordelingscriteria’ niet maakt dat het bestreden besluit per definitie onvoldoende gemotiveerd is, nu artikel 5, derde lid, van het Beoordelingsreglement initiële opleiding tot [functie 2] en [functie 3] (beoordelingsreglement) slechts bepaalt dat de commissie op het beoordelingsformulier de beoordeling ‘kan’ motiveren. Deze bepaling is volgens appellant onverbindend, omdat zij in strijd is met het motiveringsbeginsel.

3.3.2.

De Raad stelt vast dat de BAC in haar advies - dat het bestuur blijkens het bestreden besluit geheel tot het zijne heeft gemaakt - heeft geoordeeld dat de commissie de toegekende scores door middel van het vullen van de in het beoordelingsformulier opgenomen vindplaatsen beter had kunnen motiveren. Juist in het geval van een onvoldoende eindresultaat had het voor de hand gelegen op onderdelen een nadere toelichting te geven dan wel de vindplaats te vermelden. De Raad onderschrijft dit oordeel en voegt daaraan toe dat deze motivering niet alleen voor de beoordeelde van belang is, maar ook voor degenen die de beoordeling vervolgens moeten vaststellen of deze - in bezwaar en beroep - moeten toetsen. Dit klemt temeer nu het portfolio waarop de beoordeling is gebaseerd een omvangrijk en gelaagd geheel vormt, terwijl ook het beoordelingsformulier vele beoordelingscriteria kent, zodat veelal niet zonder meer inzichtelijk is welke vindplaatsen in het portfolio aanleiding hebben gegeven tot een bepaalde score.

3.3.3.

Daarmee staat de Raad voor de vraag of artikel 5 van het beoordelingsreglement een onverbindende bepaling bevat, zoals appellant heeft betoogd. Dit artikel luidt:

“Artikel 5 Vastlegging van de beoordeling

1. De beoordelingscommissie tekent de beoordeling aan op een beoordelingsformulier, waarin een scoringslijst is opgenomen.

2. De scoringslijst en beoordeling worden bij meerderheid vastgesteld, nadat ieder lid van de beoordelingscommissie individueel de scoringslijst heeft ingevuld.

3. Op het beoordelingsformulier kan de beoordelingscommissie de opmerkingen of aanbevelingen ten aanzien van de opleiding maken of doen die zij geraden acht.

4. De beoordelingscommissie brengt de opgestelde beoordeling zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk een week na het beoordelingsgesprek digitaal ter kennis van het gerechtsbestuur.”

Anders dan appellant ziet de Raad in het gegeven dat artikel 5, derde lid, als een

‘kan-bepaling’ is geredigeerd, geen ongeoorloofde aantasting van het motiveringsbeginsel. De bepaling heeft, zoals ook uit de toelichting op artikel 5 naar voren komt, de strekking dat aan de commissie een zekere vrijheid is gelaten hoe zij - naast de verplichte scores op de scoringslijst en de conclusies ten aanzien van de beoordeling - de geadviseerde beoordeling motiveert. Dat kan, aldus de toelichting, een toelichting inhouden omtrent de sterke of zwakke thema’s of competenties, terwijl in de scoringslijst per criterium desgewenst kan worden vermeld waarop de beoordeling van het criterium stoelt. Dat de bepaling blijkens tekst en toelichting geen verplichting voor de commissie inhoudt om per afzonderlijk criterium een toelichting te geven, doet er naar het oordeel van de Raad niet aan af dat voor het bestuursorgaan onverkort het motiveringsbeginsel geldt. De eisen die uit het motiveringsbeginsel voortvloeien bij een beoordeling als hier aan de orde zijn verwoord in het onder 3.2 weergegeven toetsingskader dat de Raad in zijn vaste rechtspraak hanteert.

3.4.1.

Appellant heeft betoogd dat het bestuur had moeten kijken naar de inhoud van de argumenten uit het bezwaarschrift. Dat had geleid tot een beredeneerd oordeel/besluit over het al dan niet terecht zijn van de onvoldoende. Deze gelegenheid heeft het bestuur gemist; het besluit is onvoldoende gemotiveerd, althans onzorgvuldig, aldus appellant.

3.4.2.

De Raad kan appellant in zoverre volgen, dat inderdaad ter beoordeling staat of het bestreden besluit aan de eisen van motivering en zorgvuldigheid voldoet. Met het bestuur is de Raad van oordeel dat bij de vraag of het bestreden besluit voldoende gemotiveerd is, niet alleen van belang is wat het bestuursorgaan zelf uiteindelijk in de beslissing op bezwaar heeft opgenomen aan motivering. Evenzeer is van belang wat de BAC heeft overwogen in haar advies, waarmee het bestuur zich geheel heeft verenigd. Blijkens die overwegingen heeft de BAC van belang geacht dat de scores tot stand zijn gekomen op basis van de diverse feedbackformulieren en evaluatieformulieren, waarin de opleiders hun visie hebben gegeven en die deel uitmaken van het door appellant zelf samengestelde portfolio. De BAC heeft op basis van dat portfolio en het scoreformulier geconcludeerd dat het bestuur niet anders kon dan het functioneren van appellant met een onvoldoende beoordelen. Daarbij is erop gewezen dat het niet behalen van de vereiste productie door appellant op zichzelf reeds het judicium ‘onvoldoende’ rechtvaardigt. Niet gebleken is dat deze waardering op een voor appellant negatieve wijze is beïnvloed als gevolg van door hem ervaren problemen in de samenwerking met één van zijn drie opleiders. De BAC verwijst in dit verband met instemming naar de aanvullende overwegingen die door de president van de rechtbank zijn gewijd aan de zienswijze van appellant over de geadviseerde beoordeling. Daarin heeft de president erop gewezen dat sprake was van twee andere opleiders die zowel productie (aantallen) als inhoud van vonnissen en het verdere functioneren hebben meebeoordeeld.

3.5.

Met inachtneming van het geheel van documenten waarop de beoordeling is gebaseerd, alsmede de nadere toelichting van de zijde van het bestuur, zoals die in het verweerschrift in bezwaar is verwoord, is de Raad van oordeel dat de beoordeling de terughoudende rechterlijke toetsing kan doorstaan. Daarbij heeft de Raad het volgende van belang geacht.

3.5.1.

Uit de toelichting op het beoordelingsformulier blijkt dat het bij een tussenbeoordeling gaat om scores die worden gegeven tegen de eindtermen van de opleiding. Dit betekent dat aan lage scores - met name waar het geen zogenoemd kritisch criterium betreft - betrekkelijke betekenis toekomt, nu er in het vervolg nog verbetering mogelijk is in het licht van de eindtermen. Zoals in de leeswijzer bij het beoordelingsformulier is verwoord: “het scoren van een 0 of een 1 op een bepaald punt betekent dus niet - zonder meer - dat de [functie 1] naar de stand van de opleiding onvoldoende presteert, maar enkel dat hij nog niet het gewenste eindniveau heeft bereikt.” Mede tegen die achtergrond ziet de Raad, anders dan appellant, in het portfolio in het algemeen een toereikende onderbouwing voor de scores 0 (onvoldoende) en 1 (zwak) die zijn vermeld op de scoringslijst.

3.5.2.

De onvoldoende score voor ‘zelfinzicht’ is niet rechtstreeks tot het portfolio het herleiden. De commissie heeft blijkens het beoordelingsformulier deze onvoldoende met name gebaseerd op het gegeven dat appellant heeft gesproken over een stijgende opleidingscurve, terwijl deze niet blijkt uit de door de opleiders gegeven feedback noch uit het beoordelingsgesprek. De commissie trekt hieruit de conclusie dat appellant een gebrek aan zelfinzicht heeft. De Raad acht deze onderbouwing op zichzelf bezien ontoereikend. Het enkele gegeven dat appellant in het gesprek met de commissie blijk heeft gegeven van een positievere opvatting over zijn opleidingscurve dan zijn opleiders en de commissie, brengt nog niet mee dat hij onvoldoende zelfinzicht heeft. Appellant heeft er terecht op gewezen dat zijn portfolio op bepaalde onderdelen wel een stijgende lijn laat zien, terwijl hij bovendien in zijn reflectiedocument “De terugblik” van 29 december 2015 wel degelijk van enig zelfinzicht blijk geeft. Ter zitting van de Raad heeft het bestuur deze onvoldoende score nader toegelicht door erop te wijzen dat het vaststellen van een gebrek aan zelfinzicht een bredere basis heeft dan alleen het gesprek. De opleiders hebben ervaren dat hun signalen dat zaken niet goed gingen geen ingang vonden bij appellant, getuige zijn terugkerende uitspraak “het komt wel goed”. Samen met de te optimistische kijk op de leercurve vormt dit volgens het bestuur een toereikende onderbouwing voor de onvoldoende score voor zelfinzicht. De Raad kan het bestuur hierin volgen.

3.5.3.

Vastgesteld moet worden dat appellant op de vijf criteria die op de scoringslijst als kritisch zijn aangemerkt drie maal ‘zwak’ en twee maal ‘onvoldoende’ heeft gescoord. Ook de vier criteria genoemd in artikel 8, vijfde lid, van het beoordelingsreglement zijn, voor zover beoordeeld, zwak of onvoldoende, dit terwijl op grond van het vijfde lid op al deze kritische criteria door appellant - nu voor hem minder dan één jaar opleidingstijd resteerde - een voldoende of hoger moest worden gescoord. Daar komt bij dat appellant ook een onvoldoende totaalscore heeft behaald (47% bij een cesuur van 60%), terwijl ook de door hem behaalde kwantitatieve productie (ruim) onvoldoende was. De Raad concludeert dat de tussenbeoordeling van appellant met het judicium ‘onvoldoende’ op voldoende gronden berust.

3.5.4.

Wat appellant heeft aangevoerd over de omstandigheden waaronder hij de [functie 1] -opleiding in de LWO [afdeling] heeft moeten volgen - in het bijzonder de door hem als negatief ervaren samenwerking met een van de opleiders - kan, wat er ook zij van de wijze waarop appellant die samenwerking heeft beleefd en beëindigd, niet tot een ander oordeel over de beoordeling leiden. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 3 december 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK7315) kunnen belastende omstandigheden waaronder de ambtenaar zijn werk heeft moeten uitvoeren hooguit invloed hebben op de aan de beoordeling te verbinden rechtspositionele gevolgen, maar kunnen zij niet leiden tot hogere scores dan op grond van het feitelijk functioneren gerechtvaardigd is. Daar komt nog bij dat, zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 13 oktober 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3858), een [functie 1] in staat moet worden geacht om zich ook onder moeilijke omstandigheden te ontwikkelen tot het niveau van een beginnende [functie 2] . Hierbij hoort ook het om kunnen gaan met en lering trekken uit zeer kritische feedback.

3.6.

Uit het vorenstaande volgt dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en K.J. Kraan en R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van A.M. Pasmans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2017.

(getekend) E.J.M. Heijs

(getekend) A.M. Pasmans

HD