Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2311

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-06-2017
Datum publicatie
06-07-2017
Zaaknummer
16-3265 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellant (werknemer) kan met het hoger beroep niet bereiken dat de intrekking van de aan werkgeefster opgelegde loonsanctie ongedaan wordt gemaakt. Afwijzing verzoek om schadevergoeding. De rechtbank heeft op goede gronden geoordeeld dat het Uwv voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat werkgeefster voldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2017-0162
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/3265 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

4 april 2016, 15/3490 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

[naam werkgeefster B.V.]. te [vestigingsplaats] (werkgeefster)

Datum uitspraak: 28 juni 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.G.M. Abeln, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens werkgeefster heeft mr. N.W.L. Nijkamp, advocaat, een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 mei 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Abeln. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. de Jong. Voor werkgeefster is [A] verschenen, bijgestaan door mr. Nijkamp.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is op 4 februari 2013 als gevolg van irritatief contact eczeem met hyperkeratose uitgevallen voor zijn werk als zelfstandig kok voor 38 uur per week. Hij was werkzaam in dienst van werkgeefster in een restaurant in [woonplaats].

1.2.

Op verzoek van appellant heeft het Uwv op 19 juni 2014 een deskundigenoordeel gegeven. In het daaraan ten grondslag liggende arbeidskundig rapport van 18 juni 2014 is vermeld dat de re-integratie-inspanningen van werkgeefster in principe voldoende waren. Verder is in dat rapport melding gemaakt van een verschil van mening tussen werkgeefster en appellant over de invulling van het tweede spoortraject. De arbeidsdeskundige acht beter overleg tussen werkgeefster en appellant nodig om een beter re-integratieresultaat te behalen.

1.3.

Op 23 november 2014 heeft appellant een aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) ingediend. In verband met deze aanvraag heeft het Uwv een onderzoek ingesteld naar de re-integratie-inspanningen van werkgeefster. Bij besluit van 14 januari 2015 heeft het Uwv vastgesteld dat werkgeefster niet aan haar re-integratieverplichtingen heeft voldaan en bepaald dat werkgeefster aan appellant loon moet doorbetalen tot 1 februari 2016. Aan het besluit ligt een rapport van een arts van het Uwv van 29 december 2014 en een rapport van een arbeidsdeskundige van
29 december 2014 ten grondslag. De arts van het Uwv heeft geconcludeerd dat de bedrijfsarts de functionele mogelijkheden van appellant adequaat heeft ingeschat en hem adequaat heeft begeleid. Volgens de arbeidsdeskundige heeft werkgeefster geen deugdelijk plan van aanpak opgesteld en heeft zij te laat een tweede spoor ingezet. Werkgeefster kan de tekortkoming in haar re-integratie-inspanningen herstellen door de re-integratie te continueren en de vinger aan de pols te houden.

1.4.

Werkgeefster heeft tegen het besluit van 14 januari 2015 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 22 juli 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van werkgeefster gegrond verklaard en zijn beslissing van 14 januari 2015 om aan werkgeefster een zogenoemde loonsanctie op te leggen ingetrokken. Aan dat besluit ligt een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 16 juni 2015 ten grondslag, die heeft geconcludeerd dat werkgeefster ervan uit mocht gaan dat haar inspanningen tot aan het gegeven deskundigenoordeel voldoende waren en dat zich daarna geen feiten en omstandigheden hebben voorgedaan die tot een andere conclusie kunnen leiden.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat de arbeidsdeskundige bij het deskundigenoordeel een correcte standaard beoordeling heeft gemaakt over de re-integratie-inspanningen van werkgeefster in het tweede spoor en dat werkgeefster, gelet op de rechtspraak van de Raad, waaronder de uitspraken van 20 juli 2011 (ECLI:NL:CRVB:2011:BR2382) en van 22 februari 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BV6619) mocht uitgaan van dat oordeel over de verrichte re-integratie-inspanningen tot dat moment. Gelet op dat oordeel lag het volgens de rechtbank voor de hand dat werkgeefster de ingeslagen weg heeft voortgezet. Niet aannemelijk is geworden dat werkgeefster daarna is tekortgeschoten. Door pogingen om appellant werkzaamheden te laten doen bij werkgeefster zijn de inspanningen in het tweede spoor niet zodanig vertraagd dat die inspanningen onvoldoende waren. Vanaf december 2013 heeft werkgeefster appellant ondersteuning verschaft door het inschakelen van re-integratiebureau Grip en daarbij zijn ook daadwerkelijk omscholingsstappen gezet. De rechtbank heeft geconcludeerd dat het Uwv tegen de achtergrond van het gegeven deskundigenoordeel voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat werkgeefster voldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht zodat het Uwv terecht de loonsanctie heeft ingetrokken.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant naar voren gebracht het niet eens te zijn met het gewicht dat de rechtbank aan het deskundigenoordeel heeft gegeven, nu dat was gebaseerd op onvolledige gegevens en gebrekkig was voorbereid en gemotiveerd. Slechts een klein deel van de re-integratie-activiteiten zijn toen getoetst. Er was, zoals ook de arbeidsdeskundige heeft geconcludeerd, geen deugdelijk plan van aanpak opgesteld en geen adequate casemanager aanwezig. Volgens hem is veel te laat gestart met het tweede spoor.

3.2.

Het Uwv heeft in verweer verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. Volgens het Uwv is het deskundigenoordeel zorgvuldig voorbereid, waarbij informatie is ingewonnen bij appellant en werkgeefster, en heeft dat oordeel zich uitgestrekt over de gehele re-integratie tot dat moment. Volgens het Uwv is bij het deskundigenoordeel terecht geconcludeerd dat de inspanningen voldoende waren. Het tweede spoortraject is nog voor afloop van het eerste ziektejaar van start gegaan en er was dus voldoende gelegenheid om dat adequaat af te ronden.

3.3.

Werkgeefster heeft eveneens verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellant kan met het hoger beroep niet bereiken dat de intrekking van de aan werkgeefster opgelegde loonsanctie ongedaan wordt gemaakt. Appellant heeft echter gesteld dat hij schade heeft geleden door het besluit van het Uwv om de loonsanctie in te trekken en heeft in verband met een verzoek om schadevergoeding belang bij een inhoudelijk beoordeling van het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit.

4.2.

Uit artikel 25, negende lid, van de Wet WIA in samenhang met artikel 65 van die wet, volgt de verplichting voor het Uwv om bij elke WIA-aanvraag een onderzoek in te stellen naar de door de werkgever en de werknemer gepleegde inspanningen om tot re-integratie via het zogenoemde eerste spoor (bij de eigen werkgever) of het tweede spoor (bij een andere werkgever) te komen. Op de uitkomsten van een dergelijk onderzoek wordt de conclusie gebaseerd of de re-integratie-inspanningen voldoende zijn geweest.

4.3.

Indien bij de behandeling van de aanvraag, bedoeld in artikel 64 van de Wet WIA en de beoordeling, bedoeld in artikel 65 van die wet, blijkt dat de werkgever zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht, verlengt het Uwv op grond van artikel 25, negende lid, van de Wet WIA het tijdvak gedurende welk de verzekerde jegens die werkgever recht heeft op loon op grond van artikel 7:629 van het Burgerlijk Wetboek, opdat de werkgever zijn tekortkoming ten aanzien van zijn re-integratieverplichtingen kan herstellen. De verlenging is ten hoogste 52 weken.

4.4.

Gelet op wat in het bestreden besluit is gesteld over de wijze waarop werkgeefster haar re-integratie-inspanningen heeft verricht, is in hoger beroep de vraag aan de orde of het Uwv terecht bij het bestreden besluit ervan is uitgegaan dat werkgeefster, mede gelet op het gegeven deskundigenoordeel, zich bij de re-integratie van appellant voldoende heeft ingespannen. De Raad beantwoord die vraag als volgt.

4.5.

Het standpunt van het Uwv dat werkgeefster voldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht, is gebaseerd op de conclusies van het in bezwaar uitgebrachte rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 16 juni 2015. Volgens die arbeidsdeskundige is bij het deskundigenoordeel het totaal van re-integratie-inspanningen van werkgeefster tot dat moment beoordeeld, inclusief de aspecten dat er geen adequate casemanager zou zijn aangewezen, er geen plan van aanpak was opgesteld en het tweede spoortraject te laat zou zijn opgestart. Gelet op het gegeven deskundigenoordeel moet volgens de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep worden beoordeeld of de re-integratie na dat deskundigenoordeel onvoldoende was. Die vraag heeft hij ontkennend beantwoord, waarbij de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep erop heeft gewezen dat uitgangspunt is dat er voor appellant geen mogelijkheden in het eerste spoor meer waren en in december 2013 tijdig een adequaat tweede spoortraject met inschakeling van een re-integratiebureau was gestart. Via dat traject was inmiddels een stageplek voor appellant gerealiseerd. Nu de bedrijfsarts in het actueel oordeel heeft vermeld dat na het deskundigenoordeel rust is ontstaan in de arbeidsrelatie heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geconcludeerd dat zich na het deskundigenoordeel geen feiten of omstandigheden hebben voorgedaan om te concluderen tot onvoldoende

re-integratie-inspanningen.

4.6.

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het Uwv voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat werkgeefster voldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. De rechtbank heeft daarbij met juistheid overeenkomstig de genoemde rechtspraak van de Raad betekenis toegekend aan het gegeven deskundigenoordeel van 18 juni 2014. Volgens die rechtspraak mag de werkgever in beginsel uitgaan van de juistheid van een deskundigenoordeel indien een bevestigend antwoord is verkregen op de vraag of de inspanningen tot re-integratie van werkgever en werknemer tot op dat moment voldoende zijn geweest. Zoals is overwogen in de uitspraak van 9 december 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:4450) heeft een tijdig aangevraagd deskundigenoordeel over de re-integratie-inspanningen juist de bedoeling om werkgever en werknemer een handvat te bieden voor een verdere adequate re-integratie en voor herstel van eventuele bij het deskundigenoordeel geconstateerde tekortkomingen. Nu, anders dan in de situatie die geleid heeft tot de uitspraak van de Raad van 22 juli 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:2429) geen gemotiveerd voorbehoud in het deskundigenoordeel is opgenomen, mocht werkgeefster de ingeslagen weg voortzetten en het re-integratietraject in het tweede spoor vervolgen zoals dat was ingezet. Ter zitting van de Raad heeft appellant bevestigd dat het in 2013 ingezette tweede spoor adequaat is verlopen zodat, anders dan in genoemde uitspraak van 22 juli 2015, er terecht geen aanleiding was te concluderen dat werkgeefster in de resterende periode alsnog tekort is geschoten in haar
re-integratieverplichtingen.

4.7.

Uit wat in 4.1 tot en met 4.6 is overwogen, volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

7. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe als voorzitter en J.S. van der Kolk en

A.T. de Kwaasteniet als leden, in tegenwoordigheid van A.M.C. de Vries als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 juni 2017.

(getekend) M. Greebe

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

UM