Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2296

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-07-2017
Datum publicatie
06-07-2017
Zaaknummer
15/8231 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellante heeft per 1 augustus 2014 niet langer de hoedanigheid van werknemer behouden als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de WW. Het Uwv heeft terecht vastgesteld dat appellantes recht op WW-uitkering op 1 augustus 2014 is geëindigd op grond van artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, en tweede lid, van de WW. Op grond van artikel 22a, eerste lid, aanhef en onder a en artikel 36, eerste lid, van de WW was het Uwv gehouden de WW-uitkering van appellante over de periode van 1 augustus 2013 tot en met 8 juni 2014 in te trekken en terug te vorderen. Geen dringende reden.

Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet
Werkloosheidswet 8
Werkloosheidswet 20
Werkloosheidswet 36
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2017/269
SZR-Updates.nl 2017-0158
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/8231 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 november 2015, 15/3523 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 5 juli 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. Kashyap, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 april 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Kashyap. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
A. Anandbahadoer.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 5 augustus 2013 heeft het Uwv appellante met ingang van 1 augustus 2013 in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW), berekend naar een arbeidsurenverlies van 40 uur per week.

1.2.

Appellante is sinds 20 februari 2013 als zelfstandig ondernemer ingeschreven bij de Kamer van Koophandel met een webshop genaamd [naam webshop] . Het Uwv is hiervan in maart 2014 op de hoogte gekomen en heeft een handhavingsonderzoek ingesteld.

1.3.

Op basis van het hiervan opgemaakte rapport van 2 juli 2014 van inspecteur [naam 1] , dat onder meer een door appellante ondertekend verslag bevat van een gesprek op
25 juni 2014, heeft het Uwv bij besluit van 22 augustus 2014 vastgesteld dat appellante per
1 augustus 2013 ten onrechte in aanmerking is gebracht voor een WW-uitkering, omdat zij per die datum fulltime als zelfstandige werkzaam is geweest. Het Uwv heeft de WW-uitkering van appellante over de periode van 1 augustus 2013 tot en met 8 juni 2014 herzien (lees: ingetrokken) en heeft een bedrag van € 20.330,02 als onverschuldigd betaalde uitkering van appellante teruggevorderd. Het bezwaar van appellante tegen het besluit van 22 augustus 2014 heeft het Uwv bij besluit van 29 april 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep van belang, overwogen dat appellante, gelet op vaste rechtspraak van de Raad, bijvoorbeeld de uitspraak van 26 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2512, kan worden gehouden aan haar verklaring op 25 juni 2014 tegenover inspecteur [naam 1] . Dat appellante op 12 augustus 2014 tegenover inspecteur [naam 2] , die haar heeft gehoord naar aanleiding van een boete-aanzegging, anders dan op 25 juni 2014, heeft verklaard dat zij vanaf augustus 2013 niet volledig aan het werk was als zelfstandige, maakt niet dat appellante niet wordt gehouden aan haar eerdere verklaring tegenover [naam 1] . Niet is gebleken dat deze inspecteur iets anders zou hebben voorgelezen dan in de verklaring is opgeschreven. Evenmin is gebleken van enige dwang die op appellante zou zijn uitgeoefend om deze verklaring te ondertekenen. In het licht van de dossierstukken acht de rechtbank het onwaarschijnlijk dat de inspecteur de verklaring van appellante verkeerd geïnterpreteerd zou hebben. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat appellante haar verklaring niet direct heeft ingetrokken, maar eerst toen uit een brief van het Uwv aan haar van 25 juli 2014 duidelijk werd welke consequenties haar verklaring tegenover inspecteur [naam 1] zou hebben.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep, kort samengevat, staande gehouden dat zij ten onrechte is gehouden aan haar verklaring tegenover [naam 1] . Daartoe heeft appellante aangevoerd dat het verslag van [naam 1] berust op misinterpretatie van wat zij op 25 juni 2014 heeft gezegd, dat [naam 1] het verslag niet juist heeft voorgelezen, dat er bij haar druk is ontstaan om te tekenen, dat [naam 1] haar beter had moeten informeren over het doel en de gevolgen van het gesprek en dat [naam 1] vooringenomen is geweest. Het verslag van inspecteur [naam 2] moet volgens appellante als juist worden beschouwd, nu dat verslag een letterlijk verslag lijkt te bevatten van wat zij heeft verklaard. Daarnaast heeft de rechtbank zich ten onrechte alleen maar gebaseerd op het verslag van [naam 1] en heeft zij ten onrechte de feitelijke situatie buiten beschouwing gelaten. Ter onderbouwing van haar gronden heeft appellante een rapport van de Nationale ombudsman van 2 maart 2011 met nummer 2011/071 (Rapport over een klacht over het Uwv te Den Haag) overgelegd.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ter zitting heeft de gemachtigde van het Uwv verklaard dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt artikel 8 van de WW, gelezen in samenhang met artikel 20 van de WW.

4.2.

Artikel 8, eerste lid, van de WW luidde ten tijde van belang:

Een persoon wiens dienstbetrekking is geëindigd, behoudt de hoedanigheid van werknemer, voor zover hij geen werkzaamheden verricht uit hoofde waarvan hij op grond van deze wet niet als werknemer wordt beschouwd.

Artikel 20, eerste lid aanhef en onder a, van de WW luidde ten tijde van belang:

Het recht op uitkering eindigt voor zover de werknemer zijn hoedanigheid van werknemer verliest.

In artikel 20, tweede lid, van de WW was ten tijde van belang bepaald dat voor de werknemer op wie het eerste lid, onderdeel a, van toepassing is, het recht op uitkering eindigt ter zake van het aantal uren dat hij werkzaamheden verricht uit hoofde waarvan hij niet als werknemer in de zin van de WW wordt beschouwd.

Artikel 22a, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW bepaalde ten tijde van belang dat onverminderd het elders in de WW bepaalde ter zake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van uitkering, het Uwv een dergelijk besluit herziet of intrekt indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verpakking op grond van onder meer artikel 25 heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering.

Op grond van artikel 25 van de WW is de werknemer verplicht aan het Uwv op zijn verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mede te delen, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering.

Artikel 36, eerste lid, van de WW bepaalt, voor zover van belang, dat de uitkering die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 22a onverschuldigd is betaald, door het Uwv wordt teruggevorderd. Op grond van het vijfde lid van dit artikel kan het Uwv, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

4.3.

In hoger beroep moet worden beoordeeld of appellante per 1 augustus 2013 haar hoedanigheid als werknemer als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de WW heeft verloren. Het hoger beroep spitst zich toe op de vraag of de rechtbank in de aangevallen uitspraak terecht heeft overwogen dat appellante kan worden gehouden aan haar verklaring van
25 juni 2014 tegenover inspecteur [naam 1] , dat zij vanaf 1 augustus 2013 volledig als zelfstandige is gestart.

4.4.1.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad, bijvoorbeeld de uitspraak van 7 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4921, gaat het bij besluiten tot intrekking en terugvordering van
WW-uitkering om belastende besluiten waarbij het aan het bestuursorgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten en omstandigheden te vergaren. Gelet hierop is het aan het Uwv om feiten aan te dragen aan de hand waarvan aannemelijk is dat appellante in de relevante periode in een zodanige omvang als zelfstandige heeft gewerkt dat geen recht bestond op een WW-uitkering. Als het Uwv dat aannemelijk heeft gemaakt, ligt het op de weg van appellante de onjuistheid daarvan met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens, aannemelijk te maken.

4.4.2.

Het oordeel van de rechtbank dat op grond van de beschikbare dossierstukken voldoende aannemelijk is geworden dat appellante op 25 juni 2014 heeft verklaard dat zij sinds 1 augustus 2013 volledig als zelfstandige heeft gewerkt, wordt onderschreven, evenals de daaraan ten grondslag liggende overwegingen.

4.4.3.

Het oordeel van de rechtbank dat appellante gehouden kan worden aan deze, door haar ondertekende verklaring wordt eveneens onderschreven. Met juistheid heeft de rechtbank gewezen op de uitspraak van de Raad van 26 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2512, waarin is overwogen dat de Raad in het algemeen uitgaat van de juistheid van een tegenover een sociaal rechercheur of handhavingsspecialist afgelegde en ondertekende verklaring, en dat weinig betekenis wordt toegekend aan het achteraf intrekken of ontkennen van een dergelijke verklaring, tenzij op grond van de aanwezigheid van zodanige bijzondere omstandigheden een uitzondering moet worden gemaakt op dat uitgangspunt.

4.4.4.

Appellante heeft ook met hetgeen zij in hoger beroep heeft aangevoerd de aanwezigheid van zodanige bijzondere omstandigheden niet aannemelijk gemaakt. Zij heeft niet met objectieve en verifieerbare gegevens de juistheid van haar stelling, weergegeven in 3.1, onderbouwd. De overlegging van het rapport van de Nationale ombudsman is daarbij niet van belang, omdat dit rapport niet ziet op het specifieke geval van appellante.

4.4.5.

Ook met de door haar overgelegde urenstaten heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat zij niet volledig als zelfstandige heeft gewerkt per 1 augustus 2013. In de uitspraak van 20 juni 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW8938, heeft de Raad tot uitgangspunt genomen dat iemand die – al dan niet alleen – een bedrijf probeert op te richten, zich voor dat bedrijf zodanig pleegt in te zetten om daarvan een succes te maken dat dit de veronderstelling rechtvaardigt dat hij daaraan een volledige dagtaak heeft. Voor zover er ruimte is voor twijfel over de omvang van de werkzaamheden als zelfstandige kan dit niet in het voordeel werken van degene die geen volledige openheid heeft betracht over de in zijn onderneming verrichte werkzaamheden. Nu appellante zelf twijfel heeft veroorzaakt over de precieze omvang en de duur van de werkzaamheden per 1 augustus 2013 door eerst achteraf, op 18 augustus 2014, een schatting te maken van deze werkzaamheden, is er geen aanleiding het uitgangspunt van het Uwv voor onjuist te houden dat appellante vanaf 1 augustus 2013 40 uur per week als zelfstandige heeft gewerkt voor webshop [naam webshop] , zoals zij in de eerste instantie zelf heeft verklaard.

4.4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.4.5 volgt dat appellante per 1 augustus 2014 niet langer de hoedanigheid van werknemer heeft behouden als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de WW. Het Uwv heeft terecht vastgesteld dat appellantes recht op WW-uitkering op 1 augustus 2014 is geëindigd op grond van artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, en tweede lid, van de WW. Op grond van artikel 22a, eerste lid, aanhef en onder a en artikel 36, eerste lid, van de WW was het Uwv gehouden de WW-uitkering van appellante over de periode van 1 augustus 2013 tot en met 8 juni 2014 in te trekken en de als gevolg daarvan onverschuldigd betaalde uitkering ten bedrage van € 20.330,02 van appellante terug te vorderen. Appellante heeft geen dringende reden aangevoerd op grond waarvan het Uwv had moeten afzien van de terugvordering. Dat appellante, naar zij ter zitting naar voren heeft gebracht, slapeloze nachten heeft van de terugvordering, kan niet als dwingende reden worden gezien.

4.4.7.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en B.M. van Dun en F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van N. Veenstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2017.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) N. Veenstra

SS