Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2294

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-07-2017
Datum publicatie
06-07-2017
Zaaknummer
15/5997 ZW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2015:5608, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Uwv heeft op goede gronden vastgesteld dat appellante met ingang van 30 oktober 2014 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat zij met de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende functies meer dan 65% van het maatmaninkomen kan verdienen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/5997 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
4 augustus 2015, 15/1207 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 5 juli 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.M. Breevoort hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere (medische) stukken ingediend.

Het Uwv heeft op verzoek van de Raad een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ingediend, waarop namens appellante is gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 mei 2017. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Breevoort. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was werkzaam als administratief medewerkster voor 24 uur per week. Haar dienstverband is op 30 juni 2013 beëindigd. Appellante heeft zich op 30 september 2013 ziek gemeld met psychische klachten. Op dat moment ontving zij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet.

1.2.

In het kader van de eerstejaars beoordeling op grond van de Ziektewet (ZW) heeft een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 15 september 2014 vastgesteld dat appellante vanaf 30 oktober 2014 geen recht meer heeft op een uitkering ingevolge de ZW, omdat appellante op 29 september 2014 meer dan 65% kan verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is bij besluit van 14 januari 2015 (bestreden besluit), onder verwijzing naar een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante zich – samengevat – op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrechte de juistheid van de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep vastgestelde beperkingen heeft onderschreven. Op basis van informatie van haar huisarts en haar psycholoog, werkzaam bij i-Psy, zijn er voldoende aanwijzingen om tot de conclusie te komen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in onvoldoende mate rekening heeft gehouden met haar rug- en psychische beperkingen. Appellante handhaaft in hoger beroep haar standpunt dat het op de weg van de rechtbank had gelegen om een deskundige in te schakelen. De geselecteerde functies zijn voor haar niet geschikt. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante nadere medische stukken ingediend. Over de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft appellante aangevoerd dat een inzichtelijk overzicht ontbreekt waarin het SV-loon en de verloonde uren per aangiftetijdvak te zien zijn.

3.2.

Het Uwv heeft in reactie op de hogerberoepsgronden een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 12 september 2016 en een rapport van een registerarbeidsdeskundige van 1 september 2016 ingediend. Het Uwv heeft bepleit de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellante heeft ter zitting onderkend dat met het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 1 september 2016 inzicht is verkregen in het SV-loon en de verloonde uren per aangiftetijdvak en haar hogerberoepsgrond over de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit niet gehandhaafd.

4.2.

Op 1 januari 2013 is de Wet beperking ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid vangnetters (Wet Bezava) in werking getreden (Stb. 2012, 464). Nu appellante een verzekerde zonder werkgever is en zij zich op 30 september 2013 ziek heeft gemeld, heeft het Uwv terecht toepassing gegeven aan de met de Wet Bezava aan de ZW toegevoegde artikelen 19aa en 19ab van de ZW. Voor de beoordelingssystematiek waarmee de verdiencapaciteit na het eerste ziektejaar wordt bepaald, wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de huidige uitvoeringssystematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, waarbij aan de hand van geschikte functies wordt vastgesteld of de betrokkene beschikt over resterende verdiencapaciteit (zie de uitspraak van de Raad van 30 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4920).

4.3.

Terecht heeft de rechtbank geoordeeld dat een zorgvuldig medisch onderzoek is ingesteld en dat de beperkingen van appellante door het Uwv juist zijn vastgesteld. Van belang wordt geacht dat de verzekeringsarts bij appellante een anamnese heeft afgenomen en haar lichamelijk en psychisch heeft onderzocht. Naar aanleiding van de bevindingen vastgesteld bij lichamelijk onderzoek heeft deze arts, uitgaande van de diagnose aspecifieke rugklachten, diverse fysieke beperkingen vastgesteld. Voorts heeft deze arts op basis van de anamnese en het dagverhaal van appellante de diagnose ‘depressieve episode matig ernstig’ aangenomen en vervolgens diverse beperkingen in het persoonlijk en sociaal functioneren vastgesteld. Tevens heeft deze arts geoordeeld dat gelet op de bevindingen uit het onderzoek een urenbeperking voor vier uur per dag en twintig uur per week aangewezen is. Deze beperkingen zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 4 augustus 2014. In bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep, mede op basis van informatie verkregen van de huisarts R.D. Laigsingh, geconcludeerd dat appellante wegens haar rugklachten alleen zware belasting dient te vermijden en dat zij haar rug verder normaal dient te gebruiken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft verder geconcludeerd dat er geen grond is om van een ernstige depressie uit te gaan. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep is de verzekeringsarts, nu zij nog geen informatie had van de huisarts, bij het vaststellen van de diagnose matigernstige depressie, “aan de voorzichtige kant gaan zitten”. Daarmee is deze arts volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep met de FML van 4 augustus 2014 tot een FML gekomen die “in ruim voldoende mate beschermend is”.

4.4.

Appellante wordt niet gevolgd in haar opvatting dat uit de nadere medische stukken van de huisarts en haar psycholoog volgt dat de artsen van het Uwv haar beperkingen hebben onderschat. Met de verzekeringsarts bezwaar en beroep, zoals verwoord in zijn rapport van
12 september 2016, is de Raad van oordeel dat juist uit deze informatie blijkt dat er medisch gezien op de datum in geding sprake was van een betere gezondheidstoestand dan waarvan bij de vaststelling van de belastbaarheid in augustus 2014 is uitgegaan. Uit de informatie van de behandelend psycholoog van 29 september 2015 blijkt dat geen sprake was van een depressieve stoornis, waarvan de verzekeringsarts bij de vaststelling van de FML wel is uitgegaan, maar van een ongedifferentieerde somatoforme stoornis. Uit het journaal van de huisarts blijkt voorts dat de ernstige rugklachten van appellante niet te objectiveren zijn. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft zich in het eerder genoemde rapport van

12 september 2016 terecht op het standpunt gesteld dat beperkingen alleen dan aan de orde zijn indien daartoe een medische indicatie is. Nu uit de informatie van de huisarts niet blijkt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onjuist beeld heeft gehad van de oorzaak van appellantes rugklachten, wordt geen aanleiding gezien appellante te volgen in haar stelling dat meer beperkingen hadden moeten worden aangenomen. Voor het inschakelen van een deskundige is gelet op het voorgaande geen reden.

4.5.

Uitgaande van de juistheid van de in de FML van 4 augustus 2014 opgenomen beperkingen wordt met de rechtbank geoordeeld dat de belasting in de geselecteerde functies, te weten productiemedewerker industrie (SBC-code 111180), huishoudelijk medewerker (SBC-code 111333) en huishoudelijk medewerker gebouwen (SBC-code 111334), de belastbaarheid van appellante niet overschrijdt. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in de rapporten van 8 januari 2015 en 1 september 2016, in combinatie met de toelichtingen opgenomen in de Resultaat Functiebeoordeling van 9 september 2014, inzichtelijk gemotiveerd waarom appellante, ondanks de in een aantal functies voorkomende signaleringen, in staat geacht kan worden de haar voorgehouden functies te vervullen.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het Uwv op goede gronden heeft vastgesteld dat appellante met ingang van 30 oktober 2014 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat zij met de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende functies meer dan 65% van het maatmaninkomen kan verdienen. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit terecht ongegrond verklaard. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. Bij deze uitkomst is voor toewijzing van het in hoger beroep herhaalde verzoek om schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente geen grond.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van wettelijke rente af.

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe, in tegenwoordigheid van R.H. Budde als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2017.

(getekend) M. Greebe

(getekend) R.H. Budde

SS