Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2293

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-07-2017
Datum publicatie
11-07-2017
Zaaknummer
15/5227 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken en terugvorderen wegens verzwegen gezamenlijke huishouding. Onweerlegbaar rechtsvermoeden. Zwaartepunt persoonlijk leven in woning appellante. Verblijf elders gedurende de nachten is dan niet meer doorslaggevend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2017/209
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/5227 WWB, 15/7083 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Den Haag van

17 juni 2015, 14/7556 (aangevallen uitspraak 1), en 23 september 2015, 14/9576 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

Datum uitspraak: 4 juli 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. M.G. Cantarella, advocaat, hoger beroepen ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd plaatsgevonden op 23 mei 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Cantarella. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Siemerink.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving vanaf 5 juli 2005 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB), aanvankelijk naar de norm van een alleenstaande en sinds de geboorte van haar eerste kind op [geboortedatum] 2006 naar de norm voor een alleenstaande ouder. Tevens heeft zij in de periode van 8 mei 2009 tot en met 3 maart 2012 langdurigheidstoeslag ontvangen. Appellante woonde ten tijde hier van belang op het adres [uitkeringsadres] te [woonplaats] (uitkeringsadres). Appellant stond in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, thans Basisregistratie personen, ingeschreven op het adres [adres 2] te [plaatsnaam 2] (adres te [plaatsnaam 2] ).

1.2.

Naar aanleiding van een uit een strafrechtelijk onderzoek in november 2012 van de Regiopolitie Haaglanden ontvangen fraudemelding, dat appellant weliswaar stond ingeschreven op een adres in [plaatsnaam 2] maar vermoedelijk feitelijk op het uitkeringsadres zijn hoofdverblijf had en daar een gezamenlijk huishouden voerde met appellante en hun beider kinderen, heeft de sociale recherche van de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheidsprojecten van de gemeente Den Haag (sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader heeft de sociale recherche dossieronderzoek verricht, kennisgenomen van gegevens uit het strafrechtelijke onderzoek en van de wijkagent, een buurtonderzoek in de omgeving van het uitkeringsadres verricht waarbij verschillende buurtbewoners als getuigen zijn gehoord en appellante op 29 oktober 2013 verhoord. De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in een rapportage van 25 februari 2014.

1.3.

De bevindingen uit het onderzoek vormden voor het college aanleiding om bij besluit van 21 februari 2014 de bijstand van appellante over de periode van 22 juli 2008 tot en met

1 oktober 2012 in te trekken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 55.152,52 van appellante terug te vorderen.

1.4.

Bij besluit van 24 februari 2014 heeft het college de langdurigheidstoeslag die appellante over de periode van 8 mei 2009 tot en met 3 maart 2012 ontvangen heeft tot een bedrag van

€ 2.000,- van haar teruggevorderd.

1.5.

Bij besluit van 25 februari 2014 heeft het college de vordering van € 55.152,52 verhoogd met de daarover afgedragen loonbelasting en premies volksverzekeringen ten bedrage van

€ 17.327,62.

1.6.

Bij besluit van 15 juli 2014 (bestreden besluit 1) heeft het college de bezwaren van appellante tegen de besluiten van 21 februari 2014, 24 februari 2014 en 25 februari 2014 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante, zonder daarvan melding te doen aan het college, over de periode van 22 juli 2008 tot en met 1 oktober 2012 op het uitkeringsadres een gezamenlijke huishouding met appellant heeft gevoerd.

1.7.

Tevens heeft het college bij besluit van 22 juli 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 8 september 2014 (bestreden besluit 2), de ten onrechte aan appellante verstrekte bijstand mede van appellant teruggevorderd.

2. Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.

3 . Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraken gekeerd. Zij hebben aangevoerd dat zij niet beiden hun hoofdverblijf in de woning van appellante hadden. Er is dan ook geen sprake van schending van de inlichtingenverplichting. De verklaring van [naam M] (M) tijdens het opsporingsonderzoek dat het adres te [plaatsnaam 2] een postadres van appellant is, is niet maatgevend, omdat appellant elders, niet zijnde het adres van appellante, verbleef. De verklaring van de wijkagent [naam P] (P) is niet op concrete feiten gebaseerd. Appellanten hebben ter onderbouwing van hun beroepsgronden een afschrift van het arrest van het Gerechtshof Den Haag van 4 november 2015 overgelegd, waarin appellante is vrijgesproken van schending van de inlichtingenverplichting met betrekking tot het voeren van een gezamenlijke huishouding met appellant in de periode van 22 juli 2008 tot en met 2 oktober 2012.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dit betekent dat de last om aannemelijk te maken dat is voldaan aan de voorwaarden voor intrekking en terugvordering, in dit geval het voeren van een gezamenlijke huishouding op het uitkeringsadres, in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.2.

Vaststaat dat uit de relatie van appellanten kinderen zijn geboren. Voor de beantwoording van de vraag of in de te beoordelen periode sprake was van een gezamenlijke huishouding is daarom ingevolge artikel 3 , vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB uitsluitend van belang of appellanten hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning. Meer in het bijzonder ligt hier de vraag voor of appellant zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres.

4.3.

De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Het hoofdverblijf van iemand ligt daar waar het zwaartepunt van zijn persoonlijk leven ligt.

4.4.

De rechtbank heeft terecht geconcludeerd dat de onderzoeksbevindingen, anders dan appellanten stellen, een toereikende feitelijke grondslag bieden voor de conclusie dat appellanten in de hier te beoordelen periode, die loopt van 22 juli 2008 tot en met 1 oktober 2012, hun gezamenlijk hoofdverblijf hadden op het uitkeringsadres en daarmee dat zij een gezamenlijke huishouding voerden.

4.5.

Voor dit oordeel komt zwaarwegende betekenis toe aan de verklaring van appellante tijdens het verhoor door de sociaal rechercheurs op 29 oktober 2013. Tijdens dat verhoor heeft appellante onder meer verklaard dat appellant elke dag, meerdere keren per dag bij zijn kinderen is en daar ook wel eens blijft slapen, dat dit het geval is sinds haar oudste kind [naam kind] een maand of zes oud was, derhalve sinds ongeveer 6,5 jaar. Verder heeft appellante toen verklaard dat appellant vanaf 10 september 2012 continu bij haar is in verband met de geboorte van haar jongste kind, dat appellant op verzoek bij zijn kinderen verbleef en bleef slapen. Tijdens de hoorzitting in de bezwaarprocedure op 11 juni 2012 heeft appellante verklaard dat appellant sinds drie maanden voorafgaand aan de bevalling van haar jongste kind vrijwel voortdurend bij haar verbleef.

4.6.

De verklaring van appellante vindt steun in wat de voormalig wijkagent heeft verklaard en wat omwonenden van het uitkeringsadres ten overstaan van de sociale recherche hebben verklaard. P heeft op 17 mei 2013 onder meer verklaard dat hij in de periode van november 2008 tot halverwege 2012 wijkagent is geweest van de wijk [naam wijk] , waarvan de [straatnaam] onderdeel uitmaakt, en dat het hem ambtshalve bekend is dat appellant in die periode woonachtig is geweest op de [uitkeringsadres] , ondanks het feit dat appellante elders stond ingeschreven, dat hij in die periode vele keren heeft gezien dat appellant het perceel [uitkeringsadres] verliet dan wel betrad en dat hij tientallen keren heeft geconstateerd dat de auto van appellant direct voor het perceel [uitkeringsadres] of in de directe omgeving geparkeerd stond. De bewoonster van [adres 3] heeft op 29 oktober 2013 onder meer verklaard dat zij sinds 2008 in de [straatnaam] woont en dat daar vanaf dat moment ook een man op nummer [nummer] woonde, die later vast kwam te zitten. De bewoner van [adres 4] heeft op 6 november 2013 verklaard dat hij al vanaf 1997 op dit adres woont, dat hij meent dat appellanten in 2005 op nummer [nummer] zijn komen wonen, dat hij appellanten samen in de straat ziet, dat hij ze het huis in ziet gaan en naar buiten ziet komen en dat hij ze samen met de kinderen ziet komen en gaan. Een derde omwonende, S (huisnummer onbekend), heeft op 25 november 2013 verklaard dat appellanten er al woonden toen hij in 2006 in de [straatnaam] kwam wonen. De verklaringen van de getuigen bestrijken tezamen genomen de gehele in geding zijnde periode, zijn onderling consistent en komen voort uit eigen wetenschap. Uit deze verklaringen blijkt, behoudens enkele uitzonderingen, niet op grond van welke concrete feiten en omstandigheden de bewoners verklaren dat appellant bij appellante woont. Deze verklaringen bevestigen wel de in 4.6 genoemde verklaringen van appellante en kunnen zij in zoverre als aanvullend bewijs dienen.

4.7.

De verklaringen van appellante vinden voorts steun in wat M, neef van appellant, op

22 januari 2013 in het kader van het opsporingsonderzoek heeft verklaard. M is de eigenaar van de woning op het adres te [plaatsnaam 2] , waar appellant in de te beoordelen periode stond ingeschreven. M heeft verklaard dat appellant wel op dat adres stond ingeschreven maar er niet woonde en dat appellant dat adres alleen als postadres gebruikte. Appellanten hebben zich in hoger beroep nader op het standpunt gesteld dat appellant niet op het uitkeringsadres verbleef maar zij hebben dat standpunt niet onderbouwd. Dat nadere standpunt strookt bovendien niet met het gegeven dat appellante tijdens een onderzoek in 2008 en tijdens het verhoor op 29 oktober 2013 in eerste instantie heeft verklaard dat appellant wel op het adres te [plaatsnaam 2] woonde.

4.8.

Daarnaast heeft de rechtbank terecht belang gehecht aan de in het kader van het opsporingsonderzoek bij het uitkeringsadres gedane waarnemingen, waarbij leden van het onderzoeksteam de auto van appellant in de periode van mei 2012 tot 2 oktober 2012 tientallen malen in de buurt van de woning van appellante geparkeerd hebben zien staan, en aan de tijdens het opsporingsonderzoek op 2 oktober 2012 door de politie verrichte huisdoorzoeking op het uitkeringsadres, waarbij appellant omstreeks 06.00 uur in de woning werd aangetroffen en er onder meer vele paren herenschoenen, herenkleding en schriftelijke bescheiden op naam van appellant in de woning van appellante zijn aangetroffen.

4.9.

Op grond van de in 4.5 tot en met 4.8 genoemde gegevens, in onderlinge samenhang bezien, is de conclusie gerechtvaardigd dat appellant in de periode van 22 juli 2008 tot en met 1 oktober 2012 het zwaartepunt van zijn persoonlijk leven in de woning op het uitkeringsadres heeft gehad en dat appellanten derhalve in die periode een gezamenlijke huishouding met elkaar hebben gevoerd. Gelet hierop komt aan de omstandigheid dat appellant de nachten wellicht veelal elders doorbracht, zoals appellanten hebben gesteld, geen doorslaggevende betekenis toe. De omstandigheid dat het college na een eerder huisbezoek op 12 december 2008 niet heeft geconcludeerd dat appellanten een gezamenlijke huishouding voerden leidt niet tot een ander oordeel. Het gegeven dat het college in het verleden tot de conclusie is gekomen dat er onvoldoende aanwijzingen bestonden voor het aannemen van een gezamenlijke huishouding staat er niet aan in de weg dat op een later moment op basis van nieuw onderzoek aannemelijk kan worden gemaakt dat daarvan achteraf bezien toch sprake is. Pas uit de bevindingen van het in 1.2 bedoelde onderzoek is immers naar voren gekomen dat appellante al vanaf 22 juli 2008 onjuiste informatie over haar woon- en leefsituatie heeft verstrekt, in het bijzonder door geen melding te maken van het voeren van een gezamenlijke huishouding met appellant.

4.10.

Uit het in hoger beroep overgelegde arrest van het Gerechtshof Den Haag van

4 november 2015 blijkt dat appellante is vrijgesproken van de haar ten laste gelegde schending van de inlichtingenverplichting, omdat niet buiten gerede twijfel kan worden vastgesteld dat zij en appellant in de ten laste gelegde periode hebben samengewoond dan wel een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Deze omstandigheid doet, gelet op vaste rechtspraak (uitspraak van 22 februari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP5715), aan wat

onder 4.5 tot en met 4.9 is overwogen geen afbreuk. De bestuursrechter is immers in het oordeel over het hem voorgelegde geschil in het algemeen niet gebonden aan wat in een strafrechtelijk geding door de desbetreffende rechter is geoordeeld, te minder nu in een strafrechtelijke procedure een andere rechtsvraag voorligt en een ander procesrecht van toepassing is. Anders dan appellanten ter zitting nog hebben betoogd, leiden de door het gerechtshof gebruikte woorden “niet buiten gerede twijfel” er daarom niet toe dat het oordeel van het gerechtshof door de bestuursrechter zou moeten worden overgenomen.

4.11.

Appellante heeft in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting van de gezamenlijke huishouding geen melding gemaakt aan het college. Aangezien zij in die periode niet als zelfstandig subject recht op bijstand had, was het college gehouden de bijstand van appellante over de periode van 22 juli 2008 tot en met 1 oktober 2012 in te trekken en de over deze periode gemaakte kosten van bijstand terug te vorderen. Voorts is daarom voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 59, tweede lid, van de WWB tot medeterugvordering van de kosten van de bijstand van appellant. Tegen (de brutering van) de terugvordering en de medeterugvordering van appellant hebben appellanten geen zelfstandige gronden aangevoerd.

4.12.

Uit 4.11 volgt dat de hoger beroepen van appellanten niet slagen en dat de aangevallen uitspraken moeten worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door A. Stehouwer als voorzitter en M. ter Brugge en J.L. Boxum als leden, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2017.

(getekend) A. Stehouwer

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding.

HD