Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2287

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-07-2017
Datum publicatie
11-07-2017
Zaaknummer
15/8182 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herzien en terugvorderen wegens verzwegen ontvangst van kinderalimentatie. Schending inlichtingenverplichting omdat alleen beschikking van de rechtbank inleveren niets zegt over feitelijke ontvangst van de kinderalimentatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2017/208
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 8182 WWB, 17/1824 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Noord-Nederland van 3 november 2015, 15/152, (aangevallen uitspraak 1) en 24 januari 2017, 16/560 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Súdwest-Fryslân (college)

Datum uitspraak: 4 juli 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. Y. Bergsma, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen aangevallen uitspraak 1 en nadere stukken ingediend.

Drs. C. Atema heeft namens appellante hoger beroep ingesteld tegen aangevallen uitspraak 2.

Het college heeft verweerschriften en een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting in de zaken heeft gevoegd plaatsgevonden op 23 mei 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Bergsma en drs. Atema. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door F.G. Hoekstra.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving vanaf 1 maart 2004 bijstand, ten tijde hier in geding ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Uit een verhaalsonderzoek van de gemeente Súdwest-Fryslân is gebleken dat appellante in de periode van 14 oktober 2005 tot en met 31 oktober 2013 kinderalimentatie heeft ontvangen.

1.2.

Bij besluit van 23 mei 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 28 november 2014 (bestreden besluit 1), heeft het college de bijstand van appellante over de periode van 14 oktober 2005 tot en met 31 oktober 2013 (te beoordelen periode) herzien en de gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 27.993,24 van appellante teruggevorderd. Hieraan ligt ten grondslag dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van de door haar ontvangen bedragen aan kinderalimentatie.

1.3.

Bij brief van 29 mei 2015 heeft appellante verzocht om de maandelijkse inhouding op de bijstand in verband met terugvordering uit te stellen, te matigen of in te trekken.

1.4.

Bij besluit van 21 juli 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 15 januari 2016 (bestreden besluit 2), heeft het college het verzoek van appellante tot opschorting van de maandelijkse aflossingsverplichting afgewezen op de grond dat het college verplicht is om de vordering te verrekenen. Daarbij heeft het college rekening gehouden met de beslagvrije voet.

2. Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. Bij aangevallen uitspraak 2, voor zover hier belang, heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden gekeerd tegen aangevallen uitspraak 1 en tegen aangevallen uitspraak 2, voor zover het de verrekening betreft.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Herziening en terugvordering (aangevallen uitspraak 1)

4.1.

Niet in geschil is dat appellante in de te beoordelen periode geen melding heeft gemaakt van de feitelijk door haar ontvangen bedragen aan kinderalimentatie. Tussen partijen is verder niet in geschil dat deze bedragen op de bijstand van appellante in mindering gebracht hadden moeten worden. Appellante betwist echter dat zij de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden, omdat zij de beschikking van de rechtbank Leeuwarden van 22 februari 2006, waarbij de ingangsdatum van en het bedrag aan kinderalimentatie voor het kind van appellante is vastgesteld (kinderalimentatiebeschikking), bij de sociale dienst van de gemeente Súdwest-Fryslân heeft ingeleverd. Verder heeft appellante aangevoerd dat zij tijdens diverse telefonische en mondelinge contacten met medewerkers van de gemeente Súdwest-Fryslân heeft medegedeeld dat zij kinderalimentatie ontving. Omdat het college bekend was met het feit dat ten behoeve van haar kind kinderalimentatie was toegekend, rustte volgens appellante op het college de verplichting om te onderzoeken welke bedragen appellante ontving.

4.2.

De beroepsgrond van appellante dat zij de op haar rustende inlichtingenverplichting niet heeft geschonden, slaagt niet. Het feit dat appellante de kinderalimentatiebeschikking heeft overgelegd betekent niet dat het college daarmee op de hoogte was van de feitelijke ontvangst van de bedragen aan kinderalimentatie. De vaststelling van de kinderalimentatie door de rechtbank brengt immers niet zonder meer met zich mee dat deze kinderalimentatiebeschikking wordt nageleefd en de bedragen aan kinderalimentatie ook feitelijk worden ontvangen. Het was aan appellante om het college te informeren over de bedragen die zij aan kinderalimentatie ontving. Appellante heeft desgevraagd ter zitting van de Raad verklaard dat zij de feitelijk door haar ontvangen bedragen aan kinderalimentatie niet heeft gemeld op de daartoe bestemde formulieren. Het betoog van appellante dat zij wel mondeling heeft medegedeeld dat zij kinderalimentatie ontving, heeft zij verder niet met objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt. Hiervoor zijn in de gedingstukken ook anderszins geen aanknopingspunten voorhanden. Daarbij kon appellante op het moment van de ontvangst van de bedragen aan kinderalimentatie zien dat deze bedragen door het college niet in mindering werden gebracht op de bijstand en zij dus meer ontving dan de voor haar geldende bijstandsnorm. Haar had dan ook redelijkerwijs duidelijk kunnen zijn dat de destijds door haar ingeleverde alimentatiebeschikking voor het college niet toereikend was om ten tijde van de werkelijke ontvangst van de kinderalimentatie het recht op bijstand vast te stellen. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden.

4.3.

Anders dan appellante betoogt rust op het college geen verplichting om te onderzoeken of appellante inkomen ontvangt. Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB doet de belanghebbende immers aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. De omstandigheid dat het college na de ontvangst van de alimentatiebeschikking een afwachtende houding heeft aangenomen, doet aan het voorgaande niet af. Deze beroepsgrond slaagt dan ook niet.

4.4.

Aangezien als gevolg van het niet nakomen van de inlichtingenverplichting de bijstand over de te beoordelen periode tot een te hoog bedrag is verleend, was het college op grond van artikel 54, derde lid, van de WWB gehouden de bijstand over deze periode te herzien en op grond van artikel 58, eerste lid, van de WWB de gemaakte kosten van bijstand van appellante terug te vorderen.

4.5.

Appellante beroept zich voorts op verjaring van de vordering. Volgens appellante is de vordering verjaard omdat zij al in 2006 de alimentatiebeschikking heeft verstrekt. Deze beroepsgrond slaagt evenmin. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 26 juni 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW9784) is de verjaringstermijn voor het nemen van een besluit tot terugvordering van bijstand vijf jaar en vangt deze aan op het moment dat het bestuursorgaan bekend is geworden met feiten of omstandigheden op grond waarvan voldoende duidelijk is dat een besluit inzake terugvordering in de rede ligt. Het college is pas naar aanleiding van het verhaalsonderzoek in december 2013 op de hoogte geraakt van de feiten en omstandigheden die hebben geleid tot de conclusie dat sprake is van onverschuldigd betaalde bijstand. Dat het college al eerder door appellante was geïnformeerd over de alimentatiebeschikking maakt immers niet dat het college ook al op de hoogte was van de daadwerkelijke ontvangst van kinderalimentatie.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 niet slaagt, zodat deze uitspraak moet worden bevestigd.

Invordering (aangevallen uitspraak 2)

4.7.

Appellante heeft in het kader van de invordering de gronden die zijn aangevoerd tegen de terugvordering herhaald. Uit 4.6 volgt dat deze gronden niet slagen. Appellante heeft geen zelfstandige gronden tegen de invordering aangevoerd. Het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 2, voor zover aangevochten, slaagt niet, zodat deze uitspraak in zoverre moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt aangevallen uitspraak 1;

- bevestigt aangevallen uitspraak 2 voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door G.M.G. Hink als voorzitter en F. Hoogendijk en

J.H.M. van de Ven als leden, in tegenwoordigheid van S.A. de Graaff als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2017.

(getekend) G.M.G. Hink

(getekend) S.A. de Graaff

HD