Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2285

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-07-2017
Datum publicatie
11-07-2017
Zaaknummer
15/7715 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken bijstand omdat er geen sprake is van duurzaam gescheiden leven. Affectieve relatie is niet van belang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/7715 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag van 16 oktober 2015, 15/6825 en 15/6826 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer (college)

Datum uitspraak: 4 juli 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. C.J.A. Boere, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het college heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Bij brief van 20 februari 2017 heeft mr. H.F. Nazir zich als opvolgend advocaat gesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 mei 2017. Namens appellante is verschenen mr. Nazir. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. drs. P.C. van Aller.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante was ten tijde hier van belang gehuwd met [naam echtgenoot] . [echtgenoot] heeft in december 2010 op advies van zijn revalidatiearts de echtelijke woning verlaten in verband met agressieproblemen als gevolg van een hersenbloeding. Appellante en [echtgenoot] hadden toen vier kinderen. Appellante ontving vanaf 30 december 2010 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW). In 2012 hebben appellante en [echtgenoot] nog een dochter gekregen. Appellante stond ten tijde hier van belang in de basisregistratie personen (brp) ingeschreven op het adres [uitkeringsadres] te [woonplaats] (uitkeringsadres). [echtgenoot] stond van 30 december 2010 tot 2 mei 2013 ingeschreven op het adres [adres 2] te [woonplaats] en daarna op het adres [adres 3] te [plaatsnaam] .

1.2.

Naar aanleiding van een melding van de klantmanager van appellante dat appellante en [echtgenoot] in 2012 samen nog een kind hadden gekregen en dat [echtgenoot] zijn zelfstandige woonruimte in [woonplaats] in 2013 had verruild voor een kamer in [plaatsnaam] , heeft een handhavingsmedewerker van de gemeente [woonplaats] een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader heeft de handhavingsmedewerker onder meer dossieronderzoek verricht, registraties en het internet geraadpleegd. Naar aanleiding van de bevindingen van dat onderzoek hebben sociaal rechercheurs van de gemeente [woonplaats] in de perioden van 23 april 2015 tot en met 30 april 2015 en van 11 mei 2015 tot en met 22 mei 2015 waarnemingen gedaan in de omgeving van het uitkeringsadres. De sociaal rechercheurs hebben op 11 juni 2015 een onaangekondigd huisbezoek op het uitkeringsadres afgelegd en appellante op 12 juni 2015 gehoord. Tevens hebben zij omwonenden van het uitkeringsadres en van het laatste brp-adres van [echtgenoot] als getuigen gehoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van

18 juni 2015. Vervolgens hebben de sociaal rechercheurs op 10 september 2015 [echtgenoot] gehoord.

1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om, voor zover hier van belang, bij besluit van 18 juni 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 19 augustus 2015 (bestreden besluit), de bijstand van appellante met ingang van 11 juni 2015 in te trekken. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat appellante niet meer duurzaam gescheiden leefde van [echtgenoot] , zonder daarvan melding te maken bij het college, zodat zij geen recht had op bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Wat zij daartegen heeft aangevoerd komt, zoals zij ter zitting van de Raad heeft meegedeeld, nog slechts hierop neer dat zij als duurzaam gescheiden levend van [echtgenoot] moest worden aangemerkt omdat [echtgenoot] wel woonde op het uitkeringsadres maar zij en [echtgenoot] geen affectieve relatie meer hadden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De hier te beoordelen periode loopt van 11 juni 2015, de datum van intrekking van de bijstand, tot en met 18 juni 2015, de datum van het intrekkingsbesluit.

4.2.

Anders dan appellante heeft aangevoerd heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat appellante in het kader van de PW niet als ongehuwd kon worden aangemerkt.

4.3.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder [echtgenoot] , van de PW wordt als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is. Van duurzaam gescheiden levende echtgenoten is eerst sprake indien het een door beide betrokkenen, of één van hen, gewilde verbreking van de echtelijke samenleving betreft, waardoor ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd is en deze toestand door ten minste één van hen als bestendig is bedoeld. Dit zal moeten blijken uit de feitelijke omstandigheden.

4.4.

Uit het voorgaande vloeit voort dat voor de vaststelling of gehuwden al dan niet duurzaam gescheiden leven als bedoeld in de PW niet van belang is of zij een affectieve relatie hebben. De aard van hun relatie, hun subjectieve beleving daarvan en het motief op grond waarvan zij de samenleving niet, nog niet of niet opnieuw hebben verbroken blijven voor de toepassing van de PW buiten beschouwing.

4.5.

Wat onder 4.4 is overwogen leidt tot de conclusie dat het standpunt van het college, dat appellante en [echtgenoot] gedurende de hier te beoordelen periode niet duurzaam gescheiden leefden als bedoeld in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder [echtgenoot] , van de PW, als juist moet worden aangemerkt. Dit betekent dat appellante in die periode als een gezin als bedoeld in artikel 4, aanhef en onder c, van de PW moesten worden beschouwd en dat zij niet als een zelfstandig subject van bijstand recht had op een uitkering naar de norm voor een alleenstaande ouder.

4.6.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.M.G. Hink als voorzitter en F. Hoogendijk en

J.H.M. van de Ven als leden, in tegenwoordigheid van S.A. de Graaff als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2017.

(getekend) G.M.G. Hink

(getekend) S.A. de Graaff

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip duurzaam gescheiden leven.

HD