Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2284

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-07-2017
Datum publicatie
11-07-2017
Zaaknummer
15/8121 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken en terugvorderen wegens verzwegen gezamenlijke huishouding. Aanleiding onderzoek in raadplegen face-book pagina. Geen sprake van onrechtmatig onderzoek. Voor onderzoek hoeft geen aanleiding te zijn. Voldoende feitelijke grondslag.

Wetsverwijzingen
Participatiewet
Participatiewet 53a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2017/207
Gst. 2017/180 met annotatie van J.C. de Wit, I.F. Stolze
USZ 2017/306
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/8121 PW, 15/8122 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank [plaatsnaam] van

17 november 2015, 15/4674 en 15/6443 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Westland (college)

Datum uitspraak: 4 juli 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellante hebben mr. M.L.M. Klinkhamer, advocaat, en mr. L. Orie, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 mei 2017. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Klinkhamer. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. L.J.A. Edelaar.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving sinds 13 mei 2013 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW). Appellante stond ten tijde hier van belang sinds 14 augustus 2014 in de basisregistratie personen (brp), ingeschreven op het adres [uitkeringsadres] te [woonplaats] (uitkeringsadres). Appellante en [naam S] (S) hebben twee kinderen, geboren op respectievelijk 26 maart 2008 en 13 maart 2012. S stond ten tijde hier van belang ingeschreven op het [adres 2] te [plaatsnaam].

1.2.

Naar aanleiding van door een medewerker van de gemeente Westland op 11 november 2014 bekeken Facebookpagina’s van appellante en van S is bij deze medewerker het vermoeden ontstaan dat appellante en S op het uitkeringsadres een gezamenlijke huishouding voerden. Naar aanleiding van dit vermoeden hebben sociaal rechercheurs van de sociale recherche Leidschendam-Voorburg (sociaal rechercheurs) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dit kader hebben de sociaal rechercheurs dossieronderzoek gedaan, registraties geraadpleegd, in de periode van

20 november 2014 tot 22 januari 2015 vijftien waarnemingen bij het uitkeringsadres gedaan en op 27 januari 2015 een huisbezoek op het uitkeringsadres afgelegd. Vervolgens hebben de sociaal rechercheurs op 2 februari 2015 appellante en S en op 9 februari 2015 buurtbewoners in de omgeving van het uitkeringsadres gehoord. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 10 februari 2015.

1.3.

Bij besluit van 13 februari 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 18 juni 2015 (bestreden besluit 1), heeft het college, voor zover hier van belang, de bijstand van appellante met ingang van 9 februari 2015 beëindigd (lees: ingetrokken) en over de periode van

1 september 2014 tot en met 8 februari 2015 ingetrokken.

1.4.

Bij besluit van 29 mei 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 24 augustus 2015 (bestreden besluit 2), heeft het college, voor zover hier van belang, de kosten van bijstand over de periode van 1 september 2014 tot en met 31 januari 2015 tot een bedrag van

€ 6.470,33 van appellante teruggevorderd.

1.5.

Aan de besluitvorming van beide bestreden besluiten ligt ten grondslag dat appellante en S vanaf 1 september 2014 een gezamenlijke huishouding voeren op het uitkeringsadres. Door van die gezamenlijke huishouding geen melding te maken bij het college heeft appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden. Als gevolg daarvan is haar ten onrechte bijstand verleend naar de norm voor een alleenstaande ouder.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover deze betrekking heeft op de intrekking van de bijstand over de periode van 1 september 2014 tot en met 8 februari 2015 en de terugvordering van de kosten daarvan.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De hier te beoordelen periode loopt van 1 september 2014 tot en met 8 februari 2015 (periode in geding).

4.2.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking en beëindiging is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.3.

Aangezien vaststaat dat uit de relatie van appellante en S kinderen zijn geboren, is ingevolge artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de PW voor de beantwoording van de vraag of in de te beoordelen periode sprake was van een gezamenlijke huishouding bepalend of appellante en S hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning. Meer in het bijzonder ligt hier de vraag voor of S zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres.

4.4.

De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Appellante en S stonden in de periode in geding op afzonderlijke adressen ingeschreven. Dat gegeven staat op zichzelf niet in de weg aan het hebben van een hoofdverblijf in dezelfde woning op één van die adressen.

4.5.

Appellante heeft betoogd dat het college de onderzoeksbevindingen niet aan de bestreden besluiten ten grondslag heeft mogen leggen, omdat het college een ongerechtvaardigde inbreuk op het recht op respect voor het privéleven heeft gemaakt door het zonder enige indicatie voor fraude verrichten van onderzoek op Facebook. Het onderzoek als zodanig is daarom onrechtmatig zodat de onderzoeksbevindingen buiten beschouwing moeten blijven. Dit betoog treft geen doel.

4.6.1.

Bij het college is naar aanleiding van de bevindingen van het onderzoek op Facebook twijfel ontstaan aan de juistheid van de door appellante verstrekte inlichtingen. Om deze twijfel weg te nemen heeft het college de sociale recherche verzocht een rechtmatigheidsonderzoek in te stellen. Hierbij zijn achtereenvolgens de onderzoeksmiddelen, zoals vermeld onder 1.2, ingezet.

4.6.2.

Ingevolge artikel 53a, zesde lid, van de PW is het college bevoegd onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van de verstrekte gegevens en zo nodig naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening dan wel de voortzetting van de bijstand. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 29 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1092), kan deze bevoegdheid steeds en spontaan worden uitgeoefend ten aanzien van alle bijstandgerechtigden en is daartoe dus geen daaraan voorafgaand en redengevend feit, signaal, grond of vermoeden vereist.

4.6.3.

Het betoog van appellante dat het onderzoek op Facebook onrechtmatig zou moeten worden geacht, wat daar verder ook van zij, kan appellante niet baten. Uit 4.6.2 volgt immers dat het college ook zonder de hiervoor vermelde twijfel, bevoegd was een onderzoek in te stellen naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. Hierin is dan ook geen grond gelegen de door de sociale recherche verkregen onderzoeksbevindingen buiten beschouwing te laten. Daarbij komt dat ook in geval van een onrechtmatig bevonden onderzoek geen rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel zich ertegen verzet dat een nader onderzoek wordt ingesteld naar de rechtmatigheid van verleende bijstand en dat de bevindingen van een dergelijk onderzoek bij de beoordeling van het recht op bijstand worden betrokken. Dit wordt eerst anders indien geoordeeld moet worden dat het college in redelijkheid geen gebruik kon maken van de bevoegdheid tot het instellen van een nader onderzoek of van de daardoor verkregen onderzoeksresultaten, gelet op de wijze waarop dat in dit geval is gebeurd. Hiervoor bieden de gedingstukken geen aanknopingspunten.

4.7.

Anders dan appellante heeft betoogd bieden de bevindingen van het onderzoek door de sociale recherche een toereikende feitelijke grondslag voor de conclusie dat appellante en S in de periode in geding hun gezamenlijk hoofdverblijf hadden op het uitkeringsadres.

4.7.1.

Appellante heeft op 2 februari 2015 ten overstaan van de sociale recherche verklaard dat S vanaf het moment dat zij het nieuwe huis heeft betrokken voor meer dan de helft van de tijd bij haar verblijft, dat hij in het weekend vaak mee eet en doordeweeks als hij uit werk thuiskomt, dat hij de huissleutel heeft en dat het uitkeringsadres als het postadres van S bekend is bij zijn werkgever. S heeft op 2 februari 2015 verklaard dat hij zo ongeveer vanaf september 2014 hoofdzakelijk bij appellante heeft verbleven en daar vanaf dat moment meer dan gemiddeld was. Hij heeft verder verklaard dat hij vanaf september 2014 bij appellante at, dat hij een sleutel van de woning van appellante heeft en dat zijn loonstrook is geadresseerd op het uitkeringsadres.

4.7.2.

De in 4.7.1 genoemde verklaringen van appellante en S vinden steun in de verklaringen van vier omwonenden van het uitkeringsadres van 9 februari 2015. Deze omwonenden hebben allen verklaard dat S vanaf augustus of september 2014 op het uitkeringsadres woont.

4.8.

Uit 4.7 tot en met 4.7.2 volgt dat de verklaringen van appellante, S en de omwonenden van het uitkeringsadres voldoende feitelijke grondslag bieden voor de conclusie dat appellante en S gedurende de gehele periode in geding hun gezamenlijk hoofdverblijf hadden op het uitkeringsadres. De gronden die appellante heeft aangevoerd met betrekking tot de waarnemingen en het huisbezoek behoeven daarom geen bespreking.

4.9.

Uit 4.2 tot en met 4.8 volgt dat het college, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, zich op goede grond op het standpunt heeft kunnen stellen dat appellante en S gedurende de periode in geding een gezamenlijke huishouding voerden.

4.10.

Met betrekking tot de terugvordering heeft appellante geen zelfstandige gronden aangevoerd. Deze behoeft daarom geen afzonderlijke bespreking.

4.11.

Uit 4.1 tot en met 4.10 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd voor zover aangevochten.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door G.M.G. Hink als voorzitter en F. Hoogendijk en

J.H.M. van de Ven als leden, in tegenwoordigheid van S.A. de Graaff als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2017.

(getekend) G.M.G. Hink

(getekend) S.A. de Graaff

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over gezamenlijke huishouding.

HD