Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:228

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-01-2017
Datum publicatie
24-01-2017
Zaaknummer
15/8046 AWBZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bestreden besluit bevat ten onrechte geen heroverweging van besluit van 12 september 2014. De door [B] en [A] verrichte activiteiten kunnen niet worden aangemerkt als zorg in de zin van de AWBZ. Behandelplan voor gezin. Zorgkantoor bevoegd om pgb lager vast te stellen. Belangenafweging Zorgkantoor discretionaire bevoegdheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2017/74
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/8046 AWBZ

Datum uitspraak: 11 januari 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

15 oktober 2015, 15/2869 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. (Zorgkantoor)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.E. Stam, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Zorgkantoor heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 december 2016. Namens appellant zijn mr. Stam en [naam vader] (vader en bewindvoerder van appellant) verschenen. Het Zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Hartman.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant, geboren [in] 1994, is op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) geïndiceerd voor een Zorgzwaartepakket VG03. Het Zorgkantoor heeft aan appellant op grond van de Regeling subsidies AWBZ (Rsa) voor het jaar 2013 een netto persoonsgebonden budget (pgb) verleend van € 37.282,55, voor zorg als bedoeld in het bepaalde bij en krachtens de AWBZ.

1.2.

Appellant heeft op 16 september 2013 verantwoording afgelegd over de besteding van het pgb over de eerste helft van het jaar 2013. Daarin zijn posten opgenomen voor zorg verleend door onder [naam A] ( [A] ) en [naam B] ( [B] ).

1.3.

Het Zorgkantoor heeft deze voor [B] verantwoorde kosten bij besluit van

13 januari 2014 afgekeurd, omdat deze zorgverlener geen AWBZ-zorg levert, het tarief van

€ 80,- te hoog is en gezinsbegeleiding niet mag worden bekostigd uit de AWBZ.

1.4.

Bij nader besluit van 11 september 2014 heeft het Zorgkantoor de verantwoording over de eerste helft van het jaar 2013 gedeeltelijk goedgekeurd. Niet geaccepteerd zijn de kosten voor zorg verleend door onder meer [B] en [A] , omdat het geen AWBZ verzekerde zorg betreft.

1.5.

Bij besluit van 12 september 2014 heeft het Zorgkantoor het pgb voor het gehele jaar

2013 vastgesteld op € 30.823,43 en beslist dat appellant € 6.459,12 aan te veel ontvangen voorschotten moet terugbetalen.

1.6.

Bij besluit van 1 juni 2015 (bestreden besluit) heeft het Zorgkantoor het door appellant tegen de besluiten van 13 januari 2014 en 11 september 2014 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat met het bestreden besluit is beslist op het door appellant tegen de brieven van 13 januari 2014 en 11 september 2014 gemaakte bezwaar. De rechtbank heeft geoordeeld dat de kosten van de door [B] en [A] verleende zorg niet uit het pgb van appellant mochten worden bekostigd. Het pgb is alleen bedoeld voor begeleiding aan appellant en vaststaat dat deze zorgverleners begeleiding hebben gegeven aan het hele gezin. Er is geen ruimte voor een belangenafweging, omdat dit pas bij de invordering aan de orde komt.

3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de aan hem geboden begeleiding valt onder artikel 6, eerste lid, van het Besluit zorgaanspraken AWBZ (Bza) en als onderdeel van de gezinsbegeleiding kan worden bekostigd uit het pgb. Het Zorgkantoor en de rechtbank hebben niet onderkend dat het door appellant gemaakte bezwaar mede was gericht tegen het besluit van 12 september 2014, als gevolg waarvan ten onrechte geen belangenafweging heeft plaatsgevonden. Appellant voert ten slotte aan dat hij de terugvordering niet kan betalen, de begeleiding noodzakelijk en van goede kwaliteit was en appellant gebaat was bij een goede begeleiding van het hele gezin.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het Zorgkantoor heeft ter zitting bevestigd dat het bestreden besluit ten onrechte geen heroverweging bevat van het besluit van 12 september 2014, aangezien het door appellant gemaakte bezwaar mede gericht had moeten worden geacht tegen dit besluit. Het bestreden besluit kan daarom reeds om die reden geen stand houden en dient te worden vernietigd. Omdat de rechtbank dit niet heeft onderkend, komt ook de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het bestreden besluit vernietigen. De Raad ziet wel aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Hiertoe overweegt de Raad als volgt.

4.2.1.

Op grond van artikel 1.1.1, aanhef en onder j, van de Rsa wordt in deze regeling onder persoonlijke verzorging, verpleging, begeleiding en vervoer verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in het Bza. Artikel 6 van het Bza luidde in 2013, voor zover van belang, als volgt:

“1. Begeleiding omvat activiteiten aan verzekerden met een somatische, psychogeriatrische of psychiatrische aandoening of beperking, of een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap (…).

2. De activiteiten, bedoeld in het eerste lid, zijn gericht op bevordering, behoud of compensatie van de zelfredzaamheid en strekken tot voorkoming van opname in een instelling of verwaarlozing van de verzekerde.

3. De activiteiten, bedoeld in het eerste lid, bestaan uit:

a. het ondersteunen bij of het oefenen met vaardigheden of handelingen,

b. het ondersteunen bij of het oefenen met het aanbrengen van structuur of het voeren van regie, of

c. het overnemen van toezicht op de verzekerde.”

4.2.2.

Artikel 2.6.9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rsa verplicht de verzekerde het pgb uitsluitend te gebruiken voor de betaling van zorg als bedoeld in artikel 1.1.1, aanhef en onder j of k, en de betaling van bemiddelingskosten.

4.2.3.

Ingevolge artikel 2.6.13, tweede lid, van de Rsa wordt na afloop van iedere subsidieperiode de subsidie voor de desbetreffende subsidieperiode vastgesteld.

4.2.4.

Artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat de subsidie lager kan worden vastgesteld als de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen.

4.2.5.

Ingevolge artikel 4:95, vierde lid, tweede volzin, van de Awb kunnen onverschuldigd betaalde voorschotten worden teruggevorderd.

4.3.

Ter zitting heeft appellant verklaard dat het hoger beroep uitsluitend nog betrekking heeft op het besluit van 12 september 2014. Dit besluit dient te worden aangemerkt als een vaststellingsbeschikking als bedoeld in artikel 2.6.13, tweede lid, van de Rsa en artikel 4:46 van de Awb. Tevens dient dit besluit te worden aangemerkt als terugvorderingsbesluit als bedoeld in artikel 4:95 van de Awb.

4.4.

Op grond van artikel 2.6.9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rsa en artikel 1.1.1, onderdeel j, van de Rsa mag het pgb alleen worden gebruikt, voor zover hier van belang voor de zorgfuncties persoonlijke verzorging, verpleging, begeleiding en vervoer. De bestuursrechter dient vol te toetsen of de verrichte activiteiten aangemerkt moeten worden als zorg in de zin van de AWBZ (uitspraak van de Raad van 16 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4578).

4.5.

De Raad is van oordeel dat de door [B] en [A] verrichte activiteiten, waarvoor appellant in 2013 een bedrag van € 6.065,17 heeft verantwoord, niet kunnen worden aangemerkt als zorg in de zin van de AWBZ. Het bij de verantwoording gevoegde plan van

3 juni 2013 betreft een behandelplan voor het gezin [naam] , waarin onder meer als doel is gesteld de ouders te steunen en te ontlasten in hun taken in het gezin. Ter zitting is toegelicht dat de op grond van dit plan door [B] en [A] gegeven begeleiding bestond uit een groepstraining thuis, met het gezin als geheel en ter overbrugging van de periode waarin voor appellant werd gezocht naar een andere woonplek. Dat de zorgverleners naast deze groepstraining ook begeleiding aan appellant in de vorm van individuele gesprekken hebben geboden, is de Raad onvoldoende gebleken. Uit de overgelegde stukken blijkt niet dat, en wanneer, deze gesprekken hebben plaatsgevonden. Bovendien is onvoldoende duidelijk in hoeverre deze gesprekken bestonden uit structurerende dan wel ondersteunende gesprekken.

4.6.

Gelet op het vorenstaande moet worden geconcludeerd dat appellant het pgb niet heeft besteed aan AWBZ-zorg, waardoor appellant niet heeft voldaan aan de verplichtingen van artikel 2.6.9, van de Rsa, zodat het Zorgkantoor op grond van artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder b, van de Awb bevoegd was om het pgb lager vast te stellen dan het bij de verlening bepaalde bedrag.

4.7.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 1 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9635) dient het Zorgkantoor de bevoegdheid om pgb’s lager vast te stellen uit te oefenen met inachtneming van het geschreven en het ongeschreven recht, daaronder begrepen de in artikel 3:4 van de Awb neergelegde verplichting tot evenredige belangenafweging.

4.8.

Ter zitting bij de Raad heeft het Zorgkantoor desgevraagd de belangenafweging nader toegelicht. De door appellant aangevoerde omstandigheid dat het hele gezin en dus ook appellant baat heeft gehad bij de door [B] en [A] geboden zorg, maakt niet dat geoordeeld moet worden dat het Zorgkantoor niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot een lagere vaststelling gebruik kan maken.

4.9.

Ook de in artikel 4:95 van de Awb neergelegde bevoegdheid tot terugvordering is een discretionaire bevoegdheid. De enkele verwijzing naar het lage inkomen van appellant maakt niet dat het Zorgkantoor niet in redelijkheid tot de gemaakte belangenafweging kan komen. De Raad merkt ten slotte nog op dat het Zorgkantoor bij de inning of invordering van de geldschuld rekening moet houden met de bescherming van de beslagvrije voet.

5. Er is aanleiding om het Zorgkantoor te veroordelen tot vergoeding van

de kosten in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 495,- in beroep en op € 990,- in hoger beroep.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

- veroordeelt het Zorgkantoor in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.485,-;

- bepaalt dat het Zorgkantoor aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 168,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap als voorzitter en D.S. de Vries en J.P.A. Boersma als leden, in tegenwoordigheid van R.I. Troelstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2017.

(getekend) A.J. Schaap

(getekend) R.I. Troelstra

UM