Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2274

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-06-2017
Datum publicatie
04-07-2017
Zaaknummer
16/1133 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering. Geen twijfel aan de juistheid van de door de verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid. Geschikt voor de geselecteerde functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/1133 WIA

Datum uitspraak: 21 juni 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

26 januari 2016, 15/2215 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B. van Dijk, advocaat, hoger beroep ingesteld en opnieuw om schadevergoeding verzocht.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en nog stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 mei 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Dijk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. D. de Jong.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was laatstelijk werkzaam als kwekerij-medewerkster bloemenkas voor 40 uur per week bij [naam B.V.] B.V. Op 20 september 2012 heeft appellante zich ziekgemeld in verband met klachten als gevolg van epilepsie en lichamelijke klachten. In verband met die ziekmelding is appellante in aanmerking gebracht voor ziekengeld ingevolge de Ziektewet.

1.2.

Bij besluit van 21 november 2014 heeft het Uwv na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek vastgesteld dat voor appellante geen recht op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen is ontstaan, omdat zij per 24 september 2014 minder dan 35% arbeidsongeschikt was.

1.3.

Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is bij besluit van 9 juni 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daarbij is verwezen naar een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 8 juni 2015.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Nu de verzekeringsartsen de dossiergegevens hebben bestudeerd, appellante in het bijzijn van de verzekeringsarts bezwaar en beroep is gehoord en er informatie is ingewonnen bij de behandelend sector berust het bestreden besluit volgens de rechtbank op een voldoende zorgvuldig verricht verzekeringsgeneeskundig onderzoek. Er is geen onderbouwing voor het aannemen van meer of andere beperkingen dan waar het Uwv al rekening mee heeft gehouden en welke beperkingen mede gebaseerd zijn op informatie van de artsen die appellante behandelen. Uitgaande van de juistheid van de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van

5 november 2014 heeft de rechtbank geoordeeld dat de geselecteerde functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellante. In het arbeidskundig rapport van 21 november 2014 zijn de signaleringen met betrekking tot de belastende factoren in de functies afdoende toegelicht. De rechtbank heeft vastgesteld dat appellante de geschiktheid van de geselecteerde functies enkel in medisch en arbeidskundig opzicht betwist.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij als gevolg van epilepsie, buik-, long- en gewrichtsklachten en psychische klachten meer beperkt is dan door de verzekeringsartsen van het Uwv is aangenomen. In verband met het gevaarzettende aspect van de wegrakingen als gevolg van de epilepsie kunnen er geen functies voorgehouden worden waarbij in de buurt van machines moet worden gewerkt. Ook de functie van assistent consultatiebureau, waarbij kleine kinderen betrokken zijn, acht appellant niet passend. De functie van productiemedewerker is volgens haar ongeschikt in verband het hoge handelingstempo en de deadlines.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Dat wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd is in de kern een herhaling van wat in bezwaar en beroep is aangevoerd. De rechtbank heeft deze beroepsgronden gemotiveerd besproken en het beroep van appellante bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De Raad kan zich vinden in de overwegingen van de rechtbank zoals weergeven in de aangevallen uitspraak en de daarop gebaseerde conclusie. Terecht heeft de rechtbank geoordeeld dat de beschikbare gedingstukken, mede gelet op de informatie van de behandelend sector en gelet op de nadere door de verzekeringsarts bezwaar en beroep in verband met die informatie gegeven motiveringen, geen aanleiding geven tot twijfel aan de juistheid van de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep met betrekking tot de belastbaarheid van appellante. In zijn rapport van 8 juni 2015 motiveert de verzekeringsarts bezwaar en beroep, na dossieronderzoek, appellante tijdens de hoorzitting te hebben gezien en kennisname van informatie van de behandelend sector, ook inzichtelijk en overtuigend dat er geen reden is de belastbaarheid van appellante als vermeld in de door de verzekeringsarts opgestelde FML aan te passen. Terecht heeft die verzekeringsarts er, met betrekking tot de epilepsie, op gewezen dat uit de informatie van de behandelend sector blijkt dat het herhaalde EEG-onderzoek in verband met de voorgeschreven medicatie geen epileptische activiteit meer laat zien. Wat betreft de buikklachten van appellante kan de verzekeringsarts worden gevolgd in het oordeel dat die klachten, gelet op de informatie van de behandelend sector, niet door een medisch substraat worden onderbouwd. Datzelfde geldt voor de gewrichtsklachten. In verband met de longklachten van appellante heeft de verzekeringsarts in de FML appellante op het aspect 3.6 beperkt geacht in die zin dat zij niet overmatig moet worden blootgesteld aan gassen, dampen en rook. De psychiatrische klachten geven meergenoemde arts aanleiding om aan te nemen dat appellante verminderd in staat is om stress te hanteren en neemt daarom beperking aan met betrekking tot het hanteren van deadlines en een hoog werktempo. Er is geen andere informatie bekend geworden die aanleiding geeft tot twijfel aan het oordeel van die verzekeringsarts.

4.2.

Dat appellant in mei 2016 is gediagnosticeerd met het systeem van Sjogren, kan niet tot de conclusie leiden dat appellante op grond daarvan arbeidsongeschikt in de zin van de Wet WIA moet worden geacht. Er dient naast een gestelde diagnose immers sprake te zijn van tot objectieve gronden te herleiden medische beperkingen voor het verrichten van arbeid (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:AT6732). Van dergelijke beperkingen op de datum hier in geding, te weten 24 september 2014 is de Raad niet gebleken. Hierbij wordt nog van belang geacht dat uit de gedingstukken van medische aard waarvan met name die van de behandelend sector van appellant ook niet blijkt van klachten behorende bij het Sjogren syndroom op en rond 24 september 2014.

4.3.

Desgevraagd heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in zijn rapport van

15 december 2016 de voor appellante geselecteerde functies nader beoordeeld en toereikend gemotiveerd waarom de belasting in de voorgehouden functies in overeenstemming is met de belastbaarheid van appellante.

4.3.1.

Appellante kan niet worden gevolgd in haar standpunt dat de functie van productie medewerker voedingsmiddelen industrie voor haar niet geschikt is omdat door de aard van die functie er van moet worden uitgegaan dat sprake is van een te hoog handelingstempo en deadlines. Uit de Resultaat functiebeoordeling (RF) van die functie blijkt uit de toelichting bij aspect 1.9.7 (Deadlines/productiepieken) dat er geen kenmerkende belasting op die punten aan de orde is. Het aspect 1.9.8 van de FML (geen handelingstempo) komt in bedoelde RF in het geheel niet voor. Op grond hiervan mag worden aangenomen dat de in de bedoelde functie voorkomende belasting in overeenstemming is met de belastbaarheid van appellante.

4.3.2.

Appellante kan evenmin worden gevolgd in haar opvatting dat de functie van Consultatiebureau assistent (SBC-code 372090) haar in redelijkheid niet kan worden opgedragen. Uit de functieomschrijving bij die functie blijkt dat niet appellante maar de ouder de baby optilt en neerlegt in de weegschaal.

5. Het vorenstaande leidt er toe dat het hoger beroep van appellante over haar

WIA-aanspraken niet slaagt. Dat heeft tot gevolg dat er geen grond is voor een veroordeling tot vergoeding van schade, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

6. Van een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk, in tegenwoordigheid van R.H. Budde als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2017.

(getekend) J.S. van der Kolk

(getekend) R.H. Budde

UM