Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2257

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-06-2017
Datum publicatie
30-06-2017
Zaaknummer
15/7230 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat uit het door Uwv verrichte onderzoek in de daarbij ter beschikking gekomen informatie blijkt dat appellant vanaf de start van [naam bedrijf] werkzaamheden voor [naam bedrijf] heeft verricht. Net als de eerdere verklaring van de bekende van appellant in beroep, is ook de in hoger beroep overgelegde nieuwe verklaring van [naam] onvoldoende concreet en gespecificeerd om af te doen aan de conclusies en bevindingen uit het onderzoeksrapport. Het oordeel van de rechtbank over de korting en de terugvordering wordt onderschreven. Geen sprake van verminderde verwijtbaarheid. De boete zal daarom in stand worden gelaten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/7230 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
24 september 2015, 14/11413 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 21 juni 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.F. Desloover hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 maart 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Desloover. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. J.J. Grasmeijer.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant ontvangt een uitkering op grond van de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), laatstelijk naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Door de Fiscale Inlichtingen en Opsporingsdienst (FIOD) te Rotterdam is onderzoek verricht naar verduistering en witwaspraktijken. De hoofdverdachte in die zaak zou een bedrag van vierentwintig miljoen euro hebben verduisterd. Een deel van dat geld zou zijn geïnvesteerd in [naam bedrijf]. Appellant en zijn echtgenote zouden in [naam bedrijf] werkzaam zijn geweest. In verband met dat onderzoek zijn appellant en zijn echtgenote verhoord. Tevens is een aantal andere betrokkenen verhoord. De informatie uit het onderzoek is aan het Uwv ter beschikking gesteld.

1.2.

Naar aanleiding van die informatie heeft het Uwv nader onderzoek verricht. Appellant is daarbij op 20 augustus 2013 door het Uwv gehoord. Op 23 augustus 2013 heeft appellant een aanvullende verklaring opgesteld en aan het Uwv toegezonden. De bevindingen uit het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 5 september 2013. In dat rapport is geconcludeerd dat appellant zich niet heeft gehouden aan de voorschriften van de WAO en de mededelingsverplichting en dat hij van maart 2007 tot juni 2012 werkzaamheden voor [naam bedrijf] heeft verricht.

2.1.

Op basis van deze bevindingen heeft het Uwv bij besluit van 3 juli 2014 de WAO‑uitkering in verband met de inkomsten uit de werkzaamheden verlaagd over de periode van 1 maart 2007 tot 1 juni 2012. Bij een tweede besluit van 3 juli 2014 heeft het Uwv het daarmee samenhangende bedrag van ten onrechte ontvangen WAO-uitkering van € 78.945,99 van appellant teruggevorderd.

2.2.

Op 7 juli 2014 heeft het Uwv aan appellant het voornemen kenbaar gemaakt om een boete op te leggen. Appellant heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om op dat voornemen te reageren, waarna het Uwv bij besluit van 22 juli 2014 een boete heeft opgelegd van € 2.269,-.

3. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de besluiten van 3 juli 2014 en 22 juli 2014. Bij beslissing op bezwaar van 10 november 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv die bezwaren ongegrond verklaard en de eerdere besluiten gehandhaafd. Het Uwv heeft daarbij overwogen dat er geen reden is om te twijfelen aan de juistheid van de conclusies die zijn getrokken op basis van het onderzoeksrapport van 5 september 2013.

4.1.

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Naar aanleiding van dat beroep heeft het Uwv het standpunt herzien ten aanzien van de periode waarover de WAO‑uitkering zou moeten worden gekort en heeft deze gesteld op 1 januari 2008 tot
1 februari 2012. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak, met inachtneming van dat veranderde standpunt, het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, de besluiten van 3 juli 2014 in zoverre herroepen, de periode waarover de WAO-uitkering wordt verlaagd gesteld op 1 januari 2008 tot 1 februari 2012 en de hoogte van de terugvordering gesteld op € 62.285,38. De rechtbank heeft daarbij beslissingen gegeven over het griffierecht en de proceskosten.

4.2.

De rechtbank heeft overwogen dat het Uwv aannemelijk heeft gemaakt dat appellant in de periode van 1 januari 2008 tot 1 februari 2012 op geld waardeerbare activiteiten voor [naam bedrijf] heeft verricht en dat het Uwv zich daarbij heeft kunnen baseren op het onderzoeksrapport van 5 september 2013. Het Uwv heeft daarbij onder meer acht kunnen slaan op de in het kader van het FIOD-onderzoek afgelegde verklaringen van onder meer de echtgenote van appellant, de bedrijfsadministrateur en de secretaresse. Die verklaringen achtte de rechtbank consistent en deze komen met elkaar overeen, terwijl appellant daarentegen in de loop der tijd wisselende verklaringen heeft afgelegd. Bovendien valt niet in te zien dat de ondervraagden enig belang zouden hebben bij het afleggen van onjuiste verklaringen. Dat geldt naar het oordeel van de rechtbank in het bijzonder voor de echtgenote van appellant aangezien zij geen gebruik heeft gemaakt van haar verschoningsrecht. Uit de afgelegde verklaring van de hoofdverdachte in de witwaszaak en de echtgenote van appellant volgt dat appellant wegens zijn WAO-uitkering geen eigen zaak mocht hebben en dat de echtgenote daarom vanaf het begin op papier de bestuurder was, maar dat de dagelijkse leiding en de daarbij behorende activiteiten feitelijk in handen van appellant waren. Over een door appellant in beroep ingebrachte verklaring van een bekende van appellant, [naam] heeft de rechtbank geoordeeld dat deze onvoldoende gedetailleerd en concreet was om af te doen aan de eerder afgelegde verklaringen.

4.3.

De rechtbank heeft verder geoordeeld dat het Uwv de gehanteerde inkomstenschatting aan het bestreden besluit ten grondslag heeft kunnen leggen. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het Uwv ervan is uitgegaan dat voor zover het salaris van de echtgenote van appellant meer dan € 3.500,- per maand bedroeg, dit deel feitelijk voor appellant was bestemd. De stelling van appellant dat het inkomen van € 3.500,- niet buitensporig hoog was, ter onderbouwing waarvan appellant heeft verwezen naar het inkomen van de operationeel directeur die van september 2009 tot oktober 2010 voor [naam bedrijf] werkzaam is geweest, achtte de rechtbank niet met stukken onderbouwd, zodat geen vergelijking van de salarissen kon worden gemaakt. Dat een deel van het salaris van de echtgenote bestemd was voor appellant, wordt volgens de rechtbank bovendien ondersteund door een mailwisseling uit 2011 tussen de hoofdverdachte en de bedrijfsadministrateur.

5.1.1.

In hoger beroep heeft appellant staande gehouden dat hij de inlichtingenplicht niet heeft geschonden. De werkzaamheden die hij voor [naam bedrijf] heeft verricht betroffen met name hand- en spandiensten en het verlenen van bijstand aan zijn echtgenote, vooral toen de hoofdverdachte zich op geen enkele wijze meer verantwoordelijk toonde voor de financiële situatie van het bedrijf. Hij wijst er daarbij op dat eerst in 2010 in beperkte mate en in 2011 en 2012 iets meer bemoeienis is ontstaan.

5.1.2.

Appellant betwist dat het bedrag van € 3.500,- bruto per maand voor de werkzaamheden van zijn echtgenote als ‘reëel en passend’ zou moeten worden gekwalificeerd. Hij wijst er daarbij op dat zij werkzaam was als directrice en dat de aan haar toegekende beloning marktconform was. Hij wijst er daarbij op dat de werkzaamheden van de echtgenote gedurende ruim een jaar zijn overgenomen door een andere directrice en dat uit haar arbeidscontract blijkt dat haar beloning ruimschoots is gelegen boven de beloning die aan de echtgenote van appellant is toegerekend. Het aan de echtgenote van appellant toegerekende bedrag is dus te laag.

5.1.3.

Appellant heeft tevens een verklaring ingebracht van 20 maart 2017 van [naam] waarin deze – kort gezegd – verklaart dat hij appellant nooit heeft zien werken voor [naam bedrijf].

5.1.4.

Ter zitting heeft appellant toegelicht dat, nu hij de inlichtingenplicht niet heeft geschonden, het Uwv geen boete heeft kunnen opleggen.

5.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

6. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

6.1.1.

Voor de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen wordt verwezen naar onderdeel 7 van de aangevallen uitspraak. Daaraan worden nog de volgende, ten tijde in geding, van belang zijnde bepalingen toegevoegd.

6.1.2.

In artikel 80, eerste lid, van de WAO, is bepaald dat degene die in het genot is van een arbeidsongeschiktheidsuitkering verplicht is aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten of omstandigheden waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk is, dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op of de hoogte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering of het bedrag dat daarvan wordt uitbetaald.

6.1.3.

Op grond van artikel 29a, eerste lid, van de WAO legt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een bestuurlijke boete op van ten hoogste € 2.269,- ter zake van het niet of niet behoorlijk nakomen door de belanghebbende van de verplichting bedoeld in artikel 80.

6.1.4.

Op grond van het vijfde lid worden bij algemene maatregel van bestuur nadere regels gesteld over de hoogte van de bestuurlijke boete.

6.1.5.

Zulke nadere regels zijn gesteld bij het Boetebesluit socialezekerheidswetten (Boetebesluit). In artikel 2 van het Boetebesluit is bepaald dat de bestuurlijke boete wordt vastgesteld op 10% van het benadelingsbedrag, met dien verstande dat zij op ten minste € 52,- wordt vastgesteld.

6.2.

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat uit het door Uwv verrichte onderzoek in de daarbij ter beschikking gekomen informatie blijkt dat appellant vanaf de start van [naam bedrijf] werkzaamheden voor [naam bedrijf] heeft verricht. Zie daarvoor bijvoorbeeld de verklaring van de echtgenote van appellante op 6 november 2012:

‘In de tijd dat de zaak opgestart werd hield [appellant] zich bezig met het verbouwen van de winkel’

en

‘In het begin gingen [appellant] en ik samen op zoek naar leveranciers (…). In het begin deden wij samen de bestellingen bij de leveranciers, later deed ik dat alleen. Vanaf het moment van oprichting van [naam bedrijf] heeft appellant zich beziggehouden met de facturen die de leveranciers opstuurden. (gedingstuk I 13.101)’

6.3.

Verder blijkt uit de diverse verklaringen dat appellant steeds intensief bij [naam bedrijf] betrokken is geweest. De eigen verklaring van appellant over zijn betrokkenheid komt daar in ieder geval mee overeen waar deze betrekking heeft op periode waarin de betalingsproblemen ontstonden en de hoofdverdachte zich had teruggetrokken.

6.4.

Net als ten aanzien van de eerdere verklaring van de bekende van appellant in beroep, is ook de in hoger beroep overgelegde nieuwe verklaring van [naam] onvoldoende concreet en gespecificeerd om af te doen aan de conclusies en bevindingen uit het onderzoeksrapport.

6.5.

Uit de stukken blijkt verder dat de het salaris van meer dan € 5.000,- bruto per maand voor de echtgenote van appellant, was bedoeld als een gecombineerd bedrag dat mede betrekking had op de inbreng van de activiteiten van appellant. Dat blijkt onder uit de e‑mailwisseling van de bedrijfsadministrateur met de hoofdverdachte van 4 juli 2011waarin sprake is van één salaris voor beiden. Uit de diverse verklaringen blijkt verder dat de echtgenote van appellant nooit op het niveau van een operationeel directeur heeft gefungeerd, zodat een salaris van € 5.000,- niet in overeenstemming was met de functie die zij feitelijk uitoefende. De in hoger beroep ingebrachte arbeidsovereenkomst met de operationeel directeur geeft geen onderbouwing voor de stelling van appellant dat zijn echtgenote dezelfde taken vervulde als deze operationeel directeur. Het Uwv heeft in dat verband het salaris van de echtgenote van appellante op € 3.500,- kunnen stellen, en het meerdere aan appellant kunnen toerekenen.

6.6.

Het oordeel van de rechtbank over de korting en de terugvordering wordt daarom onderschreven. Gelet daarop verandert het benadelingsbedrag niet en zijn er ook overigens geen omstandigheden die er op duiden dat de schending van de inlichtingenplicht niet of niet in overwegende mate kan worden verweten of dat moet worden uitgegaan van een verminderde verwijtbaarheid. De boete zal daarom in stand worden gelaten.

6.7.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal, voor zover aangevochten, worden bevestigd.

7. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en A.I. van der Kris en E. Dijt als leden, in tegenwoordigheid van N. van Rooijen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2017.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) N. van Rooijen

NW