Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2245

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-06-2017
Datum publicatie
04-07-2017
Zaaknummer
15/7599 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken en terugvorderen. Niet gemelde massages. Op geld waardeerbaar. Niet schattenderwijs vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2017/206
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 7599 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

27 oktober 2015, 15/1141 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen (college)

Datum uitspraak: 27 juni 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.A. Wellen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 mei 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Wellen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. E.H. Leenders.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontvangt sinds 1 juli 2011 bijstand, ten tijde hier van belang op grond van de Wet werk en bijstand (WWB), thans op grond van de Participatiewet.

1.2.

In de periode van 2008 tot en met 2011 heeft appellant geprobeerd een bedrijf op te richten dat gericht was op (stoel-)massages en wandelcoaching. Voor de massages die hij toen verrichtte bracht hij € 1,- per minuut in rekening.

1.3.

Nadat appellant bij het college had gemeld dat hij na beëindiging van het bedrijf nog wel eens opdrachten had, maar hij geen inkomsten had opgegeven, heeft het college een onderzoek ingesteld. In het kader van dit onderzoek heeft appellant een overzicht overgelegd van door hem in de periode van 11 januari 2013 tot en met 27 juni 2014 gegeven massages, uitgedrukt in minuten, aan vrienden, familieleden en bij een bedrijf.

1.4.

De bevindingen uit het onderzoek vormden, voor zover hier van belang, voor het college aanleiding om bij besluit van 24 november 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van

30 januari 2015 (bestreden besluit), de bijstand over de periode van 1 juli 2013 tot 1 juli 2014 te herzien en de gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 903,49 van appellant terug te vorderen. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant niet of niet tijdig heeft gemeld dat hij inkomsten heeft gehad of kunnen hebben uit het geven van massages aan derden. Bij de hoogte van de herziening is het college uitgegaan van het in 1.3 genoemde, door appellant vervaardigde overzicht en van inkomsten ter hoogte van € 1,- per minuut massage.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daartoe heeft appellant aangevoerd dat hij de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden, nu hij zelf bij het college heeft gemeld dat hij af ten toe masseert. De massages zijn niet aan te merken als op geld waardeerbare arbeid die in het maatschappelijk verkeer een economische waarde vertegenwoordigen. De massages hadden geen structureel karakter en werden in het kader van het kosteloos uitwisselen van hulp en diensten in de vrienden- en familiekring gegeven. Hij kon geen vergoeding bedingen. Ten slotte heeft appellant aangevoerd dat de bijstand over de periode van 11 januari 2013 tot 1 juli 2013 niet kan worden teruggevorderd, omdat het recht op bijstand over die periode niet is herzien.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad stelt allereerst vast dat het college zich bij de besluitvorming heeft gebaseerd op het door appellant vervaardigde overzicht van massages in de periode van 1 januari 2013 tot en met 27 juni 2014 en dat het voor appellant ook duidelijk was dat de besluitvorming zag op de massages waarop dat overzicht betrekking had. Daarom moet het besluit van

24 november 2014 zo worden gelezen dat daarbij de bijstand is herroepen over de periode van 1 januari 2013 (in plaats van 1 juli 2013) tot 1 juli 2014 (periode in geding).

4.2.

Uit het door appellant vervaardigde overzicht blijkt dat hij in de periode in geding ongeveer 50 massages in 695 minuten heeft gegeven. Gelet op de aard, de omvang, de duur en het terugkerende karakter van de massages, is sprake van op geld waardeerbare arbeid. Het gaat hier niet louter om een vriendendienst. Hierbij is ook van betekenis het feit dat appellant eerder tegen betaling massages heeft verricht in het kader van een door hem op te richten bedrijf en het feit dat appellant bij de massages in het overzicht ook massages heeft opgenomen bij een bedrijf, welke massages door hem zijn gefactureerd.

4.3.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 8 mei 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW5646) is het verrichten van op geld waardeerbare activiteiten een omstandigheid die voor het recht op bijstand van belang kan zijn, ongeacht de intentie waarmee die werkzaamheden worden verricht en ongeacht of uit die werkzaamheden daadwerkelijk inkomsten worden genoten. Van betekenis is in dit verband dat voor de verlening van bijstand, gelet op het bepaalde in artikel 31, eerste lid, in verbinding met artikel 32, eerste lid, van de WWB, niet alleen van belang is het inkomen waarover de betrokkene daadwerkelijk beschikt, maar ook het inkomen waarover hij redelijkerwijs kan beschikken.

4.4.

Appellant heeft aanvankelijk slechts gemeld dat hij nog wel eens opdrachten had en heeft pas in het kader van het vervolgens door het college ingestelde onderzoek op 14 oktober 2014 het overzicht van de massages vanaf januari 2013 vervaardigd. Nu het appellant redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn geweest dat zijn activiteiten voor de verlening van de bijstand van belang konden zijn, heeft appellant, door daarvan niet onverwijld melding te maken, de inlichtingenverplichting geschonden.

4.5.

Indien na een schending van de inlichtingenverplichting de door de betrokkene gestelde en aannemelijk gemaakte feiten geen grondslag bieden voor een precieze vaststelling van het recht op bijstand, dan is het bijstandverlenend orgaan gehouden schattenderwijs vast te stellen tot welk bedrag de betrokkene in ieder geval wel recht op bijstand zou hebben, op basis van de vaststaande feiten. Het eventuele nadeel voor de betrokkene voortvloeiende uit de resterende onzekerheden, mag daarbij wegens schending van de inlichtingenverplichting voor diens rekening worden gelaten. Vergelijk de uitspraak van 27 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT5852.

4.6.

Appellant heeft van de massages geen deugdelijke administratie bijgehouden. Nu appellant eerder in het kader van het op te richten bedrijf een tarief hanteerde van € 1,- per minuut masseren, heeft het college bij de herziening van de bijstand uit kunnen gaan van dit tarief bij het schattenderwijs vaststellen van inkomsten uit de massages.

4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen als voorzitter en P.W. van Straalen en J.L. Boxum als leden, in tegenwoordigheid van S.A. de Graaff als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 juni 2017.

(getekend) M. Hillen

(getekend) S.A. de Graaff

HD