Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2242

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-06-2017
Datum publicatie
04-07-2017
Zaaknummer
16/348 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet gemelde ZW-uitkering. Geen benadeling. Ook als appellante wel de juiste info had verstrekt was er ZW-uitkering verstrekt. Benadeling niet ten gevolge van schending inlichtingenplicht.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 17
Wet werk en bijstand 18a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2018/22 met annotatie van C.W.C.A. Bruggeman
USZ 2017/285
NBJ-Pw/14/026 met annotatie van mr. Kees-Willem Bruggeman
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 348 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

4 december 2015, 14/3004 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen (college)

Datum uitspraak: 27 juni 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.M.J. Schoonbrood, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 mei 2017. Namens appellant is

mr. Schoonbrood verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. Y.J.P. Pozun.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving vanaf 27 november 2012 een uitkering ingevolge de Ziektewet (ziektewetuitkering). Bij besluit van 9 april 2013 heeft de Raad van bestuur van het Uitkeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) de ziektewetuitkering per 28 maart 2013 ingetrokken. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

1.2.

Bij besluit van 25 juni 2013 heeft het college appellant vanaf 22 april 2013 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) verleend. Bij dit besluit heeft het college vermeld dat appellant mogelijk nog inkomen uit ziektewetuitkering ontvangt over de periode dat hij bijstand ontvangt. Als appellant die middelen heeft gekregen dan vordert het college de bijstand over die periode terug. Ook is in het besluit vermeld dat appellant verplicht is het college op de hoogte te houden van alles wat met het verkrijgen van deze middelen te maken heeft.

1.3.

Bij besluit van 18 september 2013 heeft het UWV het bezwaar tegen het besluit van

9 april 2013 gegrond verklaard en dit besluit herroepen.

1.4.

Op 4 december 2013, 11 december 2013 en 18 december 2013 heeft het UWV aan appellant uitkeringsspecificaties van de na te betalen ziektewetuitkering verstrekt.

1.5.

Bij besluit van 14 januari 2014 heeft het UWV de ziektewetuitkering van appellant per

10 december 2013 ingetrokken.

1.6.

Nadat appellant niet had voldaan aan een bij brief van 18 december 2013 door het college gedaan herhaald verzoek om inlichtingen over de ziektewetuitkering te verstrekken, heeft het college bij besluit van 27 januari 2014 de bijstand van appellant opgeschort en appellant een hersteltermijn gegeven voor het alsnog verstrekken van de inlichtingen. Bij besluit van

5 februari 2014 heeft het college de bijstand per 27 januari 2014 ingetrokken op de grond dat appellant de gevraagde inlichtingen niet binnen de hersteltermijn heeft verstrekt. Tegen de opschorting en de intrekking heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend.

1.7.

Bij brief van 5 februari 2014 heeft het college appellant verzocht voor 12 februari 2014 bankafschriften van al zijn rekeningen over de periode van 1 december 2013 tot 27 januari 2014 en alle correspondentie over de uitbetaling van de ziektewetuitkering over de maanden december 2013 en januari 2014 te verstrekken. Appellant heeft niet aan dit verzoek voldaan. Bij brief van 17 februari 2014 heeft het college appellant verzocht de in de brief van

5 februari 2014 gevraagde gegevens voor 24 februari 2014 te verstrekken. Ook aan dit verzoek heeft appellant niet voldaan.

1.8.

Bij besluit van 27 maart 2014 heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 22 april 2013 ingetrokken en de kosten van bijstand over de periode van 22 april 2013 tot en met 26 januari 2014 van appellant teruggevorderd.

1.9.

Bij besluit van 10 april 2014 heeft het college appellant een boete opgelegd van

€ 8.118,52.

1.10.

In het kader van de behandeling van een op 25 maart 2014 ingediende aanvraag om bijstand heeft appellant een overzicht van bijschrijvingen op zijn bankrekening in de periode van 1 december 2013 tot en met 25 maart 2014 aan het college verstrekt, alsmede uitkeringsspecificaties van zijn ziektewetuitkering van 4 december 2013, 11 december 2013 en 18 december 2013. Bij besluit van 13 mei 2014 heeft het college appellant weer bijstand verleend met ingang van 17 maart 2014.

1.11.

Bij besluit op bezwaar van 27 augustus 2014 heeft het college het besluit van 27 maart 2014 herroepen in die zin dat de intrekking van de bijstand en de terugvordering van de kosten van de bijstand worden beperkt tot de periode van 22 april 2013 tot en met 9 december 2013, waardoor het terug te vorderen bedrag € 8.686,85 bruto (€ 7.363,04 netto) bedraagt. Aan dit besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet onverwijld en uit eigen beweging melding te maken van de gegrondverklaring van zijn bezwaar tegen de beëindiging van de ziektewetuitkering, de ontvangen nabetalingen aan ziektewetuitkering over de periode van 22 april 2013 tot en met

9 december 2013 en de beëindiging van de ziektewetuitkering per 10 december 2013. Voorts is aan dit besluit ten grondslag gelegd dat op grond van de gegevens die appellant in verband met de op 25 maart 2014 ingediende aanvraag om bijstand heeft verstrekt, appellant over de periode van 22 april 2013 tot en met 9 december 2013 geen recht had op bijstand en over de periode van 10 december 2013 tot en met 26 januari 2014 wel recht had op bijstand. Bij uitspraak van 4 december 2015, 14/3033, heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 27 augustus 2014 ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant geen rechtsmiddel aangewend.

1.12.

Bij besluit op bezwaar van 29 september 2015 (bestreden besluit) heeft het college het tegen het besluit van 10 april 2014 gemaakte bezwaar voor wat betreft de hoogte van de boete gegrond verklaard, de boete vastgesteld op een bedrag van € 5.530,- en het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden door de bij de brieven van

5 februari 2014 en 17 februari 2014 gevraagde gegevens niet voor de in die brieven gestelde termijnen te verstrekken. Als gevolg van het niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting heeft appellant een bedrag van € 7.363,04 netto ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan bijstand ontvangen. Het college is bij de vaststelling van de hoogte van de boete uitgegaan van een benadelingsbedrag van € 7.363,04. Het college acht verder grove schuld aangetoond, waardoor de boete is vastgesteld op 75% van dat bedrag, naar boven afgerond op een veelvoud van € 10,-.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd voor zover dit ziet op de hoogte van de opgelegde boete, de hoogte van de boete vastgesteld op € 4.350,- en bepaald dat de uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit met veroordeling van het college in de proceskosten. Daartoe heeft de rechtbank geoordeeld dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden, vastgesteld dat het benadelingsbedrag € 8.686,85 bedraagt en geoordeeld dat uitgegaan moet worden van ‘gewone’ verwijtbaarheid, zodat een boete van 50% van het benadelingsbedrag passend en geboden is.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover daarbij de boete in stand is gelaten en de hoogte ervan is vastgesteld op € 4.350,-.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 17 van de WWB doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand.

Ingevolge artikel 18a, eerste lid, van de WWB legt het college een bestuurlijke boete op van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de WWB.

Artikel 18a, tweede lid, van de WWB bepaalt dat onder benadelingsbedrag wordt verstaan het bedrag dat als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de WWB (…) ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan bijstand is ontvangen.

Ingevolge artikel 18a, derde lid, van de WWB legt het college, indien het niet of niet behoorlijk nakomen door de belanghebbende van een verplichting als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de WWB of de verplichtingen, bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, niet heeft geleid tot een benadelingsbedrag, een bestuurlijke boete op van ten hoogste het bedrag van de tweede categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Ingevolge artikel 18a, vierde lid, van de WWB kan het college afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete als bedoeld in het derde lid en volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de belanghebbende van een verplichting als bedoeld in artikel 17, eerste lid, of de verplichtingen, bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichtingen plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende een zodanige waarschuwing is gegeven.

Ingevolge artikel 4 van de door het college vastgestelde en op 1 januari 2013 in werking getreden Beleidsregels bestuurlijke boete WWB, IOAW en IOAZ (beleidsregels) ziet het college bij schending van de inlichtingenplicht zonder benadelingsbedrag af van het opleggen van een boete en volstaat het met het geven van een schriftelijke waarschuwing (…), tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan belanghebbende een zodanige waarschuwing is gegeven.

4.2.1.

Appellant heeft aangevoerd dat hij de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden, omdat hij het in 1.3 genoemde besluit wel tijdig heeft gemeld en uit dit besluit ook de hoogte van het dagloon volgde, zodat duidelijk was dat de ziektewetuitkering waar hij recht op had hoger was dan de voor hem geldende bijstandsnorm en hij over de gehele periode met terugwerkende kracht geen recht had op bijstand. De bankafschriften en uitkeringsspecificaties waren daarom niet relevant voor de beantwoording van de vraag of hij recht had op bijstand, zodat het college deze ten onrechte bij hem heeft opgevraagd. Deze beroepsgrond slaagt niet.

4.2.2.

Anders dan appellant heeft gesteld, wordt in het in 1.3 genoemde besluit de hoogte van het dagloon niet vermeld. Met dat besluit was de daadwerkelijke uitbetaling van de ziektewetuitkering en de hoogte van die uitkering dan ook niet bekend bij het college. Het college heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat de uitkeringsspecificaties en bankafschriften van belang waren voor het recht op bijstand. Door deze gegevens niet te verstrekken heeft appellant de inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 17 van de WWB geschonden.

4.3.1.

Appellant heeft voorts aangevoerd dat geen sprake was van benadeling. Deze beroepsgrond slaagt. Daartoe wordt als volgt overwogen.

4.3.2.

Uit artikel 18a, tweede lid, van de WWB volgt dat slechts sprake is van een benadelingsbedrag indien en voor zover de betrokkene geen bijstand zou hebben ontvangen indien hij de inlichtingenverplichting wel had nageleefd. Die situatie doet zich hier niet voor. Pas op 4 december 2013 zijn aan appellant specificaties over de ziektewetuitkering verstrekt en is vervolgens de ziektewetuitkering feitelijk nabetaald. Dit betekent dat appellant de bijstand die hij over de periode van 22 april 2013 tot 9 december 2013 heeft ontvangen, ook zou hebben ontvangen indien hij de verplichting om onverwijld de nabetalingen te melden had nageleefd.

4.4.

Uit 4.2.2 en 4.3.2 volgt dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting niet is nagekomen zonder dat sprake is van een benadelingsbedrag. Het college is daarom gehouden met toepassing van artikel 18a, derde en vierde lid, van de WWB een bestraffende sanctie op te leggen. Nu niet is gebleken dat het college eerder een waarschuwing heeft gegeven aan appellant en ook niet is gebleken van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht, diende het college, gelet op artikel 4 van de beleidsregels, een schriftelijke waarschuwing te geven.

4.5.

De rechtbank heeft wat is overwogen in 4.2.2 en 4.4 niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou moeten doen zal de Raad het bestreden besluit vernietigen, het besluit van 10 april 2014 herroepen en appellant een waarschuwing geven.

5. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 990,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- vernietigt het besluit van 29 september 2015;

- herroept het besluit van 10 april 2014;

- geeft appellant een schriftelijke waarschuwing en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de

plaats treedt van het vernietigde besluit van 29 september 2015;

- veroordeelt het college in de kosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van

€ 990,-;

- bepaalt dat het college het door appellant in hoger beroep betaalde griffierecht van € 124,-

vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen als voorzitter en P.W. van Straalen en J.L. Boxum als leden, in tegenwoordigheid van S.A. de Graaff als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 juni 2017.

(getekend) M. Hillen

(getekend) S.A. de Graaff

HD