Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2240

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-06-2017
Datum publicatie
04-07-2017
Zaaknummer
15/8396 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afgewezen aanvragen op grond van ontbreken verblijfsrecht en geen verblijfsrecht op grond van VWEU. In dit geval hoefde college niet met staatssecretaris in overleg te treden over verblijfsrecht. Na intrekking verblijfsrecht heeft appellante geen gewijzigde omstandigheden gesteld.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2017/176
RSV 2017/195 met annotatie van F.M.E. Schulmer
JWWB 2017/244
USZ 2017/277
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/8396 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de tussenuitspraak van de rechtbank Den Haag van

30 september 2015, 15/2637 (aangevallen tussenuitspraak), en de einduitspraak van de rechtbank Den Haag van 26 november 2016, 15/2637 (aangevallen einduitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (appellant)

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

Datum uitspraak: 27 juni 2017

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. J.L. Plokker een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 mei 2017. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. Punter. Betrokkene is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. H. van der Heide-Boertien. Tevens was als tolk aanwezig E. Boudinova.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Betrokkene heeft de Bulgaarse nationaliteit. Zij ontving sinds 24 augustus 2012 bijstand naar de norm voor een alleenstaande op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Na stopzetting van de uitbetaling van de bijstand in verband met onduidelijkheid over het recht op bijstand, heeft appellant de uitbetaling vanaf 22 mei 2013 hervat en overeenkomstig vaste rechtspraak (uitspraak van 18 maart 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3853) overleg gehad met de onder de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (staatssecretaris) ressorterende Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) over het verblijfsrecht van betrokkene. Op 23 mei 2013 heeft de IND appellant te kennen gegeven dat het verblijfsrecht van betrokkene met ingang van 4 april 2013 is ingetrokken.

1.2.

Bij besluit van 14 oktober 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 10 maart 2014, heeft appellant de bijstand van betrokkene met ingang van 23 mei 2013 - de datum waarop de IND appellant heeft geïnformeerd - ingetrokken op de grond dat zij niet meer beschikt over een verblijfstitel en de kosten van bijstand over de periode van 23 mei tot en met 31 augustus 2013 van haar teruggevorderd.

1.3.

Op 5 augustus 2014 heeft betrokkene een aanvraag om bijstand gedaan. Bij besluiten van 5 november 2014, na bezwaar gehandhaafd bij het besluit van 9 maart 2015 (bestreden besluit), heeft appellant de aanvraag afgewezen en de aan betrokkene betaalde voorschotten van haar teruggevorderd. Appellant heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat betrokkene geen geldige verblijfstitel had en dat daarom geen recht op bijstand bestond. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat de in 1.1 genoemde uitspraak van de Raad niet van toepassing is op de situatie van betrokkene, aangezien haar verblijfsrecht was ingetrokken en zij evenmin verblijfsrecht als werknemer of zelfstandige aan het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie en de ter uitvoering daarvan vastgestelde bepalingen kon ontlenen.

2.1.

Bij de aangevallen tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat het standpunt van appellant, dat het college in geval van een opvolgende aanvraag om bijstand niet in overleg met de IND hoeft te treden om vast te stellen of betrokkene al dan niet een verblijfsrecht heeft tenzij betrokkene aantoont dat een dergelijk overleg noodzakelijk is, geen steun vindt in de door appellant genoemde uitspraak van 20 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:57. De rechtbank stelt appellant in de gelegenheid om in verband daarmee het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

2.2.

Bij brief van 6 oktober 2015 heeft appellant de rechtbank meegedeeld van de geboden gelegenheid geen gebruik te zullen maken.

2.3.

Bij de aangevallen einduitspraak heeft de rechtbank het beroep vervolgens gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de besluiten van 5 november 2014 herroepen.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken grond tegen de aangevallen uitspraken gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 5 augustus 2014 tot en met 5 november 2014. In geschil is of betrokkene in de te beoordelen periode met een Nederlander kon worden gelijkgesteld en daarom recht had op bijstand.

4.2.

Het hoger beroep van appellant is met name gericht tegen rechtsoverweging 4.5 van de aangevallen tussenuitspraak waarin de rechtbank oordeelt dat het uitgangspunt dat een college zich tot de staatssecretaris (IND) dient te wenden teneinde de verblijfsstatus van de betrokken EU-onderdaan vast te stellen onverkort dient te worden gehandhaafd.

4.3.

Appellant voert aan dat het aan betrokkene is om, nadat haar verblijfsrecht was ingetrokken, bij de daarop volgende aanvraag, indien mogelijk, een document van de IND over te leggen waaruit blijkt dat opnieuw verblijfsrecht is ontstaan. Indien de IND een dergelijk document niet verstrekt, moet de aanvrager tenminste feiten en omstandigheden stellen die in het licht van de beoordeling en vaststelling van het EU-verblijfsrecht relevantie hebben. Het enkele tijdsverloop sinds de intrekking van het verblijfsrecht en de daarmee samenhangende intrekking van het recht op bijstand is onvoldoende.

4.4.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 7 februari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:542) is het de primaire verantwoordelijkheid van - thans - de staatssecretaris om te beoordelen of vreemdelingen hier te lande rechtmatig verblijven. Het beginsel van Unietrouw, zoals verwoord in artikel 4, derde lid, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, brengt mee dat de autoriteiten van de lidstaten met elkaar in overleg treden met het oog op een nuttige toepassing van het Unierecht. Dit geldt des te meer voor autoriteiten binnen een lidstaat. Het ligt dan ook bij de beoordeling van het recht op bijstand van een betrokkene op de weg van het bijstandverlenende orgaan om in overleg met de staatssecretaris te onderzoeken of betrokkene aan het recht van de Unie een verblijfsrecht hier te lande kan ontlenen en dus rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder e, van de Vreemdelingenwet 2000 en voor toepassing van de WWB met een Nederlander gelijk moet worden gesteld.

4.5.

In dit geval heeft de staatssecretaris het verblijfsrecht van betrokkene als EU-burger bij besluit van 23 mei 2013 per 4 april 2013 ingetrokken. Dit gegeven is op 23 mei 2013 door de IND bevestigd aan appellant. In deze situatie mocht appellant afgaan op een juiste toepassing van het Unierecht op het geval van de betrokkene door de staatssecretaris en behoefde appellant niet nader in contact te treden met de staatssecretaris en/of zelf te beoordelen of betrokkene met ingang van de te beoordelen periode rechtmatig verblijf heeft op grond van het Unierecht. Indien echter nadien zich een wijziging voordoet van omstandigheden die kan leiden tot rechtmatig verblijf op grond van het Unierecht, vormt dat aanleiding om wel met de staatssecretaris in overleg te treden.

4.6.

Betrokkene heeft geen relevante wijziging van omstandigheden tijdens de te beoordelen periode gesteld. Zo heeft betrokkene in de te beoordelen periode niet als werknemer of zelfstandige gewerkt. Ook anderszins heeft betrokkene geen relevante omstandigheden na de intrekking van haar verblijfsrecht gesteld. Het enkele tijdsverloop tussen de intrekking van het verblijfsrecht per 4 april 2013 en de nieuwe aanvraag om bijstand op 5 augustus 2014 vormt niet een dergelijke relevante wijziging van omstandigheden.

4.7.

Uit 4.5 en 4.6 volgt ook dat appellant bij de beoordeling van de vraag of de betrokkene gelijk gesteld moet worden met een Nederlander op grond van het Unierecht, in beginsel mocht uitgaan van de juistheid van het besluit van de staatssecretaris tot intrekking van het verblijfsrecht per 4 april 2013. Dit betekent dat het ervoor moet worden gehouden dat betrokkene in de te beoordelen periode op grond van het Unierecht niet met een Nederlander kon worden gelijkgesteld, zodat zij geen recht had op bijstand. Appellant kon dat zelf vaststellen en hoefde niet nader in overleg te treden met de staatssecretaris (IND).

4.8.

Uit 4.7 volgt dat het hoger beroep slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep ongegrond verklaren.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen tussenuitspraak en de aangevallen einduitspraak;

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen als voorzitter en P.W. van Straalen en J.L. Boxum als leden, in tegenwoordigheid van S.A. de Graaf als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 juni 2017.

(getekend) M. Hillen

(getekend) S.A. de Graaff

HD