Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2233

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-06-2017
Datum publicatie
29-06-2017
Zaaknummer
15/7151 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om toekenning van een WAO-uitkering. Geen nieuw feit of veranderde omstandigheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/7151 WAO

Datum uitspraak: 28 juni 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

29 september 2015, 14/5783 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] , Marokko (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft de beroepsgronden aangevuld en medische informatie aan de Raad gezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 mei 2017. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant heeft gewerkt in een steenfabriek. Vanaf 6 maart 1982 tot november 1983 heeft hij een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontvangen berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2.

Op 19 juli 2000 heeft appellant een aanvraag om een WAO-uitkering vanwege doorlopende arbeidsongeschiktheid vanaf november 1983 ingediend. Het Uwv heeft deze aanvraag in behandeling genomen als een verzoek om in aanmerking te komen voor een WAO-uitkering. Na onderzoek door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige heeft het Uwv bij besluit van 6 december 2004 vastgesteld dat appellant per november 1983 niet voor een uitkering op grond van de WAO in aanmerking komt, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 15% is. Het besluit van 6 december 2004 staat, gelet op de uitspraak van de Raad van 11 oktober 2007 (ECLI:NL:CRVB:2007:BB6231), in rechte vast.

1.3.

Bij brief van 24 december 2007 heeft appellant verzocht om herziening van het besluit van 6 december 2004. Bij besluit van 2 december 2009 heeft het Uwv het verzoek van appellant om terug te komen van het besluit van 6 december 2004 afgewezen. Ook dit besluit staat, gelet op de uitspraak van de Raad van 15 juni 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BW9300) in rechte vast.

1.4.

Op 4 juli 2013 heeft appellant wederom een verzoek om toekenning van een

WAO-uitkering ingediend. Bij besluit van 3 maart 2014 heeft het Uwv het besluit van

6 december 2004 gehandhaafd omdat appellant geen nieuwe informatie heeft aangedragen. Bij besluit van 17 juli 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv, onder verwijzing naar een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 15 juli 2014, het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat appellant ter onderbouwing van zijn verzoek om terug te komen van het besluit van 6 december 2004 geen gegevens heeft ingediend waaruit nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn af te leiden. De enkele stelling van appellant dat hij nog steeds ziek is, is onvoldoende voor een ander oordeel.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij vanaf 1983 voortdurend ziek is gebleven en dat zijn gezondheid steeds meer verslechtert. Appellant stelt dat het Uwv geen juiste beoordeling heeft verricht. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant medische stukken ingediend.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

De aanvraag van appellant van 4 juli 2013 is een herhaalde aanvraag als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Bij uitspraak van 20 december 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:4872) heeft de Raad de uitspraak van 23 november 2016 van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2016:3131) onderschreven en de daarin onder 3.2 tot en met 3.7 gegeven overwegingen overgenomen. Dit houdt in dat

– ook – de Raad zijn rechtspraak over de toetsing door de bestuursrechter van besluiten op een herhaalde aanvraag of een verzoek om terug te komen van een besluit heeft gewijzigd. In een geval als het voorliggende, waarin het bestuursorgaan toepassing geeft aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, betekent dit dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. De bestuursrechter kan aan de hand van wat de rechtzoekende heeft aangevoerd evenwel tot het oordeel komen dat het besluit op de herhaalde aanvraag of het verzoek om terug te komen van een besluit evident onredelijk is.

4.2.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat appellant bij zijn aanvraag van januari 2013 geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft vermeld in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Evenmin is er aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit evident onredelijk is.

4.3.

Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 14 januari 2015, (ECLI:NL:CRVB:2015:1), moet een aanvraag voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering na een eerdere (gedeeltelijke) afwijzing of intrekking van die uitkering naar zijn strekking worden beoordeeld. Met een aanvraag kan worden beoogd dat (met ingang van de datum waarop dat besluit zag) wordt teruggekomen van het eerdere besluit, dat bedoeld wordt een beroep te doen op een regeling bij toegenomen arbeidsongeschiktheid (Wet Amber), of dat om herziening wordt verzocht voor de toekomst. Dit onderscheid is van belang voor de beoordeling van de aanvraag door het Uwv en de toetsing van de beslissing op die aanvraag door de bestuursrechter. Indien in een voorkomend geval niet (geheel) duidelijk is wat met een aanvraag wordt beoogd, ligt het op de weg van het Uwv daarover bij de aanvrager nadere informatie in te winnen.

4.4.

In de uitspraak van 14 januari 2015 is verder uiteengezet op welke wijze dergelijke aanvragen door de aanvrager moeten worden onderbouwd en door het Uwv moeten worden beoordeeld, en hoe de rechter beslissingen van het Uwv op dergelijke aanvragen toetst. Voor het voorliggende geval betekent dit het volgende.

4.5.

De herhaalde aanvraag van appellant voor een uitkering op grond van de WAO moet niet alleen opgevat worden als een verzoek om terug te komen van het besluit van 6 december 2004, maar ook als een verzoek om een Amber-beoordeling of als een verzoek om herziening voor de toekomst.

4.6.

Nu de WAO-uitkering van appellant in november 1983 is beëindigd en de Wet Amber eerst per 29 december 1995 in werking is getreden is een Amber-beoordeling wegens verslechtering van de gezondheidstoestand in deze zaak niet aan de orde.

4.7.

Ter ondersteuning van zijn verzoek om zijn arbeidsongeschiktheid opnieuw te beoordelen heeft appellant verklaringen van behandelend artsen ingediend. Wat appellant ter onderbouwing van zijn verzoek en zijn bezwaar naar voren heeft gebracht, kan niet worden aangemerkt als een nieuw feit of veranderde omstandigheid als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. De in bezwaar, beroep en hoger beroep overgelegde medische stukken waren of al bekend bij het Uwv of hebben geen betrekking op de gezondheidssituatie van appellant in november 1983. Het Uwv hoefde daarom geen nader onderzoek te doen.

4.8.

De overwegingen onder 4.1 tot en met 4.7 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris, in tegenwoordigheid van H. Achtot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 juni 2017.

(getekend) A.I. van der Kris

(getekend) H. Achtot

UM