Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2217

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-06-2017
Datum publicatie
28-06-2017
Zaaknummer
16/4907 ZVW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Schadevergoedingsuitspraak
Inhoudsindicatie

Op grond van artikel 25 van Vo 883/2004 is Nederland als bevoegd pensioenland verantwoordelijk voor de betaling van de kosten van zorg in het woonland en mag Nederland ingevolge artikel 69 van de Zvw in verbinding met artikel 30 van Vo 883/2004 een buitenlandbijdrage heffen en (laten) inhouden op de WIA-uitkering van appellante. Hiertoe wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 13 november 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:4286).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 4907 ZVW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 juni 2016, 15/6809 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

CAK

Datum uitspraak: 21 juni 2017

PROCESVERLOOP

Vanaf 1 januari 2017 oefent CAK in zaken als deze de bevoegdheden uit die voorheen door het Zorginstituut Nederland werden uitgeoefend. In deze uitspraak wordt onder CAK mede verstaan Zorginstituut Nederland.

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

CAK heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 mei 2017. Appellante is verschenen. CAK heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Mulder.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

In 2014 woonde appellante in het Verenigd Koninkrijk en ontving zij een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).

1.2.

CAK heeft appellante vanaf 1 juni 2014 als verdragsgerechtigde aangemerkt. Daaraan heeft CAK ten grondslag gelegd dat appellante op grond van Verordening (EG) nr. 883/2004 (Vo 883/2004) recht heeft op zorg in haar woonland (Verenigd Koninkrijk) ten laste van Nederland. Voor dit recht op zorg is zij op grond van artikel 69 van de Zorgverzekeringswet (Zvw) een bijdrage verschuldigd (buitenlandbijdrage).

1.3.

Bij besluit van 7 augustus 2015 heeft CAK de voorlopige jaarafrekening over 2014 toegezonden en de buitenlandbijdrage voor de periode van 1 juni 2014 tot en met

31 december 2014 voorlopig vastgesteld op € 590,86. Daarbij is vermeld dat op het inkomen van appellante € 197,92 is ingehouden en dat appellante nog € 392,94 moet betalen.

1.4.

Bij beslissing op bezwaar van 15 september 2015 (bestreden besluit) heeft CAK het bezwaar van appellante tegen het besluit van 7 augustus 2015 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank onder meer geoordeeld dat de vraag of de zorgkosten van appellante door het Verenigd Koninkrijk worden gedeclareerd aan Nederland een zaak is tussen beide lidstaten en dat dit niet van invloed is op de bijdrageplicht van appellante.

3.1.

Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij stelt zich op het standpunt dat zij geen buitenlandbijdrage is verschuldigd omdat haar medische kosten niet ten laste van Nederland komen. In het Verenigd Koninkrijk is de medische zorg gratis en tussen het Verenigd Koninkrijk en Nederland vindt geen verrekening van de medische kosten plaats. Dit laatste is ook vermeld in een brief van CAK van 17 februari 2015, waarop CAK overigens bij brief van 18 mei 2016 ineens is teruggekomen. Ten slotte voert zij aan dat de buitenlandbijdrage gelet op haar minimale inkomen gematigd dient te worden.

3.2.

CAK heeft zich in hoger beroep achter de aangevallen uitspraak gesteld. Ter zitting van de Raad heeft CAK naar voren gebracht dat zijn informatieverstrekking over het verrekenen van de kosten van de medische zorg tussen het Verenigd Koninkrijk en Nederland niet altijd even helder is geweest. CAK heeft uiteengezet dat tot 1 januari 2013 het Verenigd Koninkrijk en Nederland de onderlinge kosten tegen elkaar hebben weggestreept. Vanaf 1 januari 2013 geldt deze afspraak niet meer en worden de kosten weer bij elkaar in rekening gebracht.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellante in de periode 1 juni 2014 tot en met

31 december 2014 een uitkering op grond van de Wet WIA ontving en dat zij in het Verenigd Koninkrijk volgens de aldaar geldende regelgeving als ingezetene recht had op medische zorg. Vastgesteld wordt dat op deze situatie artikel 25 van Vo 883/2004 van toepassing is. Op grond van dit artikel is Nederland als bevoegd pensioenland verantwoordelijk voor de betaling van de kosten van zorg in het woonland en mag Nederland ingevolge artikel 69 van de Zvw in verbinding met artikel 30 van Vo 883/2004 een buitenlandbijdrage heffen en (laten) inhouden op de WIA-uitkering van appellante. Hiertoe wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 13 november 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:4286).

4.2.

Hieraan kan niet afdoen dat appellante, als ingezetene van het Verenigd Koninkrijk niet hoeft te betalen voor zorg in het Verenigd Koninkrijk, nu op die situatie artikel 25 van

Vo 883/2004 van toepassing is. In dit verband wordt nog gewezen op het arrest van het Hof van Justitie van 14 oktober 2010, C-345/09, Van Delft e.a., punten 71 en volgende. Ook de wijze waarop het Verenigd Koninkrijk en Nederland de vergoeding van verleende verstrekkingen hebben geregeld, doet niet af aan de bijdrageplicht van appellante.

4.3.

Ten slotte overweegt de Raad dat in de Zvw en de hierop gebaseerde Regeling zorgverzekering dwingend is voorgeschreven op welke wijze de buitenlandbijdrage moet worden berekend. Matiging of kwijtschelding is niet mogelijk. Ter zitting van de Raad is gebleken dat CAK een betalingsregeling heeft getroffen en dat appellante een groot deel van de over 2014 verschuldigde buitenlandbijdrage reeds heeft voldaan.

4.4.

Uit wat is overwogen in 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Gelet hierop wordt het verzoek om CAK te veroordelen tot schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente afgewezen.

5. Er bestaat geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij als voorzitter en D.S. de Vries en L.M. Tobé

als leden, in tegenwoordigheid van M.S.E.S. Umans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2017.

(getekend) H.J. de Mooij

(getekend) M.S.E.S. Umans

UM