Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2214

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-06-2017
Datum publicatie
28-06-2017
Zaaknummer
15/7462 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Na herbeoordeling heeft appellant geen recht meer op een uitkering op grond van de Wet WIA, omdat hij ... minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Geen urenbeperking. Psychische klachten niet gemotiveerd. Juistheid FML. Geschiktheid functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/7462 WIA

Datum uitspraak: 21 juni 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

29 september 2015, 15/1423 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade.

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.A.M. Staal, advocaat, hoger beroep ingesteld en om schadevergoeding verzocht.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en vragen van de Raad beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 mei 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Staal. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. G.A. Vermeijden.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was werkzaam als klusjesman/werkvoorbereider voor 40 uur per week. Als gevolg van een bedrijfsongeval heeft appellant zich in 2004 ziek gemeld met klachten aan zijn rechterpols en -hand. Het Uwv heeft bij besluit van 14 september 2006 vastgesteld dat voor appellant per 6 november 2006 geen recht op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is ontstaan omdat hij vanaf die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Bij besluit van 28 mei 2007 heeft het Uwv appellant in verband met een operatie aan zijn hand vanaf 15 januari 2007 in aanmerking gebracht voor een loongerelateerde WGA-uitkering. Welke uitkering met ingang van 22 april 2009 is ingetrokken, omdat hij toen minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht.

1.2.

Op 17 mei 2010 heeft appellant het Uwv verzocht om een herbeoordeling omdat zijn heup- en armklachten zijn toegenomen. Bij besluit op bezwaar van 14 december 2010 heeft het Uwv overwogen dat appellant per 1 november 2009 ziek is geworden als gevolg van dezelfde ziekteoorzaak die op 15 januari 2007 bestond. Appellant wordt echter geschikt geacht voor het vervullen van de voor hem geselecteerde functies, zodat hij per 1 november 2009 niet arbeidsongeschikt is. Het tegen het besluit van 14 december 2010 ingesteld beroep is door de rechtbank [woonplaats] bij uitspraak van 12 augustus 2011 ongegrond verklaard. Van die uitspraak is appellant niet in hoger beroep gekomen.

1.3.

Op 12 oktober 2011 heeft appellant zich in verband met verergerde pols- en armklachten wederom toegenomen arbeidsongeschikt gemeld bij het Uwv. Bij besluit van 11 januari 2012 heeft het Uwv appellant in verband met bedoelde klachten vanaf 13 oktober 2011 in aanmerking gebracht voor een loongerelateerde WGA-uitkering. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 100%. Bij besluit van 19 september 2013 heeft het Uwv de loongerelateerde WGA-uitkering met ingang van 13 december 2013 omgezet in een WGA-loonaanvullingsuitkering. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 80 tot 100%.

1.4.

Appellant heeft het Uwv op 1 september 2014 verzocht om een herbeoordeling, omdat zijn gezondheidssituatie zou zijn verbeterd. Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 9 december 2014 vastgesteld dat voor appellant vanaf 10 februari 2015 geen recht meer bestaat op een uitkering op grond van de Wet WIA, omdat hij vanaf die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het tegen het besluit van
9 december 2014 door appellant ingediende bezwaar is bij besluit van 5 februari 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daarbij is verwezen naar rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 16 januari 2015 en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 4 februari 2015.

2. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat de verzekeringsartsen zorgvuldig onderzoek hebben verricht, waarbij appellant door de verzekeringsartsen zelf is onderzocht. Daarnaast hebben zij alle beschikbare informatie uit de behandelend sector bij hun beoordeling betrokken en hun beoordeling inzichtelijk gemotiveerd. De informatie van de behandelend sector is voor de verzekeringsarts bezwaar en beroep aanleiding geweest om in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 16 januari 2015 appellant aanvullend beperkt te achten voor lopen, traplopen, staan, werken met toetsenbord en muis, frequent lichte voorwerpen hanteren, frequent zware laste hanteren en klimmen. In zijn rapport van 16 januari 2015 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de duurbelasting bij het werken met toetsenbord en muis, beperkt en rekening gehouden met aanwijzingen voor meniscusletsel van de rechterknie. De rechtbank kan uit de omstandigheid dat appellant meent in zijn huidige werk als conciƫrge niet in staat te zijn langere tijd dan van 08.00 uur tot 16.30 uur achtereen te werken, zonder nadere medische informatie, niet afleiden dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep voor appellant per de datum in geding een urenbeperking had moeten vaststellen. Uitgaande van de juistheid van de door het Uwv bij appellant aangenomen beperkingen heeft de rechtbank geen aanleiding gezien voor het oordeel dat appellant de werkzaamheden behorende bij de aan hem voorgehouden functies niet zou kunnen verrichten. Het Uwv heeft deze functies aan de schatting ten grondslag kunnen leggen.

3.1.

Appellant heeft ter zitting als hoger beroepsgrond naar voren gebracht dat hij als gevolg van zijn beperkingen niet in staat is de werkzaamheden verbonden aan de voorgehouden functies gedurende acht uur per dag en 40 uur per week te verrichten.

3.2.

Het Uwv stelt zich op het standpunt dat de noodzaak voor een urenbeperking niet wordt onderbouwd door medische gegevens. Bij de FML is de duurbelastbaarheid betrokken. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De rechtbank kan worden gevolgd in haar oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep met de FML van 16 januari 2015 in voldoende mate rekening heeft gehouden met de bij appellant bestaande beperkingen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 16 januari 2015 uitgebreid en overtuigend gemotiveerd waarom hij van oordeel is dat, indien rekening wordt gehouden met de overige voor appellant vastgestelde beperkingen, een urenbeperking niet aan de orde behoeft te zijn. Naast de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep betrokken informatie van de huisarts, met daarbij gegevens van de orthopeed en de revalidatie-arts, zijn er geen medische gegevens overgelegd die tot een ander oordeel zouden moeten leiden. Voor de in hoger beroep zonder nadere motivering door appellant naar voren gebrachte psychische klachten bevatten de gegevens in het dossier geen aanknopingspunten. Gelet op het voorgaande bestaat er geen reden te twijfelen aan het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat met de FML van 16 januari 2015 in voldoende mate rekening is gehouden met de beperkingen van appellant bij het verrichten van arbeid en er geen aanleiding is voor een urenbeperking. De rechtbank heeft terecht die FML als uitgangspunt genomen.

4.2.

Uitgaande van de juistheid van de FML zijn de functies die door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in zijn rapport van 4 februari 2015 aan de schatting ten grondslag heeft gelegd in medisch opzicht geschikt voor appellant. Die functies zijn in dat rapport, aangevuld bij rapport van 30 maart 2016 ook op toereikende wijze toegelicht.

5. Uit wat is overwogen in 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, is voor een veroordeling van het Uwv tot vergoeding van schade geen plaats.

7. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk, in tegenwoordigheid van R.H. Budde als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2017.

(getekend) J.S. van der Kolk

(getekend) R.H. Budde

UM