Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2200

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-06-2017
Datum publicatie
27-06-2017
Zaaknummer
16-2447 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellante had terecht niet vanaf 1 juli 2014 geacht moet worden aangesteld te zijn voor de uitvoering van de politietaak. Daarom geeft artikel 1, eerste lid, van het Brp haar geen aanspraak op de rang van [rang].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/2447 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van
7 maart 2016, 15/2228 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de korpschef van politie (korpschef)

Datum uitspraak: 22 juni 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. K. Kromhout hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaken 16/1524 AW en 16/2445 AW, plaatsgevonden op 29 september 2016. Namens appellante is mr. Kromhout verschenen. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F. Schoeree en J.W. Tabak.

Na heropening van het onderzoek met toepassing van artikel 8:108, in verbinding

met artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht heeft de korpschef schriftelijk de door de Raad gestelde vragen beantwoord.

Mr. Kromhout heeft een schriftelijke reactie ingezonden.
Partijen hebben toestemming gegeven een nader onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

In elk van de gevoegde zaken wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was vanaf 1 juni 2011 aangesteld als [naam functie A] in tijdelijke dienst en is met ingang van 1 juni 2012 in die functie in vaste dienst aangesteld. De functie van [naam functie A] is krachtens een besluit van 9 november 2012 vanaf 28 april 2011 aangemerkt als zogenoemde ‘aangewezen AT’ functie, zoals bedoeld in de Regeling aanwijzing administratief-technische functies. Hiermee verkreeg appellante vanaf 1 juni 2011 aanspraak op de Toelage Bezwarende Functie. In februari 2012 had appellante de bevoegdheid gekregen van [naam bevoegdheid] ([bevoegdheid]) voor de opsporing van feiten in het domein generieke opsporing en is zij als zodanig beëdigd.

1.2.

In verband met de invoering van het Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie (LFNP) heeft de korpschef bij besluit van 16 december 2013 ten aanzien van appellante per
1 januari 2012 besloten tot toekenning van en overgang naar de LFNP-functie Assistent Beveiliging A. Vervolgens is bij besluit van 31 juli 2014 met toepassing van de beleidsbeslissing Tussenfase LFNP voor appellante per 1 juli 2014 de functie van Assistent Beveiliging B van toepassing geworden, inclusief de daarbij behorende bezoldiging in schaal 5. Daarbij is vermeld dat deze functie voor de overgang naar de nieuwe organisatie voor appellante van toepassing is. In een bijlage van eveneens 31 juli 2014, besluitnummer PA14/1138, is appellante bevorderd tot [functie B] met de rang van [rang] en is haar salarisschaal vastgesteld op schaal 5 met anciënniteit 5 en met toekenning van zogenoemde OVW-periodieken. Deze functie is gematcht naar de

LFNP-functie Assistent Beveiliging B in de LFNP-schaal 5. Tegen deze besluiten heeft appellante geen rechtsmiddelen aangewend.

1.3.

Bij besluit van 11 september 2014 heeft de korpschef het besluit met nummer PA14/1138 ingetrokken en ter vervanging hiervan het eveneens op 11 september 2014 gedateerde besluitnummer PA14/1322 toegezonden. Hierbij is appellante op basis van de beleidsbeslissing Tussenfase LFNP per 1 juli 2014 de functionele schaal toegekend. De functie van Assistent Beveiliging B wordt per 1 juli 2014 bezoldigd naar salarisschaal 5 met anciënniteit 4 en met toekenning van zogenoemde OVW-periodieken. De reden voor de vervanging van de bijlage was gelegen in de omstandigheid dat voor appellante als
AT-medewerker nog geen rang van toepassing was.

1.4.

Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 11 september 2014 voor zover haar hierbij de rang van [rang] werd ontnomen en omdat zij de verlaging van de anciënniteit van 5 naar 4 onjuist achtte. Appellante vond de intrekking van de rang van [rang] in strijd met de rechtszekerheid. Omdat de functie van Assistent Beveiliging B een executieve functie is, behoorde appellante naar haar mening de rang van [rang] te krijgen. De eerdere toekenning van anciënniteit 5 was volgens appellante juist, omdat de indeling in een hogere schaal haar recht geeft op het salaris onmiddellijk gelegen boven het salaris dat zij eerder genoot. Bij besluit van 3 april 2015 (bestreden besluit) heeft de korpschef het bezwaar ongegrond verklaard. Omdat appellante had kunnen weten dat de aanvankelijke toekenning van de rang van [rang] onjuist was, is de ontneming van die rang niet in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. De wettelijke bepalingen verhinderen voorts om appellante, die is aangesteld in een administratief technische (AT)-functie, de rang van [rang] toe te kennen. Het bezwaar tegen de verlaging van de anciënniteit is gegrond verklaard. De bezoldiging van appellante is opnieuw naar anciënniteit 5 vastgesteld. De korpschef heeft een vergoeding voor de kosten van bezwaar toegekend.

2. Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld, voor zover daarbij het bezwaar ongegrond is verklaard. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het bestreden besluit in stand gelaten.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante primair de stelling betrokken dat met de benoeming in de functie van Assistent Beveiliging B per 1 juli 2014 haar eerdere benoeming als Medewerker Arrestantenverzorger achterhaald is. De functie van Assistent Beveiliging B is een functie voor de uitvoering van de politietaak. Daarmee heeft zij, gelet op de bezoldiging in schaal 5, recht op de rang van [rang]. Dat zij de politieopleiding nog niet heeft gedaan en niet bevoegd is om alle taken die behoren bij de uitvoering van de politietaak uit te oefenen, doet daar niet aan af. Appellante meent verder dat zij met het besluit van
11 september 2014 geplaatst is op de functie van Assistent Beveiliging B, omdat de indeling in een salarisschaal, gelet op artikel 6, tweede lid, en artikel 10 van het Besluit bezoldiging politie (Bbp), verbonden is aan (de vervulling van) een functie. Bevordering en plaatsing zijn geen afzonderlijke handelingen. Uit hoofde van het ‘Tijdelijk kader voor aanstelling in een executieve functie zonder initiële opleiding’ en met name de daarin opgenomen rechtspositionele gelijkstelling met een aanstelling ter uitvoering van de politietaak meent appellante dat zij, ook wanneer zij nog een aanstelling als AT-medewerker zou hebben, de rang moet krijgen die behoort bij een aanstelling ter uitvoering van de politietaak.

3.2.1.

De korpschef heeft in hoger beroep nader toegelicht dat er een onderscheid is tussen de aanstelling en de plaatsing van een politieambtenaar. De aanstelling geschiedt bijvoorbeeld als AT-medewerker dan wel als ambtenaar ter uitvoering van de politietaak, echter zonder de vermelding van een bepaalde functie. Bij de plaatsing krijgt de ambtenaar een functie toebedeeld. De toekenning van de functie van Assistent Beveiliging B impliceerde geen plaatsing in die functie en leidde niet tot een wijziging van de aanstelling van appellante als AT-medewerker in een aanstelling voor de uitvoering van de politietaak. De plaatsing van appellante in de functie van Assistent Beveiliging B is pas tot stand gekomen bij besluit van 10 juni 2016 en had als ingangsdatum 1 juli 2016. Ook bij die gelegenheid heeft appellante geen aanstelling ter uitvoering van de politietaak gekregen, omdat zij de initiële politieopleiding niet heeft voltooid en dus niet voldoet aan de vereisten voor een aanstelling voor de uitvoering van de politietaak. Ten behoeve van medewerkers met een AT-functie en een [bevoegdheid]-bevoegdheid, voor wie een executieve LFNP-functie is gaan gelden, zijn in het ‘Overgangsbeleid overgang LFNP en plaatsing in de reorganisatie Politiewet 2012’ regelingen getroffen. Als de AT-medewerker wel bekwaam is voor de executieve functie maar niet voldoet aan de opleidingseisen van de executieve functie, dan krijgt hij als

AT-medewerker met [bevoegdheid]-bevoegdheid de gelegenheid om de initiële opleiding te behalen; hij mag in die periode een deel van de executieve functie uitoefenen; daarbij geldt wel de eis dat het team zijn operationele doelstellingen moet kunnen opvangen.

3.2.2.

In de beantwoording van de vragen van de Raad heeft de korpschef verder gewezen op de aanpassing van de Beleidsregels [naam bevoegdheid] door de Minister van Veiligheid en Justitie (28 juni 2016, Stcrt. 2016 nr. 33381). Hierbij heeft de minister voor [bevoegdheid]’s bij de politie het beginsel gehandhaafd dat zij ondersteunende, administratief-technische of specialistische taken uitvoeren. Met het oog op het LFNP zijn enige met name genoemde functies in het Domein Uitvoering aangewezen waarbij een aanwijzing als [bevoegdheid] kan worden gecombineerd met een aanstelling. Daarnaast zijn er tijdelijk enige functies in het Domein Uitvoering aangewezen waarvoor politieambtenaren een [bevoegdheid]-aanwijzing kunnen krijgen, waaronder de functie van Assistent Beveiliging B. Dit laatste is specifiek bedoeld voor politieambtenaren met een AT-aanstelling die in het kader van de reorganisatie Politiewet 2012 overgaan naar een executieve politiefunctie. De korpschef heeft ook een ‘Tijdelijk kader voor aanstelling in een executieve functie zonder initiële opleiding’ van
28 september 2016 overgelegd. Dit houdt onder meer in, dat een medewerker die geplaatst wordt op een functie binnen het vakgebied Beveiliging, waar uitsluitend sprake is van werkzaamheden in het kader van arrestantenverzorging, arrestantenvervoer en/of toezicht en beveiliging van objecten en die geen afgeronde initiële politieopleiding heeft, aangesteld wordt en blijft als ambtenaar voor de uitvoering van technische administratieve en andere taken ten dienste van de politie (de zogenoemde AT-medewerker).

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, van het Besluit rangen politie (Brp) gelden de daarin opgesomde rangen, waaronder de rang van [rang] van politie ([rang]) - voor zover hier van belang - voor ambtenaren, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak en voor ambtenaren, aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie indien zij zijn belast met de opsporing van alle strafbare feiten.

4.2.

Tussen partijen is niet in geschil en ook de Raad aanvaardt dat artikel 1, eerste lid, van het Brp zo moet worden gelezen, dat alleen voor ambtenaren die zijn aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie, de voorwaarde geldt “indien zij zijn belast met de opsporing van alle strafbare feiten”.

4.3.

Omdat de aard van de functie van appellante alleen de verzorging en bewaking van arrestanten behelst, is de aan haar toegekende bevoegdheid van [bevoegdheid] beperkt tot de opsporingsbevoegdheden die noodzakelijk zijn voor de bij deze functie behorende strafbare feiten. Appellante is dan ook niet belast met de opsporing van alle strafbare feiten bedoeld in artikel 1, eerste lid, van het Brp.

4.4.

Omdat appellante bij een aanstelling voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken (een zogenoemde AT-medewerker) ingevolge het Brp dus geen recht op de rang van [rang] heeft, kan appellante aan het Brp alleen het recht op de rang van [rang] ontlenen, als zij is aangesteld als ambtenaar voor de uitvoering van de politietaak, dan wel moet worden aangemerkt als een ambtenaar die is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak.

4.5.

De gedingstukken laten zien dat appellante geen (uitdrukkelijk) aanstellingsbesluit als ambtenaar voor de uitvoering van de politietaak heeft gekregen. Daarom moet de Raad de vraag beantwoorden of de besluitvorming van 31 juli 2014 meebrengt dat appellante geacht moet worden aangesteld te zijn voor de uitvoering van de politietaak en dat zij daarom aanspraak heeft op de rang van [rang]. En dit ondanks de omstandigheid dat appellante onbetwist niet voldoet aan de opleidingseis voor aanstelling als ambtenaar voor de uitvoering van de politietaak.

4.6.

Het besluit van 31 juli 2014 betreft een beleidsbeslissing die is genomen met het oog op de reorganisatie en ter voorbereiding van de plaatsing van appellante in de nieuwe organisatie per 1 juli 2016. Dit besluit is noch naar de tekst noch naar de bedoeling aan te merken als een aanstelling van appellante als ambtenaar voor de uitvoering van de politietaak. Voor het oordeel dat geen aanstelling voor de uitvoering van de politietaak is beoogd, wijst de Raad ook op het ‘Overgangsbeleid overgang LFNP en plaatsing in de reorganisatie Politiewet 2012’, de gewijzigde ‘Beleidsregels [naam bevoegdheid]’ en het ‘Tijdelijk kader voor aanstelling in een executieve functie zonder initiële opleiding’. Deze beleidsstukken maken duidelijk dat ter gelegenheid van de plaatsingen in de nieuwe organisatie van de Politiewet 2012 sprake is van een categorie ambtenaren met een
AT-aanstelling die een plaatsing krijgen op een executieve functie en die niet voldoen aan de eisen voor een aanstelling als ambtenaar voor de uitvoering van de politietaak. Voor die groep ambtenaren zijn regelingen getroffen om hun aanstelling bij de politie te kunnen laten doorlopen ondanks de gewijzigde omstandigheden ten gevolge van de reorganisatie. Deze regels vormen de bevestiging dat het niet de bedoeling is (geweest) om de LFNP-operatie tot een wijziging in de aard van de aanstelling te laten leiden en daarbij ook nog afbreuk te doen aan de aanstellingseisen voor politieambtenaren.

4.7.

Appellante kan niet gevolgd worden in de betekenis die zij toekent aan artikel 6, tweede lid, en artikel 10 van het Bbp in relatie tot de toekenning van schaal 5. Deze voorschriften gaan over de functies, de waardering van die functies en de schaaltoekenning aan de ambtenaar. Er ontbreekt enig aanknopingspunt voor het bestaan van gevolgen voor de aard van de aanstelling van de politieambtenaar.

4.8.

Al het vorenstaande brengt mee dat appellante niet vanaf 1 juli 2014 geacht moet worden aangesteld te zijn voor de uitvoering van de politietaak. Daarom geeft artikel 1, eerste lid, van het Brp haar geen aanspraak op de rang van [rang].

5. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en M.T. Boerlage en H. Lagas als leden, in tegenwoordigheid van L.V. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2017.

(getekend) E.J.M. Heijs

(getekend) L.V. van Donk

HD