Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2195

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-06-2017
Datum publicatie
27-06-2017
Zaaknummer
16/2230 WMO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat de adviezen van de MO-zaak op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen. De artsen van de MO-zaak hebben alle door appellante overgelegde medische informatie in hun adviezen betrokken en zijn op grond hiervan tot de conclusie gekomen dat appellante adequaat kan reizen met de toegekende vorm van collectief vervoer en dat geen medische noodzaak voor een bruikleenauto bestaat. Uit wat appellante heeft aangevoerd volgt niet dat in de adviezen geen juist beeld wordt gegeven van haar gezondheidssituatie en dat zij als gevolg van haar lichamelijke en psychiatrische klachten destijds geen gebruik kon maken van het collectief vervoer en is aangewezen op een bruikleenauto. Hierbij is ook van belang, met name in het kader van appellantes lichamelijke klachten, dat de vorm van collectief vervoer die aan haar is toegekend ondersteuning omvat bij het bereiken van het voertuig en op het bestemmingsadres en bij het in- en uitstappen. Naar het oordeel van de Raad voorzag de toegekende vorm van collectief vervoer in de toenmalige vervoersbehoefte van appellante en heeft het college hiermee aan de op hem rustende compensatieplicht voldaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2017/204
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/2230 WMO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
8 maart 2016, 15/4233 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

Datum uitspraak: 21 juni 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.M. Niemer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 mei 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar echtgenoot en mr. Niemer. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.C. Smit.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante is onder meer bekend met psychiatrische problematiek, overgewicht en een luchtwegaandoening. Zij heeft op 1 mei 2014 een aanvraag ingediend om een vervoersvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) in de vorm van een bruikleenauto.

1.2.

Het college heeft de aanvraag bij besluit van 3 juli 2014 afgewezen. Tegen dit besluit heeft appellante bezwaar gemaakt.

1.3.

Bij besluit van 5 november 2014, nader gemotiveerd op 12 november 2014 en
9 februari 2015, heeft het college de afwijzing van de bruikleenauto gehandhaafd. Volgens het college kan appellante gebruikmaken van het aanvullend openbaar vervoer (AOV), deur tot deur, samenreizend. Dit is voor appellante de goedkoopst compenserende adequate voorziening. Het college heeft zich daarbij gebaseerd op diverse adviezen van de MO-zaak. Deze voorziening is aan appellante toegekend.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover van belang, het volgende overwogen. Het college heeft zich bij zijn besluitvorming op de adviezen van de MO-zaak mogen baseren. Appellante heeft haar stelling dat de AOV-voorziening niet adequaat is en onvoldoende mogelijkheden biedt, onvoldoende onderbouwd met medische stukken. Het college heeft zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat het AOV de goedkoopst compenserende voorziening voor appellante is en dat er geen onderbouwing voor een bruikleenauto is. Het college heeft de aanvraag om een bruikleenauto dan ook terecht afgewezen.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daartoe heeft zij, evenals in beroep en samengevat, aangevoerd dat zij gelet op haar medische beperkingen in aanmerking komt voor een bruikleenauto. De AOV-voorziening is niet adequaat. Appellante heeft verwezen naar de verklaring van haar huisarts van 15 januari 2016 en de verklaring van de reumatoloog van 29 maart 2016. De arts van de MO-zaak is uitsluitend uitgegaan van haar psychische klachten en is ten onrechte voorbijgegaan aan haar lichamelijke klachten en het feit dat zij geen 100 meter kan lopen. Verder heeft appellante aangevoerd dat zij haar familie in [plaatsnaam 1] en [plaatsnaam 2] wil kunnen bezoeken.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is in geschil of de rechtbank met juistheid heeft geoordeeld dat de gronden van beroep tegen het besluit van verweerder genoemd in 1.3 niet slagen. Partijen strijden over het antwoord op de vraag of verweerder met de verstrekte voorziening bedoeld in 1.3 aan zijn compensatieplicht als bedoeld in de Wmo heeft voldaan.

4.2.

In artikel 30 van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning van de gemeente Amsterdam is het primaat van het collectief vervoer neergelegd. Dit primaat houdt in dat de aanvrager pas in aanmerking komt voor een andere vervoersvoorziening als hij door zijn beperkingen geen gebruik kan maken van het collectief vervoer. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 28 oktober 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK2504) komt dit primaat als zodanig niet in strijd met het in artikel 4 van de Wmo neergelegde compensatiebeginsel. Dit laat onverlet dat een voorziening van collectief vervoer in een concreet geval, gezien de persoonskenmerken en de vervoersbehoefte van de aanvrager, geen compenserende voorziening kan zijn.

4.3.

De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat de adviezen van de MO-zaak op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen. De artsen van de MO-zaak hebben alle door appellante overgelegde medische informatie in hun adviezen betrokken en zijn op grond hiervan tot de conclusie gekomen dat appellante adequaat kan reizen met de toegekende vorm van collectief vervoer en dat geen medische noodzaak voor een bruikleenauto bestaat. Uit wat appellante heeft aangevoerd volgt niet dat in de adviezen geen juist beeld wordt gegeven van haar gezondheidssituatie en dat zij als gevolg van haar lichamelijke en psychiatrische klachten destijds geen gebruik kon maken van het collectief vervoer en is aangewezen op een bruikleenauto. Hierbij is ook van belang, met name in het kader van appellantes lichamelijke klachten, dat de vorm van collectief vervoer die aan haar is toegekend ondersteuning omvat bij het bereiken van het voertuig en op het bestemmingsadres en bij het in- en uitstappen. Naar het oordeel van de Raad voorzag de toegekende vorm van collectief vervoer in de toenmalige vervoersbehoefte van appellante en heeft het college hiermee aan de op hem rustende compensatieplicht voldaan.

4.4.

Het betoog van appellante dat het college haar een bruikleenauto moet verstrekken zodat zij bezoeken kan afleggen in [plaatsnaam 1] en [plaatsnaam 2], faalt. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 30 november 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU6976) is het college op grond van de Wmo niet gehouden om vervoersvoorzieningen te treffen die een betrokkene in staat stellen zich bovenregionaal te verplaatsen. Dat appellantes kilometerbudget voor bovenregionaal vervoer naar zij stelt onvoldoende is om de door haar gewenste bezoeken af te leggen, is een kwestie die het vervoerssysteem Valys aangaat en niet het college.

4.5.

Uit wat is overwogen onder 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en J.P.A. Boersma en N.R. Docter als leden, in tegenwoordigheid van B. Dogan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2017.

(getekend) J. Brand

(getekend) B. Dogan

SS