Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2194

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-06-2017
Datum publicatie
27-06-2017
Zaaknummer
15/8070 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht meer op een uitkering op grond van de ZW. Het bestreden besluit is zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd geacht. Er zijn geen aanknopingspunten gevonden om de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep onjuist te achten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/8070 ZW

Datum uitspraak: 21 juni 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

30 oktober 2015, 15/1695 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L.I. Olivier hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met de zaak 15/5743 ZW plaatsgevonden op

16 november 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. I.M.J.J. Dewarrimont. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.H.H. Fuchs. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst. In de zaak 15/5743 ZW heeft de Raad op 28 december 2016 uitspraak gedaan (ECLI:NL:CRVB:2016:5024).

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant heeft zich op 24 juli 2013 ziek gemeld en is door het Uwv in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). In het kader van een zogenoemde eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) heeft het Uwv met toepassing van het bepaalde in artikel 19aa van de ZW, bij besluit van 11 juli 2014 vastgesteld dat appellant vanaf 24 augustus 2014 geen recht meer heeft op een ZW-uitkering, omdat hij, alhoewel ongeschikt voor zijn laatstelijk verrichte werkzaamheden, nog een aantal functies kan vervullen, waarmee hij in staat is meer dan 65% te verdienen van het loon dat hij verdiende voor hij ziek werd. Bij besluit van 18 december 2014 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 11 juli 2014 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van

16 juli 2015, 15/282, heeft de rechtbank Limburg het beroep van appellant tegen het besluit van 18 december 2014 ongegrond verklaard. De Raad heeft die uitspraak bij de in het procesverloop vermelde uitspraak van 28 december 2016 bevestigd.

1.2.

Appellant heeft zich, vanuit de situatie dat hij een uitkering ontving op grond van de Werkloosheidswet, met ingang van 3 december 2014 ziek gemeld wegens lichamelijke en psychische klachten. In het kader van zijn ziekmelding heeft hij op 12 januari 2015 het spreekuur van een verzekeringsarts bezocht. Deze arts heeft het standpunt ingenomen dat appellant met ingang van 19 januari 2015 geschikt is om zijn arbeid, de in het kader van de EZWb geselecteerde functies, te verrichten.

1.3.

Het Uwv heeft bij besluit van 13 januari 2015 vastgesteld dat appellant met ingang van 19 januari 2015 geen recht meer heeft op een uitkering op grond van de ZW. Het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar heeft het Uwv, na verzekeringsgeneeskundig onderzoek van

13 april 2015, bij besluit van 14 april 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Tegen het bestreden besluit heeft appellant beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep ongegrond verklaard. Zij heeft het bestreden besluit zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd geacht en heeft geoordeeld dat zij geen aanknopingspunten heeft gevonden om de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep onjuist te achten.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant naar voren gebracht dat de rechtbank ten onrechte niet heeft geoordeeld dat er onvoldoende rekening is gehouden met zijn klachten en beperkingen en ten onrechte heeft geoordeeld dat hij op de datum in geding in staat was zijn arbeid te verrichten. Ter onderbouwing van zijn standpunt dat hij op de datum in geding niet in staat was zijn arbeid te verrichten, heeft hij een informatiebrief van de behandelend psychiater

K. ter Horst van 13 juni 2016 ingezonden.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Deze regel lijdt in dit geval in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na 52 weken ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de EZWb. Het gaat daarbij om elk van deze functies afzonderlijk, zodat het voldoende is wanneer de hersteldverklaring wordt gedragen door ten minste een van de geselecteerde functies (zie de uitspraak van de Raad van 22 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1225).

4.2.

Het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die zij daaraan ten grondslag heeft gelegd, worden onderschreven. Wat appellant heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onjuiste inschatting heeft gemaakt van de belastbaarheid van appellant op de datum in geding. Deze arts heeft appellant gezien, dossierstudie verricht en informatie van de behandelend sector bij zijn beoordeling betrokken.

4.3.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft voldoende onderbouwd dat appellants belastbaarheid niet is gewijzigd ten opzichte van die zoals vastgesteld bij de EZWb. In zijn rapport van 14 september 2016 heeft hij uiteengezet dat naar zijn mening de informatie van behandelend psychiater Ter Horst niet tot een andere conclusie leidt, nu daaruit ook volgt dat het depressieve beeld van appellant was opgeklaard. Deze overtuigend onderbouwde visie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep wordt dezerzijds onderschreven.

4.4.

Uit wat in 4.2 en 4.3 is overwogen, volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.T. Kwaasteniet als voorzitter en E.W. Akkerman en

M.C. Bruning als leden, in tegenwoordigheid van J.C. Borman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2017.

(getekend) A.T. Kwaasteniet

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen

RB