Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2193

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-06-2017
Datum publicatie
26-06-2017
Zaaknummer
16/1812 AWBZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beoordelingsperiode loopt van 12 november 2014 tot 7 april 2015. Vast staat dat appellant extra zorg nodig heeft in verband met zijn aandoening. Niet is aannemelijk gemaakt dat sprake is van een situatie waarin permanent toezicht of hulp/toezicht voortdurend in de nabijheid nodig is, zoals omschreven in CIZ Indicatiewijzer. Opvatting CIZ steunt mede op rapport van zijn medisch adviseur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Datum uitspraak: 21 juni 2017

16/1812 AWBZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
29 januari 2016, 15/3079 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

CIZ

PROCESVERLOOP

Namens appellant, wettelijk vertegenwoordigd door zijn ouders [naam vader] en
R[naam moeder], heeft mr. B.C.F. Kramer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

CIZ heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 mei 2017. Appellant was vertegenwoordigd door mr. Kramer. CIZ heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.C.J.G. van Maris‑Kindt.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant, geboren in 2007, heeft op 14 november 2014 een indicatie voor zorg als bedoeld in de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) aangevraagd voor de functies Persoonlijke Verzorging, Verpleging en Begeleiding.

1.2.

CIZ heeft bij besluit van 21 november 2014 die aanvraag afgewezen op de grond dat de gevraagde zorg valt onder de Zorgverzekeringswet (Zvw).

1.3.

Bij besluit van 7 april 2015 heeft CIZ het bezwaar onder verwijzing naar het rapport van zijn medisch adviseur ongegrond verklaard. Voor wat betreft de functie Verpleging berust het standpunt van CIZ op de overweging dat de functie Verpleging is gevraagd in verband met diabeteszorg, dat deze zorg in dit geval moet worden aangemerkt als medisch specialistische zorg en onder de Zvw valt. Voor wat betreft de functie Persoonlijke Verzorging berust het standpunt van CIZ op de overwegingen dat appellant geen beperkingen ondervindt bij de dagelijkse persoonlijke zorg en dat de extra zorg die de suikerziekte van appellant met zich brengt valt onder de Zvw. Voor wat betreft de functie Begeleiding berust het standpunt van CIZ op de overwegingen dat geen beperkingen kunnen worden geobjectiveerd bij de sociale redzaamheid, het bewegen en verplaatsen, het psychisch functioneren, het geheugen en de oriëntatie of gedrag en dat de ondersteuning en de begeleiding die de suikerziekte vraagt in de zin van onder andere controle van bloedsuikers en het toedienen van insuline valt onder de Zvw.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank – voor zover hier van belang – het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, samengevat, overwogen dat CIZ zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de gevraagde zorg medisch specialistische zorg is, die valt onder de Zvw.

3.1.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat sprake is van medisch specialistische zorg die onder de Zvw valt, dat sprake is van zogenoemde intensieve kindzorg en dat permanent toezicht noodzakelijk is. Ter onderbouwing van de ingenomen standpunten heeft appellant een brief gedateerd 27 juni 2016 overgelegd van drs. C. Ramaker, kinderarts.

3.2.

CIZ heeft zich achter de aangevallen uitspraak gesteld.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Vooropstaat dat de voor de beoordeling van belang zijnde periode in deze zaak loopt van 12 november 2014 tot 7 april 2015.

4.2.

Voorts hecht de Raad eraan op te merken dat niet in geschil is dat appellant extra zorg nodig heeft in verband met zijn aandoening. Niet in geschil is voorts dat de moeder van appellant zeer betrokken is bij het verlenen van die zorg en dat haar dit tijd kost. Het is echter de vraag of (een vergoeding voor) deze zorg kan worden verstrekt op grond van de AWBZ.

4.3.1.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak de gronden van beroep op een juiste wijze besproken en beoordeeld. Naar vaste rechtspraak van de Raad (zie de uitspraak van 23 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4858) valt zorg die dient te worden verleend in verband met een behandeling waarvoor een medisch specialist verantwoordelijk is, onder de Zvw. Zorg op basis van de Zvw is voorliggend op zorg op basis van de AWBZ. Voor de behandeling van appellant is een medisch specialist verantwoordelijk. De Raad wijst op de brief van de kinderarts genoemd in 3.1. Het door appellant in hoger beroep ingenomen en niet onderbouwde standpunt dat geen sprake is van medisch specialistische zorg, treft dan ook geen doel.

4.3.2.

De in hoger beroep ingediende grond dat sprake is van een zorgintensief kind treft evenmin doel. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een situatie waarin permanent toezicht of hulp/toezicht voortdurend in de nabijheid nodig is, zoals dat is omschreven in bijlage 2 bij hoofdstuk 6 van de CIZ Indicatiewijzer. De brief van de kinderarts genoemd in 3.1 geeft voor het standpunt van appellant geen steun. Dat de kinderarts spreekt van een zorgintensief kind is hiervoor onvoldoende, omdat op geen enkele wijze blijkt dat de kinderarts hiermee heeft gedoeld op een kind dat verkeert in de omstandigheden als bedoeld in deze Indicatiewijzer.

4.3.3.

De in hoger beroep ingediende gronden met betrekking tot de functies Persoonlijke Verzorging en Begeleiding treffen evenmin doel. CIZ heeft zijn opvatting dat er overigens geen beperkingen aanwezig zijn die een aanspraak op de functies Persoonlijke Verzorging en Begeleiding rechtvaardigen mede doen steunen op het rapport van zijn medisch adviseur genoemd in 1.3. Wat appellant heeft aangevoerd heeft de Raad niet kunnen leiden tot het oordeel dat dit advies onzorgvuldig tot stand is gekomen, onvolledig is, niet concludent is, dan wel dat er aanwijzingen zijn dat dit advies onjuist is. CIZ heeft zich dan ook op dit advies mogen baseren.

4.4.

Uit 4.3.1 tot en met 4.3.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient, voor zover aangevochten, te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en J.P.A. Boersma en N.R. Docter als leden, in tegenwoordigheid van B. Dogan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2017.

(getekend) J. Brand

(getekend) B. Dogan

SS