Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:219

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-01-2017
Datum publicatie
24-01-2017
Zaaknummer
14/6309 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bezwaar terecht niet‑ontvankelijk verklaard. Geen sprake van verschoonbare termijnoverschrijding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/6309 WSF, 14/6310 WSF

Datum uitspraak: 18 januari 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 17 oktober 2014, 14/2260 en 14/2261 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R. Küçükünal, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De minister heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 oktober 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Küçükünal. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.C. Rots.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 21 februari 2014 heeft de minister de aan appellante op grond van de Wet studiefinanciering 2000 toegekende studiefinanciering herzien in die zin dat appellante vanaf 1 januari 2012 is aangemerkt als thuiswonende studerende.

1.2.

Voorts heeft de minister bij besluit van 28 maart 2014 appellante een bestuurlijke boete opgelegd.

1.3.

Op 11 april 2014 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen de besluiten van
21 februari 2014 en 28 maart 2014. Bij besluit van 23 juni 2014 (bestreden besluit 1) heeft de minister het bezwaar van appellante tegen het besluit van 21 februari 2014 niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaarschrift te laat is ingediend en er geen redenen zijn om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Voorts heeft de minister bij besluit van eveneens 23 juni 2014 (bestreden besluit 2) het bezwaar van appellante tegen het besluit van 28 maart 2014 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen de bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.

3.1.1.

Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Naar de stelling van appellante heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat de minister haar bezwaar tegen het besluit van 21 februari 2014 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. In dit kader heeft appellante aangevoerd dat de termijnoverschrijding haar niet kan worden verweten. Appellante heeft het besluit van 21 februari 2014 digitaal, via “Mijn DUO”, ontvangen. Appellante heeft echter geen kennis kunnen nemen van de inhoud van dat besluit. Toen appellante het besluit probeerde te openen, zag zij enkel een blanco document. Voorts heeft appellante aangevoerd dat haar niet kan worden verweten dat zij geen actie heeft ondernomen toen zij geen kennis bleek te kunnen nemen van de inhoud van het besluit van 21 februari 2014. Appellante heeft al langere tijd last van psychische problemen en was daartoe niet in staat.

3.1.2.

Verder heeft de rechtbank naar de stelling van appellante ten onrechte geoordeeld dat de minister haar bezwaar tegen het besluit van 28 maart 2014 terecht ongegrond heeft verklaard.

3.2.

Gedurende de hogerberoepsprocedure heeft de minister bij besluit van 6 oktober 2016 het bezwaar van appellante tegen het besluit van 28 maart 2014 alsnog gegrond verklaard en dat besluit herroepen. In reactie hierop heeft appellante het hoger beroep voor zover dat ziet op het besluit van 28 maart 2014 ingetrokken.

3.3.

Uit 3.1.1 tot en met 3.2 volgt dat het hoger beroep zich richt tegen de aangevallen uitspraak voor zover daarin het beroep van appellante tegen bestreden besluit 1 ongegrond is verklaard.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Met juistheid heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister het bezwaar van appellante tegen het besluit van 21 februari 2014 terecht niet‑ontvankelijk heeft verklaard.

4.2.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellante ten tijde van belang ervoor heeft gekozen om berichten met betrekking tot studiefinanciering digitaal, via “Mijn DUO”, te ontvangen. Evenmin is in geschil dat appellante het besluit van 21 februari 2014 digitaal, via “Mijn DUO”, heeft ontvangen. Ten slotte is ook niet in geschil dat appellante het bezwaarschrift tegen het besluit van 21 februari 2014 te laat heeft ingediend. Enkel in geschil is of de termijnoverschrijding verschoonbaar moet worden geacht.

4.2.2.

Het betoog dat appellante geen verwijt kan worden gemaakt van de termijnoverschrijding treft geen doel. Indien appellante als gevolg van een technisch probleem geen kennis heeft kunnen nemen van de inhoud van het digitaal, via “Mijn DUO”, aan haar bekendgemaakte besluit van 21 februari 2014 lag het op haar weg om bij de minister daarnaar te informeren. Hierbij is van belang dat het door appellante gestelde technische probleem – zo heeft de minister onweersproken in beroep en in hoger beroep gesteld – veroorzaakt wordt door de instellingen van de computer van appellante. Dat appellante geen navraag heeft gedaan bij de minister, komt, anders dan appellante betoogt, voor haar rekening en risico. Het betoog dat appellante in verband met de door haar gestelde psychische problemen niet kan worden verweten dat zij geen navraag heeft gedaan bij de minister, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. Dit betoog is met geen enkel medisch gegeven onderbouwd.

4.3.

Het betoog van appellante ter zitting van de Raad, dat indien – zoals volgens appellante in deze zaak het geval is – de onrechtmatigheid van een besluit (achteraf) vast is komen te staan, het voor de ontvankelijkheid van een bezwaar tegen dat besluit niet uit mag maken of wel of niet tijdig bezwaar is gemaakt, wordt niet gevolgd. Dit betoog vindt geen steun in de wet. Evenmin vindt dit betoog steun in het door appellante aangehaalde arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 13 januari 2004, Kühne & Heitz NV,
C-453/00, ECLI:EU:C:2004:17.

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

5. Er bestaat geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.A. Boersma, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2017.

(getekend) J.P.A. Boersma

(getekend) G.J. van Gendt

RB