Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2181

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-06-2017
Datum publicatie
27-06-2017
Zaaknummer
17/2454 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek voorlopige voorziening in verband met afgewezen aanvraag woonkostentoeslag. Kortsluiting. Geen noodzakelijke kosten die voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Terugval in inkomen al lange tijd te voorzien. Geen sprake van opgewekt vertrouwen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17/2454 PW, 17/2756 PW-VV

Datum uitspraak: 20 juni 2017

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

Uitspraak met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 21 februari 2017, 16/1094 (aangevallen uitspraak) en op het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb van 5 april 2017

Partijen:

[Verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)

het college van burgemeester en wethouders van Alkmaar (college)

PROCESVERLOOP

Namens verzoeker heeft mr. M. Hoefs, advocaat, hoger beroep ingesteld en een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.

Verzoeker heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juni 2017. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door mr. Hoefs. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

T.M.M. Peeperkorn en R. van Gelder.

OVERWEGINGEN

1. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Verzoeker is in 2011 werkloos geraakt en heeft tot 24 augustus 2014 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW-uitkering) ontvangen. Sinds 24 augustus 2014 ontvangt hij een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers naar de norm voor gehuwden. Verzoeker en zijn echtgenote bewonen een eigen woning.

1.2.

Op 6 februari 2015 heeft verzoeker bijzondere bijstand aangevraagd voor zijn woonkosten. Het college heeft de aanvraag in eerste instantie bij besluit van 16 maart 2015 afgewezen op de grond dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden om tot bijstandverlening over te gaan. Na bezwaar heeft het college bij besluit van 17 juni 2015 alsnog bijzondere bijstand toegekend in de vorm van een woonkostentoeslag tot een bedrag van € 155,- per maand over de periode van 6 februari 2015 tot en met 31 december 2015. Aan dit besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat de individuele omstandigheden van verzoeker een tijdelijke toekenning van bijzondere bijstand - tot uiterlijk 31 december 2015 - rechtvaardigen.

1.3.

Op 14 december 2015 heeft verzoeker wederom een aanvraag om bijzondere bijstand in de vorm van een woonkostentoeslag ingediend. Bij besluit van 30 december 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 24 februari 2016 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen op de grond dat de woonkosten behoren tot de algemeen noodzakelijke bestaanskosten die uit het ter beschikking staande inkomen moeten worden voldaan en dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Verzoeker heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en tevens een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening gedaan. Het verzoek strekt ertoe dat aan verzoeker een voorschot wordt betaald ter hoogte van de voor verzoeker geldende norm voor woonkostentoeslag.

4. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge de artikelen 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid, van de Awb in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of de voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

4.2.

Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb in verbinding met artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak, tevens onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

4.3.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval de onder 4.2 bedoelde situatie zich voordoet en ook overigens geen sprake is van een beletsel om tevens onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

4.4.

Artikel 35, eerste lid, van de Participatiewet (PW) bepaalt dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn.

4.5.

Het college hanteert het beleid dat bijzondere bijstand voor woonkosten in bijzondere gevallen mogelijk is. Blijkens de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat het hierbij bijvoorbeeld om de situatie dat sprake is van een eigen woning met hoge woonlasten en een onvoorziene terugval in het inkomen. In het beleid is bepaald dat de toekenning van de woonkostentoeslag tijdelijk is (in principe zes maanden) en dat aan de bijstandsverlening een verhuisplicht wordt gekoppeld.

4.6.

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het college, gelet op de volgende overwegingen, terecht het standpunt heeft ingenomen dat geen sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan.

4.6.1.

Verzoeker is reeds in 2011 werkloos geworden en diende, vanaf de toekenning van zijn

WW-uitkering, rekening te houden met een substantiële inkomensachteruitgang. De daling van het inkomen was dan ook niet onvoorzien en kan om die reden niet worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid. Gelet hierop was het college gehouden de aanvraag af te wijzen.

4.6.2.

In het jaar 2015 was de situatie van verzoeker niet wezenlijk anders dan ten tijde van de aanvraag van 14 december 2015. Desondanks heeft het college bij besluit van 17 juni 2015 over de periode van 6 februari 2015 tot en met 31 december 2015 bijzondere bijstand toegekend voor de woonkosten. Gelet op wat in het betreffende besluit is overwogen, is het college hierbij kenbaar buiten de grenzen van het beleid getreden. In het betreffende besluit heeft het college immers expliciet vermeld dat in gevallen als die van verzoeker, gelet op de wettelijke bepalingen en het van toepassing zijnde beleid, geen recht bestaat op een woonkostentoeslag omdat geen sprake is van een onvoorziene terugval in het inkomen. Het college heeft echter in de individuele omstandigheden van verzoeker, waaronder de door verzoeker gestelde reële kans op een dienstbetrekking in Saoedi-Arabië of Dubai, alsmede zijn relatief lage hypotheeklasten, aanleiding gezien om verzoeker tegemoet te komen. Hierbij is nadrukkelijk vermeld dat de woonkostentoeslag wordt verstrekt tot uiterlijk 31 december 2015.

4.6.3.

Aan het feit dat het college - in afwijking van het onder 4.5 geformuleerde beleid - bij besluit van 17 juni 2015 een woonkostentoeslag heeft toegekend kan, anders dan verzoeker heeft betoogd, niet het vertrouwen worden ontleend dat het college de verlening van bijzondere bijstand in 2016 zou voortzetten. Dit geldt evenmin voor de zinsnede in het betreffende besluit dat, indien verzoeker in 2016 wederom een beroep op woonkostentoeslag zou willen doen opnieuw een afweging zal worden gemaakt. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 7 augustus 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX3805) slaagt een beroep op het vertrouwensbeginsel alleen als van de kant van het tot beslissen bevoegde orgaan, uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen zijn gedaan die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. In het onderhavige geval is hiervan geen sprake. In de bedoelde zinsnede kan - anders dan verzoeker wil - niet gelezen worden dat gelijkblijvende omstandigheden verlening van bijzondere bijstand zou worden voortgezet.

4.7.

Uit 4.4 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Gelet daarop bestaat geen grond voor het treffen van een voorlopige voorziening, zodat het verzoek daartoe zal worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 juni 2017.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

HD