Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2172

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-06-2017
Datum publicatie
22-06-2017
Zaaknummer
15/1246 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. De in hoger beroep door het Uwv gehanteerde maatstaf arbeid is juist. Zorgvuldig medisch onderzoek. Alle klachten die geobjectiveerd konden worden, hebben geleid tot het aannemen van beperkingen. Het Uwv heeft met zijn nadere motivering in hoger beroep op goede gronden vastgesteld dat appellant geen recht meer heeft op ziekengeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/1246 ZW

Datum uitspraak: 21 juni 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

8 januari 2015, 14/2527 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H.M.J. Offermans, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft een neurochirurgisch expertiserapport van dr. J.A. Grotenhuis van

13 juli 2015 ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 november 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. F.A.N. van der Loo, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.E.J.P.M. Rutten.

Het onderzoek ter zitting is geschorst wegens onduidelijkheid over de te hanteren maatstaf arbeid. Afgesproken is dat het Uwv nader arbeidskundig en verzekeringsgeneeskundig onderzoek zal verrichten. Hierop zijn rapporten van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep en van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ingebracht waarop door appellant is gereageerd.

Met toestemming van partijen is een nadere zitting achterwege gelaten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was werkzaam als verkoper in een kledingzaak voor gemiddeld 11,11 uur per week toen hij zich op 19 maart 2011 ziek meldde met lichamelijke en psychische klachten. Het Uwv heeft vastgesteld dat appellant na afloop van de voorgeschreven wachttijd met ingang van 16 maart 2013 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat appellant per die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Appellant werd met zijn beperkingen in staat geacht onder meer functies als boekhouder/kassier/loonadministrateur, schadecorrespondent en productiemedewerker industrie (samenstellen van producten) te vervullen. Het Uwv heeft appellant in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). In de periode van 15 juli 2013 tot 14 oktober 2013 is appellant werkzaam geweest als particulier chauffeur en zijn zijn inkomsten uit die werkzaamheden verrekend met zijn

WW-uitkering. Hij heeft zich vervolgens per 1 november 2013 ziek gemeld wegens rugklachten als gevolg van syringomyelie na een whiplashtrauma. Op dat moment ontving hij nog een WW-uitkering.

1.2.

Op 9 mei 2014 heeft appellant het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellant met ingang van 12 mei 2014 geschikt geacht voor de bij de WIA-beoordeling geselecteerde functies. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 9 mei 2014 vastgesteld dat appellant met ingang van 12 mei 2014 geen recht meer heeft op ziekengeld. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 26 juni 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag van 21 juni 2014, waarin deze tot de conclusie is gekomen dat appellant onder meer geschikt is te achten voor de eerder voorgehouden functies van boekhouder/ kassier en schadecorrespondent.
2. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

3.1.

Het Uwv heeft na het nadere onderzoek het standpunt ingenomen dat de maatstaf arbeid wordt gevormd door het werk als particulier chauffeur voor gemiddeld 3,28 uur per week in combinatie met de in het kader van de WIA-beoordeling geselecteerde functies voor 7,83 uur per week. Appellant wordt door de verzekeringsarts bezwaar en beroep geschikt geacht tot het verrichten van zijn werk als chauffeur voor 3,28 uur per week, in combinatie met het werk in de geselecteerde functie van productiemedewerker industrie (samenstellen van producten; SBC-code 111180).

3.2.

Appellant heeft aangevoerd dat hij niet geschikt is te achten voor het werk van particulier chauffeur in combinatie met de functie van productiemedewerker industrie en ter onderbouwing van zijn standpunt verwezen naar het door hem ingezonden rapport van
prof. dr. J.A. Grotenhuis. Appellant stelt zich te herkennen in de door Grotenhuis geschetste beperkingen, maar is van mening dat deze beperkingen zullen toenemen op het moment dat hij weer aan het werk zal gaan. Dit doet zich volgens appellant met name voor als hij zittend of staand werk moet doen waarbij hij tevens armen of handen moet gebruiken. Dit levert in de functie van productiemedewerker industrie problemen op. Het rapport van Grotenhuis geeft volgens appellant ten slotte aanleiding om een urenbeperking aan te nemen, omdat de pijnklachten die samenhangen met syringomyelie bij drukverhogende momenten en inspanningen veelal toenemen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Als naast de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid ook sprake is van recht op een WW-uitkering na de vaststelling dat geen recht bestaat op een WIA-uitkering, wordt de maatstaf arbeid gevormd door de combinatie van het laatstelijk verrichte werk en de functies die zijn voorgehouden in het kader van die WIA-beoordeling. De in hoger beroep door het Uwv gehanteerde maatstaf arbeid, zoals omschreven in 3.1 is juist.

4.2.

Uitgaande van de juiste maatstaf heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep appellant op het spreekuurcontact van 3 mei 2016 gesproken waarbij appellant te kennen heeft gegeven dat in januari 2016 nieuwe MRI-opnamen zijn gemaakt die een onveranderd beeld lieten zien. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de door Grotenhuis vastgestelde beperkingen ongewijzigd overgenomen en in het rapport van 10 mei 2016 geconcludeerd dat appellant met inachtneming van deze beperkingen geschikt is te achten voor het werk in de functie van particulier chauffeur. Het betreft werk in een comfortabele auto met goed instelbare stoel van zodanige kwaliteit dat schokken en grove trilbelasting kunnen worden opgevangen. Daarbij acht de verzekeringsarts bezwaar en beroep tevens van belang dat appellant zelf te kennen heeft gegeven dat voldoende kan worden afgewisseld in houding. Ook wordt appellant geschikt geacht voor de functie van productiemedewerker industrie (samensteller van producten). Deze functie kan immers staand worden uitgevoerd, waarbij duwen en trekken is gemaximeerd tot 5 kg en slechts enkele malen per dag voorkomt.

4.3.

In het aanvullende rapport van 18 augustus 2016 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep nader gemotiveerd dat appellant door Grotenhuis niet beperkt is geacht op schroefbewegingen met de hand en de arm, die als dynamische handelingen te onderscheiden zijn. Daarbij geldt ook dat de schroefbewegingen met de onderarm plaatsvinden en op die wijze niet nekbelastend zijn. Het beroep van appellant op de preventieve grond voor het aannemen van een urenbeperking, is gebaseerd op een algemene en onzekere gebeurtenis in de toekomst. Appellant kan, ingeval progressie zich voordoet, bij het Uwv een wijziging van zijn gezondheidstoestand melden. Voor het aannemen van een medische urenbeperking bestaat volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep dan ook geen aanleiding.

4.4.

Het geheel overziend kan worden geconcludeerd dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een zorgvuldig medisch onderzoek heeft verricht. Alle klachten die geobjectiveerd konden worden, hebben onder meer op grond van het rapport van Grotenhuis geleid tot het aannemen van beperkingen. Dat de klachten tot meer beperkingen hadden moeten leiden kan uit de door appellant ingebrachte en door de verzekeringsarts bezwaar en beroep meegewogen medische stukken niet worden opgemaakt.
4.5. Appellant wordt niet gevolgd in zijn visie dat niet duidelijk is hoe het huidige standpunt zich verhoudt tot het eerdere standpunt van het Uwv dat appellant voor het werk van particulier chauffeur al ongeschikt zou zijn geweest bij aanvang van de werkzaamheden. Deze wijziging van standpunt is namelijk terug te voeren op de gedetailleerde informatie die appellant ter zitting van de Raad en bij de verzekeringsarts bezwaar en beroep op het spreekuur van 3 mei 2016 heeft gegeven over de belasting in zijn werk als particulier chauffeur, zoals hiervoor ook beschreven.

4.6.

Uit 4.2 tot en met 4.5 volgt dat het Uwv met zijn nadere motivering in hoger beroep op goede gronden heeft vastgesteld dat appellant met ingang van 12 mei 2014 geen recht meer heeft op ziekengeld. Nu aannemelijk is dat appellant door de wijziging van motivering van het bestreden besluit niet is benadeeld, zal het gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht worden gepasseerd. De aangevallen uitspraak zal met verbetering van gronden worden bevestigd.

5. Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 990,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 990,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.980,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.980,-;

- bepaalt dat het Uwv aan appellant de betaalde griffierechten vergoedt van in totaal € 168,-.

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe als voorzitter en M.C. Bruning en

F.M.S. Requisizione als leden, in tegenwoordigheid van M.S.E.S. Umans als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2017.

(getekend) M. Greebe

(getekend) M.S.E.S. Umans

UM