Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:216

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-01-2017
Datum publicatie
24-01-2017
Zaaknummer
12-4871 WWAJ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zorgvuldig onderzoek deskundige, inzichtelijk en consistent. Geen aanleiding het rapport niet te volgen. Terecht standpunt Uwv, ook na aanpassing van de FML, dat geen sprake is van arbeidsongeschiktheid in de zin van Wet Wajong. Wat betreft beroep appellante op uitspraken rechtbank Alkmaar wordt verwezen naar vaste rechtspraak Raad uit 2013.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/4871 WWAJ

Datum uitspraak: 11 januari 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van
27 juli 2012, 12/587 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S.L.R. Hensen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 augustus 2014. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Hensen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
A.H.G. Boelen.

Na de zitting is het onderzoek heropend.

De Raad heeft prof. dr. J.J. van Os, psychiater, benoemd als onafhankelijk deskundige voor het instellen van een onderzoek. Op 9 februari 2015 heeft de deskundige een schriftelijk verslag van zijn onderzoek aan de Raad uitgebracht.

Vervolgens zijn over en weer reacties gegeven.

Partijen hebben toestemming gegeven om een nader onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante, geboren op [geboortedatum] 1990, heeft op 19 april 2011 een aanvraag ingediend om ondersteuning bij werk en inkomen op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong). Bij besluit van 17 juni 2011 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante in staat is met werk meer dan 100% (bedoeld is 75%) van het minimumloon te verdienen zodat zij geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet Wajong.

1.2.

Bij besluit van 9 maart 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 17 juni 2011, onder verwijzing naar de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 1 februari 2012 en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van
7 februari 2012, ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen geen aanleiding te zien om te twijfelen aan de juistheid en de volledigheid van de voor appellante vastgestelde beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 1 februari 2012. Ook heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gevonden om het onderzoek naar het vaststellen van de arbeidsbeperkingen als onzorgvuldig te beschouwen. De rechtbank onderschrijft de overwegingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Appellante heeft geen medische stukken in het geding gebracht die twijfel kunnen doen rijzen aan de juistheid van het door de verzekeringsarts bezwaar en beroep ingenomen standpunt. Het feit dat appellante mogelijk zal worden opgenomen ter behandeling van haar psychische problematiek leidt niet tot een ander oordeel, omdat deze informatie ziet op een (toekomstige) aangelegenheid na de peildatum. De rechtbank ziet om deze reden geen aanleiding om een onafhankelijke deskundige te benoemen. Naar het oordeel van de rechtbank passen de geduide functies binnen de opgestelde FML van 1 februari 2012. Dit wordt ook bevestigd door de verzekeringsarts bezwaar en beroep in haar rapport van 13 juli 2012.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante haar standpunt herhaald dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep haar beperkingen en derhalve de FML onjuist en onvolledig heeft vastgesteld. Er is in onvoldoende mate rekening gehouden met de psychische problematiek – en de daaruit voortvloeiende klachten en beperkingen – die het voor haar onmogelijk maakt om aan het arbeidsproces deel te nemen.

3.2.

Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante een crisismelding van 15 juli 2008 overgelegd, alsmede een huisartsenjournaal van 21 september 2012 en een brief van psychiater A. de Bie van 6 augustus 2012 aan haar huisarts. Voorts heeft zij zich beroepen op uitspraken van de rechtbank Alkmaar van 12 januari 2012, LJN BV1949 en van 3 mei 2012, LJN BW4458 om aan te tonen dat de beoordelingswijze van de verzekeringsarts bezwaar en beroep het wettelijk kader te buiten gaat. Ten slotte heeft appellante een op haar verzoek door psychiater M.M.M.G. Debije opgesteld expertiserapport van 20 september 2013 in het geding gebracht.

3.3.

Het Uwv heeft met verwijzing naar rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. In dit geding is de vraag of appellante na haar 17e verjaardag ( [datum] 2007) gedurende 52 weken arbeidsongeschikt is geweest, dan wel of zij in een periode van vijf jaar na haar 18e verjaardag ( [datum] 2008) toegenomen arbeidsongeschikt is geworden uit dezelfde ziekteoorzaak. Aangezien het recht op een Wajong-uitkering niet eerder kan ingaan dan 16 weken na indiening van de aanvraag daartoe (zoals in 1.1 vastgesteld op
19 april 2011), kan als derde peildatum 10 augustus 2011 worden aangehouden.

4.1.

In zijn rapport van 9 februari 2015 heeft de deskundige vastgesteld dat appellante lijdt aan een stoornis in de impulsbeheersing niet anders omschreven (n.a.o.) en een borderline persoonlijkheidsstoornis. De borderline persoonlijkheidsstoornis beschrijft een chronisch patroon beginnend in de vroege volwassenheid, en bij appellante al veel eerder, hetgeen overeenstemt met het verhaal van zowel appellante als haar naasten. Hieruit volgt dat op
[datum] 2007, [datum] 2008 alsmede 10 augustus 2011 dezelfde ziekte en hieruit voortkomende beperkingen bestonden. Er zijn geen aanwijzingen dat deze beperkingen in de periode van vijf jaar na [datum] 2008 toegenomen zijn. De stoornis in de impulsbeheersing n.a.o. en de borderline persoonlijkheidsstoornis leiden tot beperkingen van het concentreren van de aandacht, het inzicht in het eigen kunnen, het doelmatig handelen, het hanteren van emotionele problemen van anderen, het uiten van eigen gevoelens, het omgaan met conflicten en de samenwerking met anderen. Het is evident dat deze beperkingen ook golden op [datum] 2008. Deze beperkingen zijn niet toegenomen per 10 augustus 2011.

4.2.

In reactie op het rapport van de deskundige heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 30 maart 2015 de FML aangepast voor de items: inzicht in eigen kunnen: beperkt, emotionele problemen hanteren: sterk beperkt, eigen gevoelens uiten: sterk beperkt en conflicthantering: sterk beperkt.

4.3.

In zijn rapport van 7 april 2015 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep zich op het standpunt gesteld dat de aanscherping van de FML geen gevolgen heeft voor de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante.

4.4.

Desgevraagd heeft de deskundige bij brief van 23 juni 2015 te kennen gegeven zich te kunnen vinden in de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep aangepaste FML van
30 maart 2015. Naar de mening van de deskundige is er echter tevens sprake van een verminderde belastbaarheid op het item ‘vasthouden van de aandacht’.

4.5.

Vervolgens heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij zijn rapport van
4 november 2015 de belastbaarheid van appellante opnieuw aangepast in die zin dat het ‘vasthouden van de aandacht’ beperkt is geacht.

4.6.

Door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep is bij zijn rapport van 12 november 2015 vastgesteld dat de gewijzigde beperking niet van invloed is op het wel of niet kunnen verrichten van de werkzaamheden in de geduide functies.

4.7.

Appellante heeft zich bij brief van 22 december 2015 opnieuw op het standpunt gesteld dat de functies archiefmedewerker, samensteller kunststof- en rubberindustrie en montagemedewerker voor haar niet passend zijn, omdat haar belastbaarheid onder meer wordt overschreden op het gebied van deadlines en samenwerking met collega’s.

5.1.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.2.

Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde, deskundige kan volgen als de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. De deskundige heeft een overtuigende motivering gegeven voor de door hem vastgestelde beperkingen voor appellante. Het uitgebrachte rapport geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. Er zijn geen omstandigheden die aanleiding geven het rapport niet te volgen.

5.3.

Het Uwv heeft het rapport van de deskundige vervolgens voorgelegd aan de verzekeringsarts bezwaar en beroep, die de FML in overeenstemming heeft gebracht met de bevindingen van de deskundige. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep is met inachtneming van de aangepaste FML tot de conclusie gekomen dat de functies onveranderd geschikt blijven voor appellante. Dit betekent dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat ook na aanpassing van de FML geen sprake is van arbeidsongeschiktheid in de zin van de Wet Wajong.

5.4.

Onder verwijzing naar de uitspraken van de Raad van 4 september 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1647, en 11 december 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2889, kan appellante niet worden gevolgd in haar beroep op de in 3.2 genoemde uitspraken van de rechtbank Alkmaar.

6.1.

Nu pas in hoger beroep een juiste medische en arbeidskundige onderbouwing is gegeven voor het bestreden besluit dient de aangevallen uitspraak, evenals het bestreden besluit, te worden vernietigd. Gelet op de uitkomst van het arbeidskundig onderzoek van
12 november 2015 is er aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.

6.2.

Aanleiding bestaat om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 990,- in beroep en op € 1.240,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand; op € 5,48 in beroep en € 51,68 in hoger beroep aan reiskosten en op € 38,45 aan medische kosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 9 maart 2012;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van in totaal
    € 2.322,11;

  • -

    bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 157,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2017.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) R.L. Rijnen

SS