Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:215

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-01-2017
Datum publicatie
24-01-2017
Zaaknummer
15-2902 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op WIA-uitkering. Geen aanknopingspunten om de naar behoren gemotiveerde beschouwingen van de verzekeringsarts onjuist te achten. Deugdelijke medische grondslag. Geen overschrijding van de belastbaarheid in de geselecteerde functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/2902 WIA

Datum uitspraak: 20 januari 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

27 maart 2015, 14/4177 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift en een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 december 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar dochter [naam dochter] . Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.H. Maas.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante heeft vanaf 5 november 1999 – in verband met rugklachten als gevolg van een hernia, migraineklachten, adipositas, hypertensie, hyperventilatie en spanningsklachten – een uitkering genoten op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Deze uitkering is beëindigd per

29 augustus 2007 omdat zij met ingang van die datum minder dan 15% arbeidsongeschikt was. Het intrekkingsbesluit staat in rechte vast.

1.2.

Appellante heeft zich op 16 mei 2012 vanuit een uitkeringssituatie op grond van de Werkloosheidswet bij het Uwv ziek gemeld. Daartoe heeft zij onder meer aangevoerd dat zij weer veel last heeft van haar rug, dat zij een verhoogde bloeddruk heeft en dat zij klachten heeft aan haar rechterhand. Op 7 februari 2014 heeft appellante het Uwv verzocht haar in aanmerking te brengen voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).

1.3.

Het Uwv heeft bij besluit van 4 april 2014 vastgesteld dat voor appellante met ingang van 14 mei 2014 geen recht is ontstaan op een uitkering op grond van de Wet WIA, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Aan dit besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts ten grondslag. Deze verzekeringsarts heeft vastgesteld dat geen sprake is van een zogenaamde Amber-situatie en dat appellante wegens haar rugproblematiek aangewezen is op rugsparende arbeid overeenkomstig de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 8 mei 2007. Wegens de rechterhandproblemen van appellante dient voorkomen te worden dat de dominante rechterhand overmatig belast wordt. De beperkingen van appellante zijn vastgelegd in een FML van 20 maart 2014. Een arbeidsdeskundige heeft het verlies aan verdiencapaciteit op basis van de voor appellante geselecteerde functies vastgesteld op nihil.

1.4.

Bij besluit van 16 oktober 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 4 april 2014 ongegrond verklaard. Aan dit besluit liggen verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige rapporten ten grondslag. Een verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op basis van zijn bevindingen ter hoorzitting, dossieronderzoek en weging van opgevraagde medische gegevens bij de huisarts van appellante geconcludeerd dat de voor appellante vastgestelde belastbaarheid in FML van 20 maart 2014 vanuit preventief oogpunt aanpassing behoeft wegens klachten van de rechterknie en -hiel. Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft op basis van de aangepaste FML van

17 september 2014, een nadere bepaling van de zogenaamde maatman en een deels gewijzigde functieselectie vastgesteld dat appellante onverminderd minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

2.1.

Appellante heeft in beroep, onder verwijzing naar medische informatie van de afdeling pijnbestrijding van het Jeroen Bosch Ziekenhuis en een verklaring van neurochirurg E. Kurt van 3 januari 2015, aangevoerd dat de verzekeringsartsen onvoldoende rekening hebben gehouden met haar lichamelijke klachten.

2.2.

Het Uwv heeft onder verwijzing naar een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 2 februari 2015 te kennen gegeven dat wat in beroep is aangevoerd geen aanleiding geeft tot een ander standpunt.

2.3.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat er geen redenen tot twijfel zijn aan de juistheid van het medisch oordeel van het Uwv. Daartoe heeft zij overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de medische informatie van de behandelaars bij haar beoordeling van de beperkingen van appellante heeft betrokken en zijn conclusie over de belastbaarheid van appellante overtuigend heeft gemotiveerd. Over de in beroep door appellante ingebrachte medische stukken heeft de rechtbank overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij rapport van 2 februari 2015 inzichtelijk heeft gemaakt dat de inhoud van deze informatie grotendeels bekend is uit de dossierstukken en de eerder verstrekte informatie van behandelaars van appellante en niet noopt tot een aanpassing van de FML. De rechtbank heeft zich kunnen vinden in de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat het medisch onderzoek onvoldoende zorgvuldig is geweest. Appellante acht zich wegens haar lichamelijke klachten niet in staat te werken. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante verwezen naar een rapport van 28 april 2015 van arbeidsdeskundige mr. E.M.T. Steensma. De verzekeringsartsen hebben bij het vaststellen van haar belastbaarheid ten onrechte geen rekening gehouden met haar aandoening morbide obesitas, waarvan volgens haar bekend is dat werken tot gezondheidsschade kan leiden. Ook is er geen rekening gehouden met de bijwerking van het medicijn Metoprolosuccinaat, dat leidt tot vermoeidheid.

3.2.

Het Uwv heeft, onder verwijzing naar een rapport van 17 juni 2015 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Gelet op het verhandelde ter zitting is in hoger beroep aan de orde of de verzekeringsartsen van het Uwv de klachten en beperkingen van appellante, zoals door appellante naar voren gebracht tijdens de medische onderzoeken en in de door haar in geding gebrachte stukken, in voldoende mate hebben onderkend. Door appellante is aangevoerd dat de verzekeringsartsen onvoldoende gewicht hebben toegekend aan haar aandoening morbide obesitas als ook aan de samenhang van al haar klachten. Volgens appellante zijn haar beperkingen hierdoor in onvoldoende mate in beeld gebracht met de FML van 17 september 2014. De Raad zal hieronder ingaan op dit geschilpunt.

4.2.

Uit het rapport van 14 maart 2014 van de verzekeringsarts blijkt dat de verzekeringsarts kennis heeft genomen van de door appellante naar voren gebrachte klachten bestaande uit hoofdpijn, rugpijn, duizeligheid, hypertensie en rechterarm- en handklachten. Uit datzelfde rapport, onder kopje 2.2.4 ‘Onderzoeksbevindingen’, blijkt dat de verzekeringsarts rekening heeft gehouden met de adipeuze voedingstoestand van appellante. De verzekeringsarts heeft in dat deel van zijn rapport benoemd wat de lengte van appellante is en wat haar gewicht is. De verzekeringsarts heeft ter vaststelling van de belastbaarheid van appellante gericht onderzoek verricht naar de bovenste extremiteiten en naar de nek- en rugfunctie van appellante, waarbij gekeken is naar de beweeglijkheid en naar de aanwezigheid van radiculaire prikkeling en uitvalsverschijnselen. De verzekeringsarts heeft onderkend dat de rugklachten van appellante weliswaar zijn toegenomen, maar heeft daarnaast vastgesteld dat de voor appellante vastgestelde beperkingen in de FML van 8 mei 2007 nog steeds adequaat zijn. Wegens minimale degeneratieve afwijkingen aan de rechterhand heeft de verzekeringsarts aangenomen dat appellante aangewezen is op werkzaamheden waarbij de dominante rechterarm niet overmatig belast wordt. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op basis van zijn bevindingen ter hoorzitting, verkregen uit oriënterend lichamelijk onderzoek en onderzoek naar de psyche, en na weging van ontvangen informatie van de huisarts van appellante, radioloog J.L. Seelen, cardioloog E. Krivka en van Revalidatiecentrum Tolbrug, geconcludeerd dat de door de verzekeringsarts voor appellante vastgestelde beperkingen voldoende gedragen worden door alle aanwezige medisch objectiveerbare gegevens. In de ontvangen informatie van de huisarts, waarin melding is gemaakt van knieklachten van appelante en klachten aan haar hiel, mogelijk op basis van lichte artrose, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep argumenten gezien appellante vanuit preventief oogpunt beperkt te achten voor lopen en staan tijdens het werk en geknield of gehurkt actief zijn. Appellante voldoet niet aan de criteria voor het aannemen van geen benutbare mogelijkheden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in de in beroep ingezonden medische informatie van neurochirurg Kurt, waarin is vermeld dat de rugpijn meest waarschijnlijk voortkomt uit het discopathiegebied of uit de facetgewrichten, bij het overgewicht dat appellante heeft, geen aanleiding gezien om het ingenomen standpunt te wijzigen, omdat geen sprake is van nieuwe medische gegevens. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de rapporten van de verzekeringsarts van 14 maart 2014 en de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 14 september 2014 en 17 februari 2015 deugdelijk gemotiveerde verzekeringsgeneeskundige conclusies bevatten over de gezondheidstoestand van appellante. Daarbij heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de van de behandelaars van appellante afkomstige informatie betrokken in zijn beoordeling. De Raad heeft geen aanknopingspunten dat de verzekeringsartsen bij de medische beoordelingen bepaalde aspecten van de gezondheidstoestand van appellante over het hoofd hebben gezien of onvoldoende hebben gewogen.

4.3.

Wat appellante in hoger beroep, onder verwijzing naar het rapport van Steensma naar voren heeft gebracht, tast het oordeel van de rechtbank niet aan. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 17 juni 2015, in lijn met wat hiervoor onder 4.2 is overwogen, inzichtelijk uiteengezet dat de verzekeringsarts bij zijn beoordeling heeft betrokken dat bij appellante sprake is van een adipeuze voedingstoestand. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft over de overige door appellante gestelde klachten overwogen dat een objectief medische grondslag voor verdergaande beperkingen ontbreekt. Betreffende de gestelde energetische beperkingen voortvloeiend uit haar medicatiegebruik heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep toegelicht waarom op grond van de Standaard verminderde arbeidsduur een urenbeperking niet geïndiceerd is. Er zijn geen aanknopingspunten om deze naar behoren gemotiveerde beschouwingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep onjuist te achten. Appellante heeft in hoger beroep geen medische stukken ingezonden die haar standpunt onderbouwen dat haar beperkingen niet juist zijn vastgesteld. Hieruit volgt dat het bestreden besluit op een deugdelijke medische grondslag berust.

4.4.

Verder wordt het oordeel van de rechtbank onderschreven dat de belasting in de voor appellante geselecteerde functies geen overschrijding opleveren van de belastbaarheid van appellante.

4.5.

Uit wat onder 4.1 tot en met 4.4 is overwogen volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe, in tegenwoordigheid van J.W.L. van der Loo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2017.

(getekend) M. Greebe

(getekend) J.W.L. van der Loo

IvR