Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2149

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-06-2017
Datum publicatie
20-06-2017
Zaaknummer
12/162 WAJONG
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Uwv heeft een nieuwe beslissing op bezwaar genomen, waarin appellante een jaar voor de datum van de aanvraag in aanmerking wordt gebracht voor een Wajong-uitkering. Geen aanleiding om de uitkering per een eerdere datum toe te kennen. Uit de gegevens is niet gebleken dat er sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor appellante niet in staat was om eerder een aanvraag voor een Wajong-uitkering in te dienen. Daarnaast heeft zij in het verleden andere uitkeringen kunnen aanvragen. Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0549
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/162, 16/442, 16/5340 WAJONG

Datum uitspraak: 14 juni 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

24 november 2011, 11/1620 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

de Staat der Nederlanden (minister van Veiligheid en Justitie)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. H. Stoppelenburg, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 mei 2014. Appellante en

mr. Stoppelenburg zijn verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. H.B. Heij.

Het onderzoek is heropend na de zitting.

De door de Raad als deskundige benoemde prof. dr. G.F. Koerselman heeft op 24 juli 2015 rapport uitgebracht.

Het Uwv heeft op 3 december 2015 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Appellante heeft een zienswijze ingediend.

Het Uwv heeft op 14 juli 2016 een aanvullende beslissing op bezwaar genomen. Appellante heeft een zienswijze ingediend.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer.

Het onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 3 mei 2017. Appellante en

mr. Stoppelenburg zijn verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

F.M.J. Eijmael.

Naar aanleiding van het verzoek van appellante om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft de Raad de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie) als partij aangemerkt.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante, geboren [in] 1970, heeft met een op 20 april 2010 ondertekend formulier het Uwv verzocht haar in aanmerking te brengen voor een uitkering op grond van de Wet werk en ondersteuning jonggehandicapten (Wajong 2010).

1.2.

Bij besluit van 20 september 2010 heeft het Uwv de aanvraag van appellante afgewezen op de grond dat, zoals onderzoek tijdens spreekuur en dossierstudie door een verzekeringsarts had uitgewezen, er onvoldoende gegevens zijn voor een oordeel over arbeidsongeschiktheid van appellante tot 1 juni 1995 en ook niet aannemelijk en aantoonbaar is dat zij doorlopend arbeidsongeschikt is geweest.

1.3.

Bij besluit van 12 mei 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv, in lijn met de bevindingen van een verzekeringsarts bezwaar en beroep, het bezwaar van appellante tegen het besluit van

20 september 2010 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen. Het Uwv beschikte naar het oordeel van de rechtbank over voldoende onderzoeksgegevens om op een verantwoorde wijze tot een afgewogen oordeel te kunnen komen. Daarvan uitgaande heeft de rechtbank met het Uwv geoordeeld dat 1 juni 1994 als eerste arbeidsongeschiktheidsdag moet worden aangemerkt. De door de psychiater Hanneman verstrekte informatie die op die periode betrekking heeft, ondersteunt die datum volgens de rechtbank. Uit die informatie valt naar het oordeel van de rechtbank eveneens af te leiden dat de periode van (volledige) arbeidsongeschiktheid in elk geval 52 weken heeft voortgeduurd. Echter, noch in die informatie, noch in al hetgeen aan relevante gegevens over de periode daarna beschikbaar is, heeft de rechtbank steun gevonden voor de opvatting dat appellante vanaf 1 juni 1995 doorlopend buiten staat is geweest 75% van het maatmaninkomen te verdienen. Terecht en op goede gronden heeft het Uwv dan ook volgens de rechtbank geconcludeerd dat appellante geen recht aan de Wajong 2010 kan ontlenen.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep haar standpunt gehandhaafd dat zij sinds 1 juni 1994 lijdt aan een bipolaire stemmingsstoornis met hallucinaties en waanbeelden waardoor zij niet in staat is om enige arbeid te verrichten en dat zij in aanmerking wil worden gebracht voor een Wajong-uitkering.

3.2.

De door de Raad als deskundige benoemde psychiater Koerselman heeft op 24 juli 2015 rapport uitgebracht. Koerselman meent alle beschikbare gegevens overziende dat er sinds 1994 sprake moet zijn geweest van een schizoaffectieve stoornis, een aandoening die als ernstiger dan een bipolaire stoornis kan worden beschouwd, vooral door de aard en duur van de psychotische kwetsbaarheid. Ook tussen episodes van de bipolaire vorm van de schizoaffectieve stoornis was appellante volgens Koerselman fors beperkt. Tijdens episodes van haar ziekte kon appellante volgens Koerselman niet werken. Daartussen golden beperkingen die voortvloeien uit haar kwetsbaarheid voor recidief en uit eventuele nog aanwezige lichtere verschijnselen van manie of psychose. Er is aanleiding voor een urenbeperking van 50%.

3.3.

Het Uwv heeft op 3 december 2015 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Bij brieven van 18 maart 2016 en 18 april 2016 heeft het Uwv dit besluit desgevraagd toegelicht. Naar aanleiding van het rapport van Koerselman heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) gewijzigd. Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in het rapport van 31 augustus 2015 vastgesteld dat appellante is geboren voor 1980, zij voor de vervaldatum van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW,
1 januari 1998) fictief de wachttijd heeft volbracht en dat zij haar aanvraag pas na
1 januari 2010 heeft ingediend. De bepalingen van de AAW zijn van toepassing en aan de hand van deze bepalingen moet het recht op een Wajong-uitkering worden vastgesteld. Op grond van de theoretische verdiencapaciteit en het maatmaninkomen is vastgesteld dat appellante niet in staat is 75% van het maatmaninkomen te verdienen. Het Uwv heeft appellante alsnog met ingang van 11 augustus 2010 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Wajong 2010, berekend op 75% van het minimumloon. Daarnaast heeft het Uwv opgemerkt dat vanaf 1 januari 2018 de uitkering 70% bedraagt van het minimumloon omdat appellante volgens het Uwv arbeidsvermogen heeft.

3.4.

Het Uwv heeft op 14 juli 2016 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen, waarin appellante met ingang van 20 april 2009 een jaar voor de datum van de aanvraag in aanmerking wordt gebracht voor een Wajong-uitkering op grond van Hoofdstuk 3 van de Wajong. Er is geen aanleiding om de uitkering per een eerdere datum toe te kennen. Uit de gegevens is niet gebleken dat er sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor appellante niet in staat was om eerder een aanvraag voor een Wajong-uitkering in te dienen. Daarnaast heeft zij in het verleden andere uitkeringen kunnen aanvragen.

3.5.

Appellante heeft tegen de nieuwe beslissingen op bezwaar aangevoerd dat het Uwv nog steeds uitgaat van te weinig beperkingen in de FML en dat zij niet in staat is om arbeid te verrichten en geen arbeidsvermogen heeft. Zij verwijst onder andere naar het Participatieplan van 15 oktober 2015 van arbeidsdeskundige R. van der Worm en een e-mailbericht van psychiater prof. A.T.F. Beekman van 18 april 2017. Beekman acht de verplichting om te moeten solliciteren disruptief en acht appellante niet in staat om regelmatig en duurzaam voor twintig uur per week te werken. Er is daarnaast volgens appellante sprake van bijzondere omstandigheden waardoor zij per een eerdere datum in aanmerking moet worden gebracht voor een Wajong-uitkering. Zij heeft geprobeerd zich in 2006 per 2003 ziek te melden, daar heeft het Uwv niets mee gedaan. Dat haar dossier volgens appellante zoek is geraakt zou aanleiding moeten geven om uit te gaan van bijzondere omstandigheden. Ten slotte heeft appellante een verzoek ingediend voor schadevergoeding gezien de lange duur van de procedure.

3.6.

De besluiten van 3 december 2015 en 14 juli 2016 worden, gelet op de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht, mede in de beoordeling betrokken.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Onder verwijzing naar de uitspraak van 8 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1111, stelt de Raad voorop dat, omdat appellante is geboren voor 1 januari 1980, haar aanspraken, hoewel de aanvraag is ingediend na 1 januari 2010, dienen te worden beoordeeld aan de hand van het bepaalde in de AAW. Het Uwv heeft het recht op uitkering beoordeeld aan de hand van de AAW.

4.2.

Uit de beslissing op bezwaar van 3 december 2015 volgt dat het Uwv het eerdere standpunt neergelegd in het bestreden besluit niet langer handhaaft dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Bij besluit van 3 december 2015 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante na 1 januari 2018 beschikt over arbeidsvermogen volgens de regels die gelden vanaf 1 januari 2015 op grond van de Participatiewet. Deze mededeling wordt beschouwd als een vooraankondiging die ziet op een datum in de toekomst waarbij ervan wordt uitgegaan dat het Uwv rond 1 januari 2018 een beoordeling zal verrichten in verband met het arbeidsvermogen van appellante. Uit de beslissing op bezwaar van 14 juli 2016 volgt dat het Uwv het besluit van 3 december 2015 evenmin handhaaft en dat het besluit van
3 december 2015 moet worden vernietigd.

4.3.

Het Uwv heeft naar aanleiding van het rapport van Koerselman de arbeidsmogelijkheden en belastbaarheid van appellante in de FML aangepast en appellante in aanmerking gebracht voor een Wajong-uitkering op grond van Hoofdstuk 3 van de Wajong, dat betrekking heeft op een arbeidsongeschiktheidsvoorziening voor jonggehandicapten ingestroomd voor 2010. Een eventueel ander oordeel over de geschiktheid van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies kan niet leiden tot een andere mate van arbeidsongeschiktheid of een hogere uitkering. Appellante heeft recht op een Wajong-uitkering, berekend naar 75% van het minimumloon.

4.4.

Voor het bepalen van de ingangsdatum van de Wajong-uitkering wordt verwezen naar artikel 3:29, eerste en tweede lid, van de Wajong, dat overeenkomt met artikel 25 van de AAW. De bepaling luidt als volgt:

1. De arbeidsongeschiktheidsuitkering gaat in op de dag, met ingang waarvan de jonggehandicapte aan de vereisten voor het recht op toekenning van die uitkering voldoet.

2. In afwijking van het eerste lid kan de uitkering niet vroeger ingaan dan een jaar voor de dag, waarop de aanvraag om toekenning dan wel voortzetting van de uitkering werd ingediend. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan voor bijzondere gevallen van de eerste zin afwijken.

4.5.

Voor de ingangsdatum van de Wajong-uitkering heeft het Uwv bij rapport van
10 oktober 2016 nader gemotiveerd dat, zoals ook door Koerselman in zijn rapport is beschreven, appellante in 2001 en 2002 gedurende twee jaar eenvoudig werk voor twee dagen per werk heeft kunnen verrichten. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep kan deze belasting ook van toepassing worden geacht in 2006. Het standpunt van het Uwv wordt daarom gedeeld dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij niet in staat was om eerder dan op 20 april 2010 een aanvraag in te dienen. Zij heeft in verband met zwangerschaps- en bevallingsverlof en wegens ziekte in 2006 en daarvoor uitkeringen kunnen aanvragen. Het Uwv heeft appellante dan ook op goede gronden met ingang van 20 april 2009 in aanmerking gebracht voor een Wajong-uitkering.

4.6.

Het beroep tegen het besluit van 14 juli 2016 slaagt daarom niet en zal ongegrond worden verklaard.

5.1.

Appellante heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

5.2.

Of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgt dat daarbij van belang zijn de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van appellant gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van appellant.

5.3.

De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd (uitspraak van de Raad van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009). De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Verder is in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast van

€ 500,- per half jaar of gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.

5.4.

Voor het voorliggende geval betekent dit het volgende. Vanaf de datum van ontvangst van het bezwaarschrift – 7 oktober 2010 – tot de datum van deze uitspraak heeft de procedure afgerond 80 maanden geduurd en daarmee is de redelijke termijn, met 32 maanden overschreden. De overschrijding van de redelijke termijn leidt tot een schadevergoeding van

€ 3.000,-. Van deze overschrijding is een periode van twee maanden toe te rekenen aan de bezwaarfase. Dit betekent dat een deel van de overschrijding van de redelijke termijn –

30 maanden – voor rekening van de Staat komt en het resterende deel – twee maanden – voor rekening van het Uwv. Voor berekening van het bedrag van de schadevergoeding dat voor rekening komt van het Uwv onderscheidenlijk van de Staat wordt de methode gevolgd die is uiteengezet in het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016 (ECLI:NL:HR:2016:252). De Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellante tot een bedrag van € 2.812,- (30/32 deel van € 3.000,-). Het Uwv wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellante tot een bedrag € 188,- (2/32 deel van € 3.000,-).

6. Aanleiding bestaat om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 2.227,50,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt de besluiten van 12 mei 2011 en

3 december 2015;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 14 juli 2016 ongegrond;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie) tot betaling aan

appellante van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 2.812,-;

- veroordeelt het Uwv tot betaling aan appellante van een vergoeding van schade tot een

bedrag van € 188,-;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 2.227,50,-;

- bepaalt dat het Uwv aan appellante het door haar betaalde griffierecht van in totaal € 153,-

vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter, in tegenwoordigheid van B. Dogan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 juni 2017.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) B. Dogan

KP