Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2147

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-06-2017
Datum publicatie
28-06-2017
Zaaknummer
16/2681 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken bijstand vanwege schending inlichtingenplicht. En/of rekening niet gemeld. Kunnen beschikken over saldo op rekening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 2681 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

30 maart 2016, 14/3744 (aangevallen uitspraak) en op het verzoek om veroordeling van schade

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Heiloo (college)

Datum uitspraak: 13 juni 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. V.Y. Jokhan, advocaat, hoger beroep ingesteld en tevens verzocht het college te veroordelen tot vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 januari 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Jokhan. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

E.J.H.M. Meijer.

Het onderzoek ter zitting is geschorst om appellant, zoals gevraagd, in de gelegenheid te stellen alsnog bankafschriften over te leggen. Bij brief van 9 maart 2017 heeft appellant laten weten de bankafschriften niet over te kunnen leggen. Het college heeft daarop gereageerd bij brief van 5 april 2017.

Partijen hebben toestemming gegeven een nader onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving vanaf 1 september 1990 bijstand, ten tijde in geding ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

In het kader van een heronderzoek is uit Suwinet gebleken dat appellant bankrekeningen op zijn naam heeft staan die hij niet eerder bij het college heeft gemeld. Het gezamenlijk saldo van deze rekeningen bedroeg op 31 december 2012 € 42.602,-. Tijdens een gesprek op

13 januari 2014 heeft appellant verklaard dat het om en/of-rekeningen met zijn moeder gaat, te weten een betaal- en een spaarrekening. In een gesprek op 11 februari 2014 heeft appellant te kennen gegeven dat hij geen bankafschriften wil overleggen omdat hij het recht op privacy van zijn moeder wil respecteren.

1.3.

Bij besluit van 25 februari 2014 heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 1 januari 2014 beëindigd (lees: ingetrokken) en de bijstand over de periode van 16 mei 2012 tot en met 31 december 2013 ingetrokken.

1.4.

Bij besluit van 1 augustus 2014 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant gericht tegen het besluit van 25 februari 2014 ongegrond verklaard. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van de en/of-rekeningen en door geen bankafschriften over te leggen. Hierdoor kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd voor zover het ziet op de intrekking per

30 januari 2014 en zelf in de zaak voorzien door het besluit van 25 februari 2014 te herroepen in die zin dat de intrekking van de bijstand beperkt blijft tot de periode van 16 mei 2012 tot

30 januari 2014. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellant op 24 maart 2014 aan het college heeft meegedeeld dat hij met ingang van 30 januari 2014 geen mederekeninghouder meer is van de rekeningen van zijn moeder.

3. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Niet in geschil is dat appellant in de periode van 16 mei 2012 tot en met 29 januari 2014 twee en/of-rekeningen met zijn moeder had. Vaststaat dat appellant geen melding aan het college heeft gemaakt van het bestaan van deze rekeningen.

4.2.

Appellant betwist dat hij van deze rekeningen melding had moeten maken bij het college nu het daarop staande tegoed niet hem, maar zijn moeder toebehoort. Appellant kan niet beschikken over het op de rekening staande tegoed.

4.3.

Deze grond slaagt niet. Het gegeven dat een bankrekening op naam van een betrokkene staat, rechtvaardigt de vooronderstelling dat het op die rekening staande tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij beschikt dan wel redelijkerwijs kan beschikken. Dit is niet anders bij een zogeheten en/of-rekening, aangezien daarmee slechts wordt aangeduid dat de rekeninghouders zowel gezamenlijk als ieder afzonderlijk over het tegoed kunnen beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is.

4.4.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat appellant hierin niet is geslaagd. Hij heeft niet met objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt dat hij niet kon beschikken over de tegoeden op de mede op zijn naam staande en/of-rekeningen. Weliswaar heeft appellant ter zitting afschriften van de en/of-spaarrekening over de periode van 3 april 2012 tot en met 3 januari 2014 overgelegd, maar doordat appellant geen bankafschriften van de en/of-betaalrekening heeft verstrekt, is niet inzichtelijk gemaakt welke tegoeden op de betaalrekening stonden en hoe deze tegoeden zijn aangewend. De Raad heeft appellant hiertoe nogmaals de mogelijkheid geboden door het onderzoek ter zitting te schorsen en hem de gelegenheid te bieden de bankafschriften bij de bank op te vragen. Dat appellant de gevraagde afschriften niet kan overleggen omdat naar zijn zeggen meerdere mensen, waaronder zijn drugsverslaafde broer, van de rekening gebruik maken en niet te achterhalen is welke opname aan wie moet worden toegerekend, komt voor zijn rekening en risico.

4.5.

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Het moest appellant redelijkerwijs duidelijk zijn dat informatie over mede op zijn naam gestelde rekeningen van belang kon zijn voor het recht op bijstand. Als gevolg van deze schending van de inlichtingenverplichting kan niet worden vastgesteld of en, zo ja, in welke mate appellant ten tijde in geding verkeerde in bijstandbehoevende omstandigheden. Het college was derhalve gehouden de bijstand van appellant van 16 mei 2012 tot 30 januari 2014 in te trekken.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Onder deze omstandigheden bestaat geen ruimte voor een veroordeling tot vergoeding van schade.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2017.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) C. Moustaïne

HD