Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2143

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-06-2017
Datum publicatie
20-06-2017
Zaaknummer
15/7229 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. Voldoende medische grondslag. Het Uwv heeft de beperkingen van appellante niet onderschat. Voldoende gemotiveerd dat de aan de eerstejaars ZW-beoordeling ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voor appellante geschikt zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/7229 ZW

Datum uitspraak: 2 juni 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

17 september 2015, 14/11256 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.G.H. van de Wetering, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 april 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van de Wetering. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.J.F. Bär.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante heeft na haar ziekmelding op 30 augustus 2013 wegens psychische klachten en verslavingsproblematiek ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW) ontvangen van het Uwv. Het laatste werk dat appellante voor die ziekmelding heeft verricht, was het werk van locatiesupervisor voor gemiddeld 36,30 uur per week.

1.2.

In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling heeft een verzekeringsarts appellante op 15 juli 2014 gezien. Deze arts heeft appellante belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van

15 juli 2014. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet langer in staat is haar eigen werk te verrichten, vervolgens vijf functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen berekend dat appellante nog 68,51% van haar zogeheten maatmaninkomen zou kunnen verdienen. Bij besluit van 7 augustus 2014 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante met ingang van 30 september 2014 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat zij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd.

1.3.

In bezwaar heeft appellante aangevoerd dat het Uwv ten onrechte geen navraag heeft gedaan bij de behandelend sector en onvoldoende rekening heeft gehouden met de lichamelijke klachten van onder meer artrose. Bij besluit van 9 december 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.

2.1.

In beroep heeft appellante aangevoerd dat het Uwv haar beperkingen heeft onderschat. Appellante acht zichzelf niet in staat de geselecteerde functies te vervullen wegens artrose en het bij haar vastgestelde syndroom van Tietze. Ter onderbouwing van dat standpunt heeft appellante nadere informatie overgelegd. Naast een eigen overzicht van de door appellante ervaren klachten heeft zij röntgenfoto’s overlegd van de diverse breuken die zij heeft gehad en van de artroseplekken. Voorts heeft appellante algemene informatie over het syndroom van Tietze, algemene informatie over ongelukken in de paardensport en informatie over de geselecteerde functies, afkomstig van www.nationaleberoepengids.nl ingezonden. Het Uwv heeft hierop bij brief van 4 mei 2015 gereageerd en rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 20 april 2015 onderscheidenlijk 1 mei 2015 overgelegd, waarin het door het Uwv ingenomen standpunt is gehandhaafd. Appellante heeft bij brief van 15 mei 2015 op die rapporten gereageerd. Verder heeft appellante aangevoerd dat voor het vervullen van de voorgehouden functies opleidingen nodig zijn, die zij niet heeft gevolgd.

2.2.

De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante de eerdere gronden gehandhaafd.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW heeft een verzekerde zonder werkgever, na 52 weken ongeschiktheid tot werken, recht op ziekengeld als hij nog steeds ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Onder het maatmaninkomen wordt verstaan het inkomen dat een verzekerde zou hebben verdiend, als hij niet ziek zou zijn geworden. Op grond van artikel 19ab, eerste en derde lid, van de ZW wordt het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen, bedoeld in artikel 19aa van de ZW, vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek en wordt onder arbeid als bedoeld in artikel 19aa van de ZW verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe een verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Voor de beoordelingssystematiek waarmee de verdiencapaciteit na het eerste ziektejaar wordt bepaald, wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de huidige uitvoeringssystematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, waarbij aan de hand van geschikte functies wordt vastgesteld of de betrokkene beschikt over resterende verdiencapaciteit (zie de uitspraak van de Raad van

30 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4920).

4.2.

De rechtbank heeft terecht de medische beoordeling door het Uwv onderschreven. In wat appellante in beroep en hoger beroep heeft aangevoerd wordt onvoldoende aanleiding gezien om te oordelen dat het Uwv de beperkingen van appellante heeft onderschat. In dat verband wordt overwogen dat de verzekeringsartsen van het Uwv naast het eigen onderzoek tevens de door appellante ingebrachte gegevens bestudeerd hebben en gemotiveerd hebben toegelicht waarom deze geen reden geven om meer beperkingen aan te nemen. Ten aanzien van de door appellante overgelegde röntgenfoto’s heeft de verzekeringsarts bewaar en beroep in het rapport van 1 mei 2015 terecht gesteld dat appellante ondanks de botbreuken haar werkzaamheden als locatiesupervisor heeft kunnen verrichten.

4.3.

Ten aanzien van de artrose wordt overwogen dat appellante tegenover de verzekeringsarts geen melding heeft gemaakt van klachten van artrose, zodat niet onbegrijpelijk is dat hier geen overwegingen aan gewijd zijn. In bezwaar heeft appellante hier, blijkens het rapport van 19 november 2014, wel melding van gemaakt. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft hier specifiek onderzoek naar verricht en geconstateerd dat er geen bewegingsbeperking kon worden vastgesteld en dat de kracht aan beide handen normaal was. Aangezien appellante evenmin informatie in geding heeft gebracht ten aanzien van de artrose wordt het standpunt van het Uwv dat er geen aanknopingspunten zijn om hiervoor beperkingen aan te nemen in de FML niet onjuist geacht.

4.4.

Voorts wordt appellante niet gevolgd in haar standpunt dat het Uwv informatie had moeten inwinnen bij de behandelend sector. Aangezien er geen behandeling gaande was ten tijde van de beoordeling door de verzekeringsarts (bezwaar en beroep) is niet duidelijk bij wie en om welke reden nadere informatie door het Uwv had moeten worden opgevraagd. Nu ter zitting evenmin hierover duidelijkheid is verkregen, wordt appellante in dat standpunt niet gevolgd.

4.5.

Wat betreft de algemene informatie die appellante heeft overgelegd wordt overwogen dat dit algemene, niet op de individuele situatie van appellante toegesneden informatie betreft, die volgens vaste rechtspraak van de Raad geen gevolgen heeft voor de individuele beoordeling, omdat het niet ziet op de specifieke medische situatie van appellante zelf. Verwezen wordt naar de uitspraak van de Raad van 3 juli 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:2186).

4.6.

Verder wordt de rechtbank gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de eerstejaars ZW-beoordeling ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voor appellante geschikt zijn.

4.7.

Ten aanzien van de arbeidskundige gronden wordt overwogen dat niet de gegevens van www.nationaleberoepengids.nl leidend zijn, maar de informatie als opgenomen in het

Claimbeoordelings- en Borgingssysteem. De door appellante gevolgde opleidingen, als weergegeven in het arbeidskundig rapport van 6 augustus 2014, op grond waarvan het opleidingsniveau is vastgesteld op 6, geven geen aanleiding voor twijfel dat appellante de haar voorgehouden functies niet zou kunnen vervullen.

4.8.

De overwegingen in 4.2 tot en met 4.7 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning, in tegenwoordigheid van J.W.L. van der Loo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2017.

(getekend) M.C. Bruning

(getekend) J.W.L. van der Loo

CVG