Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2142

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-06-2017
Datum publicatie
22-06-2017
Zaaknummer
16/5745 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Straf van onvoorwaardelijk ontslag. Toerekenbaar plichtsverzuim bestaande uit het met betrekking tot de aangifte inkomstenbelasting gedurende meerdere jaren een hoger bedrag aan rente en kosten van geldleningen eigen woning op voeren dan waar wettelijk recht op was en het niet nakomen van andere fiscale verplichtingen. De opgelegde straf is niet onevenredig aan het door appellant gepleegde plichtsverzuim.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2017-1813
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/5745 AW, 16/5746 AW

Datum uitspraak: 15 juni 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

28 juli 2016, 15/4460 en 16/860 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Staatssecretaris van Financiƫn (staatssecretaris)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Adansar, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 mei 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Adansar. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. G.B. Honders, advocaat.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was sinds 1978 werkzaam bij de Belastingdienst, laatstelijk in de functie van [naam functie] te [plaatsnaam] .

1.2.

Tijdens de behandeling van de aangifte inkomensheffing 2012 is gebleken dat appellant een hoger bedrag als kosten eigen woning heeft opgevoerd dan waar hij recht op had. Hij heeft bij de hypotheekrente ook de verzekeringspremies opgeteld, wat heeft geresulteerd in een hogere aftrek. Dit was voor de Belastingdienst reden om de aangiftes over 2011, 2010 en 2009 nader te bezien. Daarop werd geconstateerd dat de aangiftes in die jaren evenmin juist waren ingevuld.

1.3.

Appellant heeft op 6 maart 2014 en op 27 maart 2014 van de belastinginspecteur een verzoek ontvangen om de jaaroverzichten van de hypotheekverstrekkers over de jaren 2012, 2011, 2010 en 2009 te verstrekken. Appellant heeft aan deze verzoeken geen gehoor gegeven. Vervolgens heeft de Belastingdienst het voornemen kenbaar gemaakt om af te wijken van de aangifte 2012 en het voornemen kenbaar gemaakt tot het opleggen van naheffingsaanslagen over de jaren 2009, 2010 en 2011. Appellant heeft zich vervolgens op

2 mei 2014 in een schriftelijke reactie op het standpunt gesteld dat hij de aangifte over 2012 onjuist heeft ingevuld, dat hij instemt met de afwijking van de aangifte en dat hij het niet eens is met de naheffing. Bij besluit van 12 november 2014 is de Belastingdienst overgegaan tot navordering van de inkomstenbelasting over de jaren 2009, 2010 en 2011.

1.4.

Na een voornemen daartoe, waarop appellant zijn zienswijze heeft gegeven, heeft de staatssecretaris bij besluit van 14 april 2015 appellant wegens plichtsverzuim de straf van onvoorwaardelijk ontslag opgelegd, ingaande twee dagen na dagtekening van het besluit. Aan appellant is het volgende verweten:

- dat hij met betrekking tot de aangifte inkomstenbelasting gedurende meerdere jaren (2001 tot en met 2012) een hoger bedrag aan rente en kosten van geldleningen eigen woning heeft opgevoerd dan waar hij wettelijk recht op had. Naast het bedrag aan hypotheekrente heeft hij ten onrechte ook de premie van een verzekering in aftrek gebracht. Dit heeft geleid tot een grotere belastingteruggave dan waar appellant recht op had.

- dat hij heeft nagelaten te reageren op de informatieverzoeken van de belastinginspecteur van 6 en 27 maart 2014. Appellant heeft verzuimd de jaaroverzichten over de jaren 2009 tot

en met 2012 van zijn hypotheekverstrekker te overleggen. Daarmee is appellant zijn fiscale verplichtingen niet nagekomen. De staatssecretaris kwalificeert het plichtsverzuim als zeer ernstig.

1.5.

Bij besluit van 7 januari 2016 (bestreden besluit) heeft de staatssecretaris het bezwaar van appellant tegen het besluit van 14 april 2015 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het ontslagbesluit ongegrond verklaard. Met betrekking tot het strafontslag heeft de rechtbank allereerst vastgesteld dat niet in geschil is dat appellant de hem verweten gedragingen heeft begaan. Voorts stelt de rechtbank vast dat appellant in de aangiften Inkomstenbelasting van 2001 tot en met 2012 een hoger bedrag aan kosten eigen woning heeft opgegeven dan waar hij wettelijk recht op had en hierdoor fiscaal voordeel heeft genoten. Door, zoals appellant stelt, bij de aangifte uit te gaan van schattingen, heeft hij niet de nodige alertheid en verantwoordelijkheid die van hem verwacht mag worden in acht genomen. Door de vooringevulde aangifte in 2012 had het appellant duidelijk kunnen zijn dat hij andere kosten opvoerde en had eigen onderzoek in de rede gelegen. Er is sprake van toerekenbaar plichtsverzuim. Dat geldt evenzeer voor het niet reageren op de brieven van de inspecteur. De staatssecretaris was dan ook bevoegd een disciplinaire straf op te leggen. Gemeten aan de hoge eisen die voor een ambtenaar van de Belastingdienst gelden, is de straf van ontslag niet onevenredig aan de aard en de ernst van het plichtsverzuim. De lange en goede staat van dienst en de grote financiƫle gevolgen voor appellant maken dat niet anders.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellant heeft erkend dat hij de hem verweten gedragingen, bestaande uit het over de jaren 2001 tot en met 2012 opvoeren van een hoger bedrag aan kosten eigen woning bij zijn aangifte inkomstenbelasting dan waar hij wettelijk recht op had, heeft begaan. Ook is vast komen te staan dat appellant de door de inspecteur gevraagde stukken niet heeft aangeleverd.

4.2.

Appellant heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat het niet tijdig antwoorden op de verzoeken van de inspecteur der belastingen van 6 maart 2014 en 27 maart 2014 geen plichtsverzuim oplevert. Hij wordt niet gevolgd in dit standpunt. Door niet te voldoen aan de verzoeken van de belastinginspecteur heeft appellant niet voldaan aan zijn fiscale verplichtingen. Bovendien mag van een ambtenaar in de positie van appellant extra zorgvuldigheid worden verwacht bij het nakomen van een dergelijke verplichting. Het voorgaande wordt niet anders door de verklaring van appellant dat hij het belang van het aanleveren van de stukken niet inzag omdat hij de afwijking van zijn aangifte 2012 accepteerde en hij op 2 mei 2014 alsnog zijn standpunt kenbaar heeft gemaakt.

4.3.

Voor zover appellant heeft willen betogen dat de onjuiste aangiftes over de jaren 2001 tot en met 2008 niet als plichtsverzuim kunnen worden aangemerkt omdat over deze jaren geen naheffingsaanslag is opgelegd, wordt hij in dit betoog niet gevolgd. Hiervoor is van betekenis dat appellant heeft erkend dat hij zijn aangiftes over deze jaren op dezelfde wijze heeft ingevuld als in de jaren 2009 tot en met 2012. Dat hem geen naheffingsaanslag is opgelegd vloeit voort uit de verjaringstermijn van vijf jaar en maakt niet dat het doen van onjuiste aangiftes anders dient te worden gekwalificeerd.

4.4.

Appellant heeft betoogd dat het onjuist invullen van zijn aangiften inkomstenbelasting berust op een door hem gemaakte, niet verwijtbare vergissing die hij in latere jaren heeft herhaald omdat bij controle van zijn aangiftes nimmer is gebleken dat hij die onjuist had ingevuld. Dit betoog slaagt niet. Op grond van de duidelijke en eenduidige toelichting bij het (digitale) aangifteformulier, de beschikbare informatie op de website van de Belastingdienst en de fiscale kennis opgedaan vanuit zijn functie kon appellant ermee bekend zijn dat hij bij de hypotheekrente niet tevens de verzekeringspremies en de kosten van deze verzekering mocht optellen en het totale bedrag als aftrekpost mocht opvoeren en dat deze aftrekpost met schriftelijke bewijsstukken moet kunnen worden onderbouwd. Een mogelijk advies van een hypotheekverstrekker aan appellant om deze kosten als aftrekpost op te voeren ontslaat appellant niet van zijn eigen verantwoordelijkheid. Het feit dat de aangiftes van appellant in eerdere jaren steeds conform zijn opgave zijn vastgesteld, vormt evenmin een rechtvaardiging voor zijn gedrag. Voorts had het appellant na gebruikmaking van de vooringevulde belastingaangifte in 2012 in ieder geval duidelijk moeten zijn dat de vooraf ingevulde bedragen aan de hand van de door de hypotheekverstrekker aan de Belastingdienst verschafte informatie niet overeenkwamen met de door hem jaarlijks ingevulde bedragen en had het, mede gelet op de verhoogde graad van zorgvuldigheid die mag worden verlangd bij het doen van zijn aangifte door een belastingambtenaar, op de weg van appellant gelegen om nadere informatie in te winnen omtrent de voorwaarden van de aftrekbaarheid. Door zulks na te laten heeft appellant bewust het risico aanvaard dat hij (wederom) een onjuiste aangifte inkomstenbelasting zou indienen.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat appellant zich schuldig heeft gemaakt aan toerekenbaar plichtsverzuim. Met de rechtbank is de Raad dan ook van oordeel dat de staatssecretaris bevoegd was om appellant een disciplinaire straf op te leggen.

4.6.

Voor de beoordeling van de evenredigheid van de opgelegde straf van onvoorwaardelijk ontslag is van belang dat met het oog op het aanzien en de geloofwaardigheid van de Belastingdienst hoge eisen mogen worden gesteld aan de integriteit van ambtenaren, in het bijzonder bij het nakomen van hun fiscale verplichtingen. Vanwege deze hoge eisen is de opgelegde straf niet onevenredig te achten aan het door appellant gepleegde plichtsverzuim. Voor de ernst van het plichtsverzuim weegt mee dat het doen van de onjuiste aangiften inkomstenbelasting betrekking heeft op meerdere jaren en appellant daarbij in elk geval voor een deel bewust heeft gehandeld. Hij heeft dan ook onvoldoende besef getoond van zijn maatschappelijke positie als belastingambtenaar. Zijn lange en goede staat van dienst en de persoonlijke gevolgen van het strafontslag voor appellant maken dat niet anders.

5. Uit wat is overwogen onder 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

6. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma als voorzitter en F.M.S. Requisizione en

H. Lagas als leden, in tegenwoordigheid van A. Mansourova als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2017.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) A. Mansourova

HD