Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2141

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-06-2017
Datum publicatie
20-06-2017
Zaaknummer
17/3 AW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terecht oordeel rechtbank dat de CAR/UWO zoals die tot 1 juli 2015 luidde op dit geschil van toepassing is. De overgangsregeling is hier niet van toepassing, omdat op en na 1 juli 2015 geen sprake (meer) was van een aanstelling. Voor de beweerde bedoeling van het college ter ontduiking van de zogenoemde "ketenregeling", is geen enkele onderbouwing te vinden in stukken. Rechterlijke toetsing beperkt tot beantwoording van de vraag of het bestuursorgaan in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat de betrokken ambtenaar niet aan door het bestuursorgaan redelijkerwijs te stellen eisen of verwachtingen heeft voldaan. De Raad beantwoordt die vraag bevestigend. College heeft zich in redelijkheid op dat standpunt kunnen stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 3 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

18 november 2016, 15/5034 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van [gemeente] (college)

Datum uitspraak: 15 juni 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. K.A. Faber, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Namens het college heeft mr. M.J. Kragten, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 mei 2017. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Faber. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. Kragten en W. Sprik.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was vanaf 20 februari 2012 tot 1 januari 2015 op uitzendbasis werkzaam als [naam functie] bij de gemeente [gemeente]. Met ingang van 1 januari 2015 is appellant op grond van artikel 2:4 van de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling/ uitwerkingsovereenkomst (CAR/UWO) aangesteld in tijdelijke dienst bij wijze van proef tot en met 30 juni 2015 als [naam functie]. Daarbij is meegedeeld dat bij goed functioneren een vaste aanstelling zal volgen.

1.2.

Op 14 april 2015 is aan appellant medegedeeld dat de kwaliteit van zijn gesprekken met klanten onvoldoende zijn en dat hij daarbij de scripts niet volgt, terwijl deze onderwerpen reeds twee keer eerder met hem besproken zijn. Bij e-mail van 15 april 2015 heeft appellant een gespreksbevestiging ontvangen.

1.3.

Op 28 mei 2015 heeft het college aan appellant laten weten dat zijn tijdelijke aanstelling bij wijze van proef in de functie van [naam functie] eindigt per 1 juli 2015. Daarbij is verwezen naar de e-mail van 15 april 2015. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 2 november 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Raad overwogen dat de uitzendperiode niet meetelt voor de toepassing van artikel 2:4 van de CAR/UWO, zoals dat artikel luidde tot 1 juli 2015, zodat geen vaste aanstelling is ontstaan. De rechtbank heeft verder overwogen dat appellant de concrete punten van kritiek op zijn functioneren onvoldoende onderbouwd heeft weerlegd.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de periode van uitzendwerk meetelt voor de toepassing van artikel 2:4 van de CAR/UWO, zodat een vaste aanstelling is ontstaan. Appellant meent dat het college de bedoeling heeft gehad aan een vaste aanstelling te ontkomen door hem na de aaneengesloten uitzendperiodes een aanstelling in tijdelijke dienst bij wijze van proef te geven. Voorts heeft appellant aangevoerd dat hij goed functioneerde en derhalve geen grond was voor beëindiging van de aanstelling. Bovendien had hem, voor zover hij niet goed zou functioneren, een verbeterkans moeten worden geboden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tot 1 juli 2015 luidde artikel 2:4 van de CAR/UWO, voor zover hier van belang, als volgt:

1. De aanstelling geschiedt vast of tijdelijk.

2. Vanaf de dag dat de tijdelijke aanstelling een periode van 36 maanden overschrijdt, geldt, met inachtneming van het derde en vierde lid, de laatste aanstelling met ingang van die dag als vaste aanstelling.

(…)

4. In afwijking van het tweede lid geldt bij een tijdelijke aanstelling die is aangegaan voor vervulling van de betrekking bij wijze van proef een maximale termijn van 24 maanden, eventuele verlengingen daarin begrepen.

(…).

Artikel 2:6 van de CAR/UWO luidt vanaf 1 juli 2015 als volgt:
Op aanstellingen die op 1 juli 2015 voldoen aan de voorwaarden van artikel 2:4 (oud), wordt artikel 2:4 (nieuw) pas van toepassing indien een volgende aanstelling wordt aangegaan binnen een periode van ten hoogste zes maanden na het einde van de laatste aanstelling.

4.2.

Omdat appellant tot en met 30 juni 2015 in dienst is geweest, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de CAR/UWO zoals die tot 1 juli 2015 luidde op dit geschil van toepassing is. De overgangsregeling in artikel 2:6 van de CAR/UWO, zoals dat luidt vanaf 1 juli 2015, is hier niet van toepassing, omdat op en na 1 juli 2015 geen sprake (meer) was van een aanstelling.

4.3.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 18 november 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2389) voert het te ver om in het geval dat werkzaamheden zijn verricht op basis van een uitzendovereenkomst als bedoeld in artikel 7:690 van het Burgerlijk Wetboek die aan de tijdelijke aanstellingen zijn voorafgegaan, de uitzendperiode mee te tellen voor de toepassing van een bepaling als het genoemde artikel 2:4, tweede lid, van de CAR/UWO. In wat appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen aanleiding om hierover nu anders te oordelen. Daarbij acht de Raad van belang dat eerst met de inwerkingtreding van het nieuwe artikel 2:4 in de CAR/UWO per 1 juli 2015 is geregeld dat elkaar opvolgende aanstellingen en arbeidsovereenkomsten tussen een ambtenaar en verschillende werkgevers, die, ongeacht of inzicht bestaat in de hoedanigheid of geschiktheid van de ambtenaar, ten aanzien van de verrichte arbeid redelijkerwijs geacht moeten worden elkaars opvolger te zijn.

4.4.

Appellant heeft aangevoerd (onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van

24 oktober 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2181) dat het college de bedoeling had te voorkomen dat hij een vaste aanstelling zou krijgen en hem daarom heeft aangesteld in tijdelijke dienst, ter ontduiking van de zogenoemde “ketenregeling” waarbij appellant ervan uitgaat dat de

in 2:4, tweede lid, van de CAR/UWO opgenomen regeling ook van toepassing is op uitzendkrachten. Zoals overwogen in 4.3 wordt dit uitgangspunt niet gevolgd. Het betoog van appellant treft reeds daarom geen doel. Verder bieden de gedingstukken en het verhandelde ter zitting voor de beweerde bedoeling van het college geen enkele onderbouwing.

4.5.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 2 september 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN6920) is de rechterlijke toetsing van een besluit tot niet voortzetten van een tijdelijke aanstelling na afloop van de proeftijd terughoudend. Deze toetsing is in beginsel beperkt tot de beantwoording van de vraag of, behoudens anderszins strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, het bestuursorgaan in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat de betrokken ambtenaar niet aan door het bestuursorgaan redelijkerwijs te stellen eisen of verwachtingen heeft voldaan. Het bestuursorgaan hoeft niet aan te tonen dat de ambtenaar blijk heeft gegeven van een ongeschiktheid die het ontslag van een in vaste dienst aangestelde ambtenaar zou kunnen rechtvaardigen.

4.6.

Onder verwijzing naar wat de rechtbank hierover heeft overwogen, beantwoordt de Raad die vraag bevestigend. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat uit het dossier voldoende concrete voorbeelden naar voren komt waaruit blijkt dat het functioneren van appellant op onderdelen tekortschoot. Zo wordt gewezen op de in de e-mail van 15 april 2015 genoemde tekortkomingen, waaronder toepassen van het script, wat eerder al als ontwikkelafspraak is genoemd. Dit blijkt onder meer uit de beoordeling over 2013 (met name op de punten werken volgens gespreksstructuur A5 model en werken volgens de afgesproken procedure) en de beoordeling over 2014 (werken volgens A5 model/leidraad, weten waar de klant het over heeft en de scripts erbij pakken). Tenslotte heeft appellant niet weersproken wat het college over zijn functioneren heeft afgeleid uit de meeluistersessies in maart 2015 en uit de gang van zaken rond de “takkenroute”. Het college heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat appellant niet aan de in redelijkheid te stellen eisen of verwachtingen ten aanzien van zijn functioneren heeft voldaan.

4.7.

De Raad onderschrijft ook het oordeel van de rechtbank dat voldoende is komen vast te staan dat het onvoldoende functioneren van appellant op meerdere momenten met hem is besproken.

5. Uit 4.1 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma als voorzitter en F.M.S. Requisizione en

H. Lagas als leden, in tegenwoordigheid van A. Mansourova als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2017.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) A. Mansourova

HD