Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2135

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-06-2017
Datum publicatie
20-06-2017
Zaaknummer
15/6566 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het oordeel van de rechtbank, dat het Uwv op grond van de gegevens uit het rapport werknemersfraude aannemelijk heeft gemaakt dat appellant in de hier van belang zijnde periode van 13 juli 2013 tot en met 5 december 2013 niet in dienst van [uitzendbureau] werkzaam is geweest, wordt onderschreven. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant er niet in is geslaagd om aan de hand van objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk te maken dat hij in de hier van belang zijnde periode werkzaam is geweest in dienst van [uitzendbureau]. Appellant wordt niet gevolgd in zijn standpunt dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met zijn medische situatie en daarom geen zwaarwegende betekenis heeft mogen toekennen aan zijn verklaring van 25 november 2014. Beroep op artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden is niet met (medische) gegevens onderbouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/6566 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

25 augustus 2015, 15/3817 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 7 juni 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.G. Groen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 april 2017. Appellant en mr. Groen zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J.C. van Beek.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is volgens opgave in Suwinet vanaf 13 juli 2013 werkzaam geweest in dienst van uitzendbureau [naam uitzendbureau] . [uitzendbureau] . Op 6 december 2013 is appellant ziek gemeld voor zijn werkzaamheden bij [uitzendbureau] . Met ingang van
9 december 2013 is appellant in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW).

1.2.

Naar aanleiding van een melding van de Inspectie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid dat bij [uitzendbureau] mogelijk sprake is geweest van gefingeerde dienstverbanden heeft een onderzoek plaatsgevonden naar de rechtmatigheid van de aan appellant betaalde ZW-uitkering. In verband met dit onderzoek heeft het Uwv de betaling van de ZW-uitkering met ingang van 24 november 2014 geschorst. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in het rapport werknemersfraude van 16 januari 2015. In dit rapport is op basis van de onderzoeksbevindingen geconcludeerd dat het dienstverband van appellant bij [uitzendbureau] gefingeerd was en dat appellant daarom niet als werknemer verzekerd is geweest voor de ZW.

1.3.

Bij besluit van 21 januari 2015 heeft het Uwv de ZW-uitkering van appellant over de periode van 9 december 2013 tot en met 23 november 2014 ingetrokken. Bij besluit van

27 januari 2015 heeft het Uwv over die periode een bedrag van € 12.272,82 aan volgens het Uwv onverschuldigd betaalde ZW-uitkering van appellant teruggevorderd.

1.4.

Bij besluit van 21 april 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv, voor zover hier van belang, de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 21 januari 2015 (intrekking) en

27 januari 2015 (terugvordering) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank is het onderzoek door het Uwv zorgvuldig en toereikend geweest en heeft het Uwv met de overgelegde gegevens aannemelijk gemaakt dat in het geval van appellant sprake is geweest van een gefingeerd dienstverband bij [uitzendbureau] voorafgaande aan zijn ziekmelding per

6 december 2013. Volgens de rechtbank is appellant er niet in geslaagd om aan de hand van objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk te maken dat dit anders is. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om appellant te volgen in zijn standpunt dat zijn verklaring buiten beschouwing moet worden gelaten wegens zijn medische situatie.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt gehandhaafd dat hij wel werkzaam is geweest bij [uitzendbureau] in de periode van 13 juli 2013 tot en met 5 december 2013. Appellant heeft gewezen op de, in bezwaar overgelegde, verklaringen van zes personen die zijn standpunt onderbouwen. Ook heeft appellant gewezen op de in bezwaar overgelegde foto’s en heeft hij in hoger beroep nog vier foto’s overgelegd waaruit volgens hem blijkt dat hij in de hier van belang zijnde periode werkzaam is geweest voor [uitzendbureau] . Voorts stelt appellant dat de rechtbank de verklaringen van de getuigen [getuige 1] , eigenaar van inlener [naam inlener] , en [getuige 2] , medevennoot en belast met het toezicht op het personeel bij [naam inlener] , niet op juiste wijze heeft meegewogen bij haar beoordeling. Ten slotte heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte geen, althans onvoldoende, rekening heeft gehouden met zijn medische situatie, op grond waarvan hem niet kan worden tegengeworpen dat hij tijdens zijn verhoor bepaalde zaken niet wist of niet wist te benoemen.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Vooropgesteld wordt dat het hoger beroep van appellant uitsluitend is gericht tegen het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de intrekking en de terugvordering van de

ZW-uitkering over de periode van 9 december 2013 tot en met 23 november 2014 op de grond dat sprake is geweest van een gefingeerd dienstverband van appellant bij [uitzendbureau] .

4.2.

Bij besluiten tot intrekking en terugvordering van sociale zekerheidsuitkeringen als hier aan de orde gaat het om belastende besluiten waarbij het aan het bestuursorgaan is om de nodige kennis omtrent de relevante feiten en omstandigheden te vergaren. Die last om informatie te vergaren brengt mee dat het Uwv in het voorliggende geval feiten moet aandragen aan de hand waarvan aannemelijk is dat er in de relevante periode geen sprake is geweest van een dienstbetrekking.

4.3.

Bij de vaststelling van de feiten die van belang zijn voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een dienstbetrekking komt er groot gewicht toe aan processen-verbaal van bevindingen van opsporingsambtenaren en verklaringen van betrokkenen die tegenover bevoegde opsporingsambtenaren zijn afgelegd en ondertekend. Indien op grond van de door het Uwv gepresenteerde feiten aannemelijk is dat de betrokkene ten tijde hier van belang geen dienstbetrekking in de zin van de sociale verzekeringswetten vervulde, dan ligt het op de weg van betrokkene de onjuistheid daarvan met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens, aannemelijk te maken.

4.4.

Het oordeel van de rechtbank, dat het Uwv op grond van de gegevens uit het rapport werknemersfraude aannemelijk heeft gemaakt dat appellant in de hier van belang zijnde periode van 13 juli 2013 tot en met 5 december 2013 niet in dienst van [uitzendbureau] werkzaam is geweest, wordt onderschreven. Daarbij zijn de navolgende gegevens, in onderlinge samenhang bezien, van belang.

4.4.1.

In het rapport werknemersfraude bevinden zich de facturen van [uitzendbureau] aan [naam inlener] , de enige inlener van [uitzendbureau] ten tijde hier in geding, alsmede de aan die facturen ten grondslag liggende manurenregisters. Op geen van deze facturen of manurenregisters staat de naam van appellant of is zijn BSN-nummer vermeld.

4.4.2.

Blijkens het proces-verbaal van verhoor van appellant van 25 november 2014 heeft appellant geen betrouwbare informatie gegeven over zijn vermeende werkzaamheden bij [naam inlener] . Appellant heeft tijdens zijn verhoor verklaard dat hij niet wist met welke bloemen hij werkte. Toen hem een zestal foto’s van bloemen werd getoond, heeft hij de verkeerde bloemsoort aangewezen. Volgens appellant was de bloementuin waar hij werkte met de auto ongeveer veertig minuten van [woonplaats] gelegen, terwijl dat feitelijk zes minuten was. Appellant heeft tijdens zijn verhoor verklaard dat hij voor zijn werk de bloemen sneed en elke tien rozen samenbond met een elastiek, terwijl hij later in het verhoor heeft verklaard dat hij ook schoonmaakte bij [naam inlener] . Ter zitting bij de rechtbank heeft hij echter verklaard dat hij werkte met amaryllissen, maar dat hij niet meer met de bloemen mocht werken omdat hij er te veel kapot maakte. Daarom moest hij onkruid verwijderen en muizengif verspreiden. Appellant heeft tijdens zijn verhoor verklaard dat hij bij [naam inlener] geen prikklok heeft gezien ten behoeve van de urenregistratie, terwijl [getuige 2] en de uitzendkrachten [naam uitzendkracht A] , [naam uitzendkracht B] en [naam uitzendkracht C] daarentegen hebben verklaard dat medewerkers moesten in- en uitklokken.

4.4.3.

Uit het proces-verbaal van verhoor van [getuige 1] van 30 maart 2015 en

[getuige 2] van 1 april 2015 blijkt dat de naam van appellant hun niets zegt. Zij hebben appellant ook niet herkend van een foto als een uitzendkracht bij [naam inlener] . Appellant wordt niet gevolgd in zijn standpunt dat beiden appellant niet zullen hebben herkend omdat er dagelijks tien tot twaalf uitzendkrachten bij [naam inlener] werkten en men elkaar in het voorbijgaan alleen ‘hallo’ of ‘dag’ zei. Indien appellant daadwerkelijk van juli 2013 tot december 2013 bij [naam inlener] had gewerkt zou [getuige 1] of [getuige 2] de naam van appellant wel bekend zijn voorgekomen of zouden ze hem van een foto hebben herkend.

4.5.

Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant er niet in is geslaagd om aan de hand van objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk te maken dat hij in de hier van belang zijnde periode werkzaam is geweest in dienst van [uitzendbureau] .

4.5.1.

Appellant heeft een zestal gelijkluidende verklaringen overgelegd waarin staat vermeld dat de betrokkene in de periode van juli 2013 tot december 2013 met appellant heeft samengewerkt bij [naam inlener] . De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat deze gestandaardiseerde verklaringen te algemeen zijn om als bewijs te dienen dat appellant daadwerkelijk heeft gewerkt bij [naam inlener] .

4.5.2.

Uit de door appellant in bezwaar en in hoger beroep overgelegde foto’s van uitzendkrachten in de bloementuin blijkt evenmin dat appellant in de hier van belang zijnde periode bij [naam inlener] heeft gewerkt, reeds omdat niet duidelijk is waar en wanneer deze foto’s zijn genomen en of appellant op deze foto’s staat.

4.6.

Appellant wordt niet gevolgd in zijn standpunt dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met zijn medische situatie en daarom geen zwaarwegende betekenis heeft mogen toekennen aan zijn verklaring van 25 november 2014. De rechtbank heeft er terecht op gewezen dat appellant bij aanvang van zijn verhoor is gevraagd of hij zich goed voelde en dat hij die vraag toen bevestigend heeft beantwoord en heeft meegedeeld dat het verhoor kon doorgaan. Bovendien blijkt uit het proces-verbaal van verhoor dat appellant voorafgaande aan zijn verhoor telefonisch overleg heeft gehad met zijn advocaat. Ook heeft appellant, na voorlezing van zijn verklaring met behulp van een tolkentelefoon, volhard in zijn verklaring en deze ondertekend.

4.7.

Appellant wordt evenmin gevolgd in zijn stelling dat niet is voldaan aan de uit artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden voortvloeiende eisen van een eerlijk proces. Zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen heeft appellant tijdens de procedure in beroep alle gelegenheid gehad om zich, desgewenst onderbouwd met medische gegevens, te verzetten tegen de onderzoeksbevindingen van het Uwv. Ook in hoger beroep heeft appellant die gelegenheid gehad, maar zijn standpunt niet met (medische) gegevens onderbouwd.

4.8.

Tegen de terugvordering heeft appellant geen afzonderlijke nog te bespreken beroepsgronden aangevoerd.

4.9.

Uit hetgeen in 4.1 tot en met 4.8 is overwogen volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

5. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door E. Dijt als voorzitter en B.M. van Dun en G.A.J. van den Hurk als leden, in tegenwoordigheid van J.W.L. van der Loo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2017.

(getekend) E. Dijt

(getekend) J.W.L. van der Loo

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over de begrippen werkgever, werknemer, dienstbetrekking en loon.

KP