Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2132

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-06-2017
Datum publicatie
20-06-2017
Zaaknummer
16/4111 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk opgelegde ontslag. Het college heeft in redelijkheid kunnen komen tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk opgelegde strafontslag, omdat de drie feiten die daaraan ten grondslag zijn gelegd hebben plaatsgevonden binnen de aan appellante opgelegde proeftijd en zijn aan te merken als soortgelijk plichtsverzuim.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/4111 AW, 16/6390 AW

Datum uitspraak: 15 juni 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van
10 mei 2016, 15/6832 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Wageningen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.J.C. Bindels, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Namens het college heeft mr. V.L.S. van Cruijningen, advocaat, een verweerschrift ingediend en tevens voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.

Het college heeft nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 april 2017. Appellante is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van Cruijningen en R. Berendsen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Voor een uitgebreidere weergave van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.2.

Appellante was sinds 1 februari 2006 werkzaam bij de gemeente Wageningen, laatstelijk in de functie van [naam functie] .

1.3.

Bij besluit van 22 januari 2014 heeft het college aan appellante wegens plichtsverzuim de disciplinaire straf van ontslag opgelegd, onder de voorwaarde dat appellante zich binnen de proeftijd van één jaar vanaf 1 februari 2014 niet opnieuw schuldig maakt aan soortgelijk plichtsverzuim als waarvoor bestraffing plaatsvindt, noch aan enig ander ernstig plichtsverzuim. Deze straf is opgelegd omdat appellante zich schuldig heeft gemaakt aan een schending van twee kernverplichtingen: het voorkomen van (de schijn van) belangenverstrengeling en het met de vereiste zorgvuldigheid omgaan met voor haar toegankelijke privé-informatie van derden. Verder heeft appellante niet meteen openheid van zaken gegeven toen zij werd geconfronteerd met de aan de zijde van het college ontstane twijfel ten aanzien van haar integriteit. Dit besluit staat in rechte vast.

1.4.

Op 6 maart 2015 heeft de officier van justitie aan de burgemeester van Wageningen gemeld dat er een strafrechtelijk onderzoek naar appellante is ingesteld, dat zij op 3 maart 2015 door de politie is aangehouden en in verzekering gesteld op verdenking van witwassen en op 5 maart 2015 in vrijheid is gesteld. Daarbij heeft de officier van justitie tevens vermeld dat appellante ervan wordt verdacht als katvanger te hebben gefungeerd, dat zij heeft aangeboden aan een derde om in het systeem van de gemeente te kijken en dat op haar telefoon een foto is aangetroffen met wachtwoorden van haar collega [X] voor verschillende systemen bij de gemeente Wageningen, onder andere van Suwinet, GWS4all en de GBA.

1.5.

Op 9 maart 2015 vond een gesprek met appellante plaats, waarna haar de toegang tot de dienst is ontzegd. Bij besluit van 23 maart 2015 is appellante geschorst in het belang van de dienst waarbij tevens is besloten haar bezoldiging te verminderen tot 90% van de voor haar geldende bijstandsnorm.

1.6.

In de periode van 21 april 2015 tot en met 4 mei 2015 heeft Hoffmann Bedrijfsrecherche B.V. een onderzoek verricht.

1.7.

Nadat het college het voornemen daartoe bekend had gemaakt en appellante daarop haar zienswijze heeft gegeven en daarover is gehoord, heeft het college bij besluit van 11 juni 2015 primair besloten over te gaan tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk strafontslag. Dit besluit berust op de volgende verwijten:
1. het op 30 oktober 2014 zonder medeweten en zonder toestemming van een collega fotograferen van de gegevens waarmee zij toegang had tot de diverse systemen met vertrouwelijke informatie;
2. het niet melden van het feit op 18 december 2014 als verdachte van strafbare feiten te worden c.q. te zijn gehoord door de politie;
3. het niet melden van de inbeslagname van de diensttelefoon in verband met die verdenking.
Subsidiair is aan appellante te kennen gegeven dat (als de tenuitvoerlegging van het strafontslag geen stand mocht houden) de disciplinaire straf van ongevraagd ontslag wordt opgelegd wegens plichtsverzuim. Daaraan zijn behalve de gedragingen 1 tot en met 3 aanvullend een aantal andere gedragingen ten grondslag gelegd.
4. het niet vooraf of achteraf melden van een uitnodiging voor een verhoor op 3 maart 2015, net zo min als de aanhouding en inverzekeringstelling die daarop zijn gevolgd;
5. het doen van een uitlating met een discriminatoir c.q. racistisch karakter op 1 oktober 2014;
6. het doen van uitlatingen waaruit is af te leiden dat zij bereid is een vriendendienst te verlenen aan iemand die in aanmerking komt of wenst te komen voor een bijstandsuitkering;
7. het thuis bewaren van geld waarvan zij wist althans kon weten dat het niet rechtmatig was verkregen, met als bedoeling c.q. als gevolg dat dit aan het zicht van de fiscus onttrokken bleef en daar dus aannemelijkerwijs ook geen belasting over is betaald;
8. het op haar naam laten zetten en gedurende een aantal maanden laten staan van een auto die in gebruik was bij een ander, met als gevolg dat appellante de verdenking van katvangen en witwassen op zich heeft geladen, wetende dat diegene een beroep deed of mogelijk zou gaan doen op een bijstandsuitkering;
9. het meer dan incidenteel privé gebruiken van e-mail- en internetfaciliteiten;
10. het in strijd met het privacyreglement e-mail- en internetgebruik onderhouden c.q. leggen van contacten met een aanstootgevende, onzedelijke en/of seksueel intimiderende strekking, niet alleen in die zin dat appellante het daarin heeft over de door haar gewenste c.q. uitgevoerde seksuele handelingen en voorkeuren en/of het zich aangetrokken voelen tot de personen in kwestie, maar ook in die zin dat u genoegen uit over het uitoefenen van macht over cliënten;

11. het onder werktijd meer dan redelijk is gedurende een langere tijd en bij herhaling voeren van privégesprekken;
12. het niet vooraf melden van het voornemen nevenwerkzaamheden te verrichten;
13. het gaan en blijven verrichten van werkzaamheden die in strijd zijn met de functioneringsnorm.

1.8.

Bij besluit van 7 oktober 2015 (bestreden besluit), voor zover van belang, heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 23 maart 2015 en 11 juni 2015 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank - samengevat - als volgt overwogen. Het college heeft in redelijkheid kunnen komen tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk opgelegde strafontslag, omdat de drie feiten die daaraan ten grondslag zijn gelegd hebben plaatsgevonden binnen de aan appellante opgelegde proeftijd en zijn aan te merken als soortgelijk plichtsverzuim. Daarbij is van belang dat appellante wisselende en onderling tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd omtrent het fotograferen van de inloggegevens van collega [X] . Bovendien heeft [X] zelf verklaard nimmer toestemming te hebben gegeven voor het maken van een foto van haar inloggegevens, zodat de rechtbank dan ook uitgaat van de eerste door appellante op 16 maart 2015 afgelegde verklaring, namelijk dat zij zonder toestemming een foto heeft gemaakt van de inloggegevens van haar collega. Hiermee is sprake van soortgelijk plichtsverzuim (te weten integriteitsschending) als waarvoor appellante de straf van voorwaardelijk ontslag is opgelegd op 22 januari 2014. Reeds op grond van deze gedraging was het college bevoegd het ontslag ten uitvoer te leggen. Ook het niet melden van het feit dat appellante op 18 december 2014 is gehoord als verdachte en het niet melden dat haar diensttelefoon in beslag is genomen, raakt de integriteit en de mate van openheid van appellante, waarmee wordt geconcludeerd dat sprake is van soortgelijk plichtsverzuim als waarvoor zij op 22 januari 2014 voorwaardelijk is gestraft. De omstandigheid dat appellante zich op 27 februari 2015 heeft gewend tot een vertrouwenspersoon van de gemeente, verontschuldigt haar niet, nu dit pas ruim twee maanden na 18 december 2014 was, terwijl zij - gelet op de eerdere procedure - had moeten beseffen dat zij zich direct tot haar leidinggevende had moeten wenden. Het subsidiair door het college ingenomen standpunt kan gelet hierop verder onbesproken blijven. Er is geen grond voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid gebruik kon maken van zijn bevoegdheid om appellante te schorsen, en haar bezoldiging te verminderen tot 90% van de voor haar geldende bijstandsnorm.

3. Naar aanleiding van wat partijen hebben aangevoerd komt de Raad tot de volgende beoordeling.

3.1.

Het hoger beroep van appellante beperkt zich tot de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk opgelegde ontslag. Appellante wil dat deze tenuitvoerlegging ongedaan wordt gemaakt. Namens appellante is in hoger beroep verwezen naar wat zij reeds in bezwaar en beroep heeft aangevoerd. Voorts stelt zij zich op het standpunt dat zij wat betreft de wijze waarop zij de inlogcodes heeft bemachtigd, niet tegenstrijdig heeft verklaard en dat de rechtbank een onjuiste en onbegrijpelijke uitleg geeft aan de verklaringen neergelegd in het procesdossier. Voorts vindt zij dat de rechtbank waarde had moeten hechten aan het feit dat zij een melding had gedaan bij de integriteitsambtenaar van de gemeente.

3.2.

Deze standpunten zijn in essentie een herhaling van de gronden die zij in beroep heeft aangevoerd. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank deze gronden aan de orde gesteld en overtuigend gemotiveerd waarom deze gronden niet kunnen leiden tot een gegrondverklaring van het beroep. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen en maakt die tot de zijne.

3.3.

Het hoger beroep van appellante slaagt dan ook niet. Dit betekent dat het voorwaardelijke incidenteel hoger beroep van het college geen bespreking meer behoeft. De aangevallen uitspraak komt voor zover aangevochten voor bevestiging in aanmerking.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma als voorzitter en J.J.A. Kooijman en H. Benek als leden, in tegenwoordigheid van A.M. Pasmans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2017.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) A.M. Pasmans

HD