Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2129

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-06-2017
Datum publicatie
19-06-2017
Zaaknummer
15/4582 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken en terugvorderen. Verzwegen inschrijving bij KvK. Uit inschrijving KvK volgt oogmerk betrokkene om zich te vestigen als zelfstandige en daarmee inkomsten te verdienen. Omvang werkzaamheden en inkomsten niet met objectieve en verifieerbare gegevens aangetoond. Boete, normale verwijtbaarheid draagkracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2017/197
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/4582 WWB, 15/4583 WWB, 15/4584 WWB, 17/2016 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 19 mei 2015, 14/3115, 14/3116 en 14/3117 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het dagelijks bestuur van de Regionale Sociale Dienst Kromme Rijn Heuvelrug (dagelijks bestuur)

Datum uitspraak: 6 juni 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. H.A. Rispens, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het dagelijks bestuur op 18 juni 2015 een nieuwe beslissing op bezwaar (nader besluit) genomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 maart 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Rispens. Het dagelijks bestuur is, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving sinds 10 december 2012 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Naar aanleiding van meldingen dat appellante onder meer zou beschikken over inkomen en/of vermogen en betaalde werkzaamheden zou verrichten in het bedrijf van

[naam T] (T), heeft een handhaver van Regionale Sociale Dienst Kromme Rijn Heuvelrug (handhaver) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader heeft de handhaver onder meer dossieronderzoek gedaan, registraties geraadpleegd, waaronder registraties bij de Kamer van Koophandel (KvK), gegevens bij de belastingdienst opgevraagd, appellante verzocht om nadere inlichtingen te verschaffen en op 21 mei 2013 samen met een collega met appellante gesproken. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 24 juni 2013.

1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het dagelijks bestuur aanleiding geweest om bij besluit van 29 juli 2013 (besluit 1) de bijstand met ingang van 10 december 2012 in te trekken, bij besluit van 2 oktober 2013 (besluit 2) de over de periode van 10 december 2012 tot en met

30 april 2013 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 4.365,61 van appellante terug te vorderen en bij besluit van 19 november 2013 (besluit 3) appellante een boete op te leggen van € 3.801,10. De besluitvorming berust op de overweging dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door bij het dagelijks bestuur niet te melden dat zij in voormelde periode bij de KvK geregistreerd stond of heeft gestaan als alleen/zelfstandig bestuurder van meerdere nader genoemde bedrijven en dat als gevolg daarvan het recht bijstand niet is vast te stellen.

1.4.

Bij drie afzonderlijke besluiten van 10 april 2014 (bestreden besluiten 1, 2 en 3) heeft het dagelijks bestuur de bezwaren tegen de in 1.3 vermelde besluiten ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd voor zover dat betrekking heeft op de periode van

10 december 2012 tot 1 maart 2013 en besluit 1 in zoverre herroepen, het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het dagelijks bestuur opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar tegen besluit 2 te nemen en het beroep tegen bestreden besluit 3 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, besluit 3 herroepen en appellant een boete opgelegd van € 1.750,-. Daartoe heeft de rechtbank overwogen geen grond te zien voor het oordeel dat appellante haar inlichtingenverplichting over de periode van 10 december 2012 tot 1 maart 2013 heeft geschonden. Appellante heeft wel haar inlichtingenverplichting geschonden door geen melding te maken van haar inschrijvingen in het handelsregister als zelfstandig bestuurslid bij [naam stichting] met ingang van 1 april 2013 en bij [naam B.V.] met ingang van 1 maart 2013.

3.1.

Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover die uitspraak ziet op de periode vanaf 1 maart 2013.

3.2.

Bij het nader besluit heeft het dagelijks bestuur het bezwaar tegen besluit 2 gegrond verklaard en over de maanden maart en april 2013 een bedrag van € 1.850,74 netto (€ 2.408,31 bruto) van appellante teruggevorderd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Intrekking en terugvordering

4.1.

Het nader besluit wordt, gelet op het bepaalde in de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), mede in de beoordeling betrokken.

4.2.

De hier te beoordelen periode loopt van 1 maart 2013 tot en met 29 juli 2013.

4.3.

Niet in geschil is dat appellante in de periode van 1 maart 2013 tot en met 21 maart 2013 bij de KvK stond geregistreerd als alleen/zelfstandig bevoegd bestuurder van [naam B.V.] en met ingang van 1 april 2013 als alleen/zelfstandig bevoegd bestuurder van [naam stichting] . Appellante heeft bij het dagelijks bestuur geen melding gemaakt van deze inschrijvingen. Een inschrijving bij de KvK is voor de bijstandsverlening een relevant gegeven. Door van de inschrijvingen geen melding te maken bij het dagelijks bestuur heeft appellante daarom de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden.

4.4.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandsbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad. Reeds hierom kan appellante niet worden gevolgd in haar betoog dat het op de weg van het dagelijks bestuur ligt om aannemelijk te maken dat het recht op bijstand niet is vast te stellen.

4.5.

Anders dan appellante heeft aangevoerd, heeft zij met de door haar overgelegde gegevens niet aannemelijk gemaakt dat zij vanaf 1 maart 2013 geen inkomsten heeft genoten en daarom toch recht op bijstand had. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 24 augustus 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN6344), moet uit een inschrijving bij de KvK worden afgeleid dat de betrokkene het oogmerk heeft zich als zelfstandige te vestigen en daarmee inkomsten te verwerven. Appellante heeft over de omvang van haar werkzaamheden en haar verdiensten geen verifieerbare gegevens overgelegd. Door het schenden van de inlichtingenverplichting en het nalaten een administratie bij te houden van haar werkzaamheden heeft appellante zelf het risico genomen dat zij achteraf niet meer zou beschikken over bewijsstukken om de omvang van de werkzaamheden en/of de hoogte van de inkomsten aannemelijk te maken. De gevolgen daarvan dienen voor rekening van appellante te blijven. Appellante heeft weliswaar betoogd dat haar inschrijving als alleen/zelfstandig bevoegd bestuurder van [naam stichting] maar één dag heeft geduurd, maar deze stelling mist feitelijke grondslag en slaagt reeds daarom niet. Uit de gedingstukken blijkt namelijk dat de KvK eerst op 14 november 2013 op verzoek van appellante heeft geregistreerd dat zij op 1 april 2013 is uitgetreden als functionaris van [naam stichting] .

4.6.

Gelet op wat in 4.2 tot en met 4.5 is overwogen, was het dagelijks bestuur op grond van artikel 54, derde lid, van de WWB verplicht om de aan appellante verleende bijstand met ingang van 1 maart 2013 in te trekken. Hieruit volgt dat het dagelijks bestuur op grond van artikel 58, eerste lid, van de WWB ook verplicht was de kosten van bijstand over de periode van 1 maart 2013 tot en met 30 april 2013 terug te vorderen.

4.7.

Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd. Tegen het nader besluit heeft appellante geen zelfstandige gronden aangevoerd, zodat het beroep tegen dat besluit ongegrond zal worden verklaard.

Boete

4.8.

Het college heeft in hoger beroep zijn standpunt over de hoogte van de opgelegde boete verlaten. Het college stelt zich thans op het standpunt dat in het geval van appellante sprake is van normale verwijtbaarheid, wat neerkomt op een boete van 50% van het benadelingsbedrag van € 1.850,74. Reeds hierom dient de aangevallen uitspraak, voor zover de rechtbank daarbij de hoogte van de boete heeft vastgesteld op € 1.750,-, te worden vernietigd.

4.9.

Uit 4.3 volgt dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 21 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2451), brengt dit niet mee dat de schending van de inlichtingenverplichting en het gehanteerde benadelingsbedrag ook in dit geding over de opgelegde boete zonder meer een vaststaand gegeven is, omdat het daarbij gaat om een bestraffende sanctie. In wat appellante heeft aangevoerd bestaat echter geen aanleiding om, in afwijking van wat hiervoor in 4.3 is overwogen, te oordelen dat appellante de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden. Van de schending van de inlichtingenverplichting valt haar ook een verwijt te maken. Gelet hierop was het college in beginsel gehouden met toepassing van artikel 18a van de WWB een boete op te leggen van ten hoogste het vastgestelde benadelingsbedrag.

4.10.

De boete dient te worden bepaald aan de hand van de door de Raad in de uitspraken van 11 januari 2016 (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2016:9), gegeven criteria, die inmiddels zijn neergelegd in de artikelen 2 en 2a van het Boetebesluit sociale zekerheidswetten, zoals dit sinds 1 januari 2017 luidt. Het college is, bij afwezigheid van omstandigheden die een afwijking daarvan naar boven rechtvaardigen, terecht uitgegaan van normale verwijtbaarheid. De beroepsgrond dat het dagelijks bestuur bij het opleggen van de boete had moeten uitgaan van verminderde verwijtbaarheid slaagt niet, reeds omdat appellante deze stelling niet nader heeft onderbouwd.

4.11.

Het college heeft het benadelingsbedrag vastgesteld op € 1.850,74. Appellante heeft dat bedrag niet bestreden. De boete bedraagt daarom in beginsel € 925,37.

4.12.

Appellante heeft ter zitting onweersproken gesteld dat zij beschikt over een inkomen op bijstandsniveau. In dat geval geldt voor de berekening van de op te leggen boete als uitgangspunt dat deze zodanig wordt verlaagd dat de betrokkene, ingeval van normale verwijtbaarheid, bij een fictieve draagkracht gelijk aan de voor beslag vatbare ruimte (als regel 10% van de toepasselijke bijstandsnorm), de opgelegde boete over een in tijd begrensde periode van maximaal twaalf maanden kan voldoen. De bijstandsnorm voor een alleenstaande zonder kosten delende medebewoner bedraagt met ingang van 1 januari 2017 € 982,79. De hoogte van de boete bedraagt in dat geval (12 x 10% van € 982,79 =) € 1.179,35. Gelet hierop bestaat in de financiële omstandigheden van appellante geen aanleiding om de boete verder te matigen dan het bedrag dat in 4.11 is genoemd. De Raad acht een boete van € 925,37 evenredig.

4.13.

Met toepassing van artikel 8:72a van de Awb zal het bedrag van de boete worden vastgesteld op € 925,37.

5. Aanleiding bestaat om het dagelijks bestuur te veroordelen in de kosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 990,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij de rechtbank het bedrag van de boete

heeft vastgesteld op € 1.750,-;

- stelt het bedrag van de boete vast op € 925,37 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de

plaats treedt van het door de rechtbank vernietigde besluit van 10 april 2014 inzake de boete;

- bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor het overige;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 18 juni 2015 ongegrond;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 990,-;

- bepaalt dat het college aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 123,-

vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens als voorzitter en E.C.R. Schut en J.C.F. Talman als leden, in tegenwoordigheid van S.A. de Graaff als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2017.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) S.A. de Graaff

HD