Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2126

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-06-2017
Datum publicatie
19-06-2017
Zaaknummer
15/3840 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken en terugvorderen. Gezamenlijke huishouding. Hoofdverblijf in dezelfde woning. Besluit uitsluitend gebaseerd op berekening van het aantal nachten dat betrokkene in de woning doorbrengt houdt geen stand. Toepassing artikel 6:22 Awb. Overige onderzoeksresultaten bieden voldoende grondslag voor conclusie dat sprake is van gezamenlijk hoofdverblijf in dezelfde woning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/3840 WWB

Datum uitspraak: 6 juni 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van
24 april 2015, 15/207 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst van de gemeenten Assen, Aa en Hunze en Tynaarlo (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. Th. Martens, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 maart 2017. Namens appellant is verschenen mr. Martens. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door

J.W. Heidergott.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant en [naam L] (L) ontvingen vanaf 30 maart 2009 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden. Zij stonden met hun zoon en hun dochter in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (thans: basisregistratie persoonsgegevens) ingeschreven op het adres [adres 1] te [woonplaats] . Op 9 mei 2012 heeft

L gemeld dat zij de gezamenlijke woning heeft verlaten. Met ingang van 18 juni 2012 stond L samen met haar dochter ingeschreven op het adres [adres 2] te [woonplaats] . Het dagelijks bestuur heeft daarop appellant en L met ingang van 9 mei 2012 bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.2.

Op grond van het vermoeden, onder meer gebaseerd op een melding in april 2013 van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, dat appellant met L samenwoont in de woning van L, heeft de Unit Handhaving van de Intergemeentelijke Sociale Dienst van de gemeenten Assen, Aa en Hunze en Tynaarlo onderzoek gedaan naar de rechtmatigheid van de aan appellant en L verleende bijstand. In dat kader is onder meer appellant verhoord op 10 en 11 december 2013, is L verhoord op 10 december 2013 en zijn op 10 en 11 december 2013 buurtbewoners bevraagd.

1.3.

Het dagelijks bestuur heeft in de onderzoeksresultaten aanleiding gezien om bij besluit van 20 augustus 2014 de bijstand van appellant en L over de periode van 1 januari 2011 tot en met 30 november 2013 te herzien en de teveel betaalde bijstand over die periode tot een bedrag van in totaal € 31.291,76 van appellant en L terug te vorderen en mede terug te vorderen. Aan dit besluit heeft het dagelijks bestuur ten grondslag gelegd dat appellant en L niet hebben gemeld dat zij sinds 18 juni 2012 weer een gezamenlijke huishouding voeren en dat appellant sinds 2011 heeft gewerkt als glazenwasser. Het dagelijks bestuur heeft daarom de bijstand van appellant en L met ingang van 18 juni 2012 herzien naar de norm voor gehuwden en vanaf 1 januari 2011 alsnog rekening gehouden met de inkomsten van appellant.

1.4.

Bij besluit van 3 december 2014 (bestreden besluit) heeft het dagelijks bestuur het bezwaar van appellant tegen het besluit van 20 augustus 2014 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit heeft het dagelijks bestuur ten grondslag gelegd dat het bezwaar van appellant zich beperkt tot de periode van 1 juli 2012 tot en met 1 juli 2013 en dat appellant in die periode het merendeel van de nachten heeft doorgebracht in de woning van L en daarmee met L een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd in haar woning.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat uit het onderzoek voldoende is komen vast te staan dat appellant zijn hoofdverblijf had in de woning van L. De verklaringen van appellant, van L en van de buurtbewoners bieden daarvoor een toereikende grondslag.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft

- kort weergegeven - aangevoerd dat de onderzoeksbevindingen geen toereikende grondslag vormen voor de conclusie dat appellant en L in de te beoordelen periode een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt in dit geval van 1 juli 2012 tot 1 juli 2013.

4.2.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.3.

Ingevolge artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht als de betrokkenen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en uit hun relatie een kind is geboren. Nu vaststaat dat uit de relatie van appellant en L een kind is geboren, is voor de beantwoording van de vraag of gedurende de hier te beoordelen periode sprake was van een gezamenlijke huishouding bepalend of appellant en L hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden. Meer in het bijzonder ligt hier de vraag voor of appellant zijn hoofdverblijf had in de woning van L.

4.4.

Appellant en L stonden in de periode in geding niet op hetzelfde adres ingeschreven. Dat gegeven staat echter op zichzelf niet in de weg aan het hebben van een hoofdverblijf in dezelfde woning. Het hoofdverblijf van een betrokkene ligt daar waar zich het zwaartepunt van zijn persoonlijke leven bevindt. Dit dient te worden beoordeeld en vastgesteld aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.

4.5.

Het bestreden besluit is gebaseerd op een berekening van het aantal nachten dat appellant volgens zijn verklaring in de woning van L heeft doorgebracht. Zoals de Raad al vaker heeft overwogen (uitspraken van 27 mei 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1872, en van 19 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1463), komt aan het aantal nachten dat een betrokkene in de desbetreffende woning heeft doorgebracht, geen doorslaggevende betekenis toe. Het bestreden besluit is in zoverre onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd. Dit gebrek kan met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht worden gepasseerd, omdat niet aannemelijk is dat appellant daardoor benadeeld is. De navolgende overwegingen liggen aan dit oordeel ten grondslag.

4.6.

De onderzoeksresultaten bieden een toereikende feitelijke grondslag voor het oordeel dat in de te beoordelen periode het zwaartepunt van het persoonlijk leven van appellant zich bevond in de woning van L. In dat verband zijn met name de eigen verklaringen van appellant en L, zoals aangehaald in de aangevallen uitspraak, van belang. Uit deze verklaringen blijkt niet, anders dan appellant heeft betoogd, dat in de te beoordelen periode sprake is geweest van een opbouw van het verblijf van appellant in de woning van L. Zo heeft appellant verklaard dat hij en L voor de kinderen en de buitenwereld wilden laten zien dat zij een gezin waren en dat zij dat hebben gedaan vanaf het moment dat L over haar woning beschikte. Uit de verklaringen van L volgt dat appellant in de te beoordelen periode dagelijks in de woning van L was en dat zij streefden naar een zo normaal mogelijk gezinsleven. Bovendien heeft appellant - desgevraagd - verklaard dat hij apart van L is gaan wonen om in aanmerking te komen voor een WSNP-traject en dat zij voor de overheid leefden alsof zij gescheiden waren, maar dat zij in werkelijkheid een gezin vormden.

4.7.

De verklaringen van appellant en L worden verder ondersteund door verklaringen van diverse buurtbewoners. Getuige [naam getuige 1] , wonend in de directe omgeving van het adres van appellant, heeft op 11 december 2013 verklaard dat L in de zomer van 2012 heeft gezegd dat zij ging scheiden, dat de feitelijke situatie zo was dat op het adres van appellant niemand meer woonde, dat appellant één keer in de drie of vier weken langskwam op zijn adres en dat gelijk de indruk bestond dat appellant bij L verbleef. Getuige [naam getuige 2] , eveneens wonend in de directe omgeving van het adres van appellant, heeft op 10 december 2013 verklaard dat L in juni/juli 2012 de sleutel kreeg van een ander huis, dat zij appellant daarna niet veel meer hebben gezien op zijn adres, dat L heeft verteld dat appellant is meeverhuisd naar haar adres vanaf juni/juli 2012, dat zij op dat adres samenwonen en dat dit zo was vanwege de schuldsanering. Uit de verklaring van 10 december 2013 van getuige [naam getuige 3] , wonend in de directe omgeving van het adres van L, blijkt dat appellant en L vanaf juli 2012 zijn gaan wonen op het adres van L.

4.8.

De stelling van appellant dat de verklaring van [naam getuige 2] betekenis mist, omdat hij ruzie had met appellant, treft geen doel. De verklaring van [naam getuige 2] ziet op de feitelijke woonsituatie in de hier te beoordelen periode. Voor zover appellant de objectiviteit en daarmee de betrouwbaarheid van die verklaring in twijfel wil trekken, bestaat hiervoor geen grond. Nog daargelaten dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij ruzie had met [naam getuige 2] , is de verklaring van [naam getuige 2] in lijn met de verklaringen van appellant en L zelf en gebaseerd op eigen waarnemingen. De beroepsgrond dat getuige Heeling op 10 december 2013 heeft verklaard dat de woning op het adres van appellant sinds een half jaar niet meer wordt bewoond, kan appellant evenmin baten, reeds omdat daaruit niet volgt dat appellant in de hier te beoordelen periode op zijn adres verbleef.

4.9.

Uit 4.6 tot en met 4.8 volgt dat het dagelijks bestuur terecht aan de besluitvorming ten grondslag heeft gelegd dat appellant in de te beoordelen periode een gezamenlijke huishouding met L heeft gevoerd. Het hoger beroep slaagt daarom niet.

4.10.

Uit 4.1 tot en met 4.9 volgt dat de aangevallen uitspraak, met verbetering van gronden, moet worden bevestigd.

5. Aanleiding bestaat voor een veroordeling van het dagelijks bestuur in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 990,- in beroep en op € 990,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 1.980,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- veroordeelt het dagelijks bestuur in de proceskosten van appellant tot een bedrag van

€ 1.980,-;

- bepaalt dat het dagelijks bestuur het door appellant in beroep en in hoger beroep betaalde

griffierecht van in totaal € 167,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens als voorzitter en E.C.R. Schut en J.C.F. Talman als leden, in tegenwoordigheid van S.A. de Graaff als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2017.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) S.A. de Graaff

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding.

HD