Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2125

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-06-2017
Datum publicatie
20-06-2017
Zaaknummer
15/8535 WUBO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Erkenning als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo. Weigering uitkering en voorzieningen. De psychische klachten van appellante houden weliswaar verband met het meegemaakte oorlogsgeweld, maar hebben niet geleid tot blijvende invaliditeit. Voldoende medische onderbouwing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/8535 WUBO

Datum uitspraak: 1 juni 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.C.M. van Berkel, advocaat, beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 25 november 2015, kenmerk BZ01882053 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Verweerder heeft een nader stuk ingediend. Namens appellante is een schriftelijke reactie ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 april 2017. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van Berkel. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante, geboren in 1941 in het toenmalige Nederlands-Indiƫ, heeft bij verweerder in september 2014 een aanvraag ingediend om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo en om als zodanig in aanmerking te worden gebracht voor een periodieke uitkering en voorzieningen.

1.2.

Bij besluit van 29 mei 2015, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerder appellante erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo. De internering van appellante in de kampen Malino en Kampili en het meemaken van het bombardement op kamp Kampili tijdens de Japanse bezetting zijn komen vast te staan. Verweerder heeft appellante echter niet in aanmerking gebracht voor financiƫle aanspraken op grond van de Wubo en heeft daaraan ten grondslag gelegd dat de psychische klachten van appellante weliswaar verband houden met het meegemaakte oorlogsgeweld, maar niet hebben geleid tot blijvende invaliditeit. Ten aanzien van de bij appellante aanwezige lichamelijke klachten (de ziekte van Parkinson, cognitieve stoornis, blaasklachten en verhoogde bloeddruk) is geoordeeld dat deze klachten niet gerelateerd kunnen worden aan het oorlogsgeweld, maar duidelijk andere oorzaken hebben.

1.3.

In beroep is namens appellante naar voren gebracht dat haar psychische beperkingen zijn onderschat. Verweerder heeft ten onrechte nagelaten informatie in te winnen bij de neuroloog van appellante en de psychiater die appellante heeft bezocht in verband met drie doorgemaakte delieren. Verweerder heeft verder ten onrechte een andere beoordelingssystematiek gehanteerd dan bij de aanvraag van appellante om voorzieningen op grond van de Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR). Appellante baseert zich daarbij op het door de arts G.J. Laatsch verrichte dossieronderzoek.

2. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

2.1.

In beroep is alleen het oordeel van verweerder bestreden dat bij appellante geen sprake is van blijvende psychische invaliditeit in de zin van de Wubo.

2.2.

Van blijvende psychische invaliditeit in de zin van de Wubo is volgens het beleid van verweerder sprake indien de betrokkene beperkingen heeft in minstens twee van de vier aan de American Medical Association (AMA) ontleende rubrieken, te weten (1) dagelijkse activiteiten, (2) sociaal functioneren, (3) concentratie, doorzettingsvermogen en tempo en (4) aanpassing aan stressvolle omstandigheden (stressadaptatie). Deze maatstaf is door de Raad in vaste rechtspraak aanvaard.

2.3.

Het standpunt van verweerder berust op het door geneeskundig adviseur R.J. Roelofs, arts, uitgebrachte advies. Dat advies is opgemaakt na een persoonlijk onderhoud met appellante. Roelofs concludeert dat de psychische klachten van appellante samenhangen met het verblijf in de Bersiapkampen en het meegemaakte bombardement en dat er als gevolg van die klachten alleen geringe tot matige beperkingen zijn in rubriek 4 (stressadaptatie). Daarmee zijn de aanwezige beperkingen als gevolg van het oorlogsgeweld niet zodanig dat er gesproken kan worden van blijvende invaliditeit in de zin van de Wubo. Het advies van Roelofs is in bezwaar door de arts A.J. Maas onderschreven. Ook Maas ziet geen aanleiding informatie op te vragen bij de neuroloog of de psychiater nu niet is betwist dat er geen causaal verband bestaat tussen de ziekte van Parkinson en het oorlogsgeweld en een delirium altijd een somatische oorzaak heeft en van voorbijgaande aard is.

2.4.

De Raad acht het bestreden besluit op grond van deze adviezen deugdelijk voorbereid en gemotiveerd. In de beschikbare gegevens zijn geen aanknopingspunten gevonden om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt dat verweerder op basis van deze adviezen heeft ingenomen.

2.5.

Het rapport van Laatsch, dat door verweerder ter advisering is voorgelegd aan Maas, geeft onvoldoende aanleiding om de bevindingen van Roelofs niet te volgen. Evenmin volgt uit het dossieronderzoek van Laatsch dat verweerder een onjuiste beoordelingssystematiek heeft gehanteerd. Verweerder heeft onder verwijzing naar de vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 19 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1389) voldoende gemotiveerd dat in het kader van de AOR moet worden beoordeeld of sprake is van causale arbeidsongeschiktheid en dat voor deze toets andere, ruimere, maatstaven gelden dan voor de toepassing van de Wubo. De in het kader van deze ruimere maatstaven geduide extra, niet in een van de AMA-rubrieken ondergebrachte, beperking heeft verweerder niet hoeven nopen tot het meewegen van deze beperking bij de beoordeling van de aanvraag van appellante in het kader van de Wubo. Geconcludeerd moet worden dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat bij appellante geen sprake is van blijvende invaliditeit in de zin van de Wubo.

2.6.

Het voorgaande brengt mee dat het bestreden besluit in rechte kan standhouden, zodat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en M.T. Boerlage en

M. Kraefft als leden, in tegenwoordigheid van W.A.M. Ebbinge als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2017.

(getekend) B.J. van de Griend

(getekend) W.A.M. Ebbinge

HD