Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2121

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-06-2017
Datum publicatie
19-06-2017
Zaaknummer
16-4065 WWB
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2016:3596, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststellen vermogen. Vrijkomen vermogen na afwikkeling van de scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap na scheiding. Moment van vaststellen vermogen is niet de datum van feitelijke ontvangst. Bij de aanvangsdatum van de bijstand bestond reeds aanspraak op het vermogen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/4065 WWB, 16/7202 WWB

Datum uitspraak: 13 juni 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

13 mei 2016, 15/3744 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Nissewaard (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. ter Haar-Bas, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het college op 3 juni 2016 een nieuwe beslissing op bezwaar (nader besluit) genomen.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 maart 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Ter Haar-Bas en M.I.F. Nurmohamed. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Berger en L. Julia.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Het college heeft aan appellante met ingang van 1 januari 2013 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) verleend naar de norm voor een alleenstaande ouder in de vorm van een geldlening. Daarbij heeft het college het vermogen van appellante voorlopig vastgesteld op € 349,56 en appellante meegedeeld dat haar vermogen pas kan worden vastgesteld na taxatie van de eigen woning. Appellante was op dat moment verwikkeld in een echtscheidingsprocedure en verkeerde in afwachting van de afwikkeling van de scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap (boedelscheiding) met haar voormalige echtgenoot.

1.2.

Op 11 februari 2014 is de voormalige echtelijke woning van appellante verkocht. Uit die verkoop heeft appellante een bedrag van € 3.630,11 ontvangen. Voorts heeft appellante op

3 maart 2014 een bedrag van € 18.226,- ontvangen uit de afkoop van een beleggingsverzekering.

1.3.

Bij besluit van 7 november 2014 heeft het college, voor zover hier van belang, het vermogen van appellante definitief vastgesteld op een bedrag van € 22.205,67. Het college heeft de vaststelling van het vermogen, zoals vermeld in een bijlage bij dit besluit, als volgt berekend:

“Het vermogen van appellante is per 1 januari 2013 voorlopig vastgesteld op € 349,56 positief.

De volgende vermogensbestanddelen zijn in 2014 ter beschikking gekomen:

-winst uit verkoop € 5.991,61, waarvan een bedrag ter hoogte van € 3.630,11 relevant;

-afkoop beleggingsverzekering ASR, waarvan € 18.226,- relevant, overgemaakt op 3 maart 2014.

De vermogenstoename wordt als volgt per 3 maart 2014 definitief vastgesteld: € 349,56 positief + € 21.856,11 (€ 18.226,- + € 3.630,11) = € 22.205,67 positief.”

1.4.

Bij besluit van 11 mei 2015 (bestreden besluit) heeft het college, voor zover hier van belang, het bezwaar van appellante tegen de definitieve vaststelling van het vermogen ongegrond verklaard. De door appellante over de afkoop van de beleggingsverzekering te betalen belasting heeft college niet in mindering gebracht op het vermogen omdat dit eerst op een later moment dient te worden betaald. De door appellante in verband met haar verhuizing afgesloten lening van € 8.000,- heeft het college evenmin in mindering op het vermogen gebracht omdat nieuwe schulden niet leiden tot extra vermogensruimte.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het college opgedragen een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de definitieve vaststelling van het vermogen van appellante per 1 januari 2013 aan de orde is. Dat in de bijlage van het besluit van 7 november 2014 door het college wordt gesproken van de vaststelling van het vermogen per 3 maart 2014 moet worden aangemerkt als een verschrijving. Het college heeft de door appellante op

5 december 2013 aangegane lening van € 8.000,- en de over 2014 betaalde gemeentelijke heffingen en waterschapslasten van € 355,57 terecht niet op het vermogen in mindering gebracht omdat deze zijn aangegaan en betaald na de datum waarop het vermogen definitief is vastgesteld. Wel heeft het college bij de definitieve vermogensvaststelling ten onrechte geen rekening gehouden met de wegens de afkoop van de beleggingsverzekering verschuldigde belasting, zodat om die reden het bestreden besluit niet in stand kan blijven.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het college bij besluit van 3 juni 2016 (nader besluit) het vermogen van appellante per 1 januari 2013 vastgesteld op een bedrag van € 19.055,67. Daartoe heeft het college het vermogen van appellante berekend door op het bedrag van € 22.205,67 een bedrag van € 3.150,-, te weten de wegens de afkoop van de beleggingsverzekering verschuldigde belasting, in mindering te brengen.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Het nader besluit wordt, gelet op de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht, mede in de beoordeling betrokken.

5.2.

Vaststaat dat appellante vanaf 1 januari 2013 bijstand ontving. Niet in geschil is dat appellante op die datum aanspraak had op haar aandeel in de op dat moment nog onverdeelde boedel. Tussen partijen is niet langer in geschil dat appellante uit de boedelscheiding, voor zover hier van belang, een totaalbedrag van € 18.706,11, zijnde het bedrag van € 3.630,11 uit de verkoop van de woning en van € 15.076,- (€ 18.226,- min € 3.150,-) uit de afkoop van de beleggingsverzekering, heeft ontvangen. Vaststaat verder dat appellante op 1 januari 2013 over een saldo op haar bankrekeningen beschikte van € 349,56. Dit betekent dat het college het vermogen van appellante op 1 januari 2013 op juiste wijze heeft berekend op een bedrag van € 19.055,67.

5.3.

De beroepsgrond dat het college het vermogen van appellante had moeten vaststellen op het moment van de feitelijke ontvangst van de bedragen uit de boedelscheiding op 3 maart 2014 en daarbij rekening had moeten houden met de op dat moment aanwezige schulden, slaagt niet. In dit geval is immers geen sprake van een vermogensaanwas op 3 maart 2014, maar van vermogen van appellante waarop op het moment van aanvang van de bijstand op

1 januari 2013 reeds aanspraak bestond. Bij de vaststelling van het vermogen dient daarom te worden uitgegaan van de datum van 1 januari 2013 (vergelijk de uitspraak van 25 oktober 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4029 en van 16 juni 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BI9946). Daarbij komt dat het college bij de toekenning van de bijstand ook aan appellante heeft meegedeeld dat de definitieve vaststelling van het vermogen nog zou plaatsvinden.

5.4.

Uit 5.3 volgt dat de op 5 december 2013 aangegane lening van € 8.000,- en de over 2014 betaalde gemeentelijke heffingen en waterschapslasten van € 355,57, nu deze dateren van na de peildatum voor het vaststellen van het vermogen op juiste gronden door het college buiten beschouwing zijn gelaten bij de vaststelling van de hoogte van het vermogen.

5.5.

Uit 5.2 tot en met en 5.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd en het beroep tegen het besluit van 3 juni 2016 moet ongegrond worden verklaard.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 3 juni 2016 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door G.M.G. Hink, in tegenwoordigheid van P.W. de Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2017.

(getekend) G.M.G. Hink

(getekend) P.W. de Wit

HD