Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2120

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-06-2017
Datum publicatie
19-06-2017
Zaaknummer
16/400 PW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2015:8109, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken en terugvorderen. Gezamenlijke huishouding. Wederzijdse zorg niet aannemelijk gemaakt. Verschil tussen de handgeschreven en getypte versie van de verklaring van betrokkene.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/400 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 8 december 2015, 15/2225 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Tilburg (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

Datum uitspraak: 13 juni 2017

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Namens betrokkene heeft mr. I.A.C. Cools, advocaat, een verweerschrift en stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 mei 2017. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door F.J.W. de Bruijn. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door

mr. Cools.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Betrokkene ontving bijstand van appellant op grond van de Wet werk en bijstand (WWB), laatstelijk vanaf 18 december 2013 naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 20%. Hij stond in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, thans de Basisregistratie personen, ingeschreven op het [uitkeringsadres] te [woonplaats] (uitkeringsadres). Betrokkene had ten tijde hier van belang een relatie met [V.] (V). Zij stond vanaf 30 augustus 2013 ingeschreven op een adres in [B.].

1.2.

Naar aanleiding van een melding van een frontofficemedewerker van 6 november 2014 dat betrokkene had verklaard dat vrienden een auto voor hem huren tot een bedrag van € 500,- per maand, heeft een toezichthouder, werkzaam bij het team Fraudebestrijding van de gemeente Tilburg (toezichthouder), een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan betrokkene verleende bijstand. In dat kader heeft de toezichthouder dossieronderzoek verricht, diverse registers geraadpleegd en de door betrokkene overgelegde bankafschriften geanalyseerd. De onderzoeksbevindingen hebben bij de toezichthouder het vermoeden doen postvatten dat V bij betrokkene op het uitkeringsadres verbleef. Naar aanleiding daarvan hebben handhavers van de gemeente Tilburg waarnemingen gedaan nabij het uitkeringsadres, gericht op de aanwezigheid van de bij V in gebruik zijnde auto. De toezichthouder heeft voorts, voor zover hier van belang, tezamen met een handhaver op 8 december 2014 een huisbezoek afgelegd aan het uitkeringsadres. Tijdens het huisbezoek hebben betrokkene en V een verklaring afgelegd. Deze is neergelegd in een handgeschreven verslag van diezelfde datum, dat is ondertekend door betrokkene en door de toezichthouder (handgeschreven versie). De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in een rapport Uitkeringsfraude van

15 december 2014, dat door de toezichthouder is ondertekend en door de collega-handhaver voor gezien is ondertekend. In dat rapport is onder andere een weergave van de verklaring van betrokkene en V van 8 december 2014 (getypte versie) opgenomen.

1.3.

De resultaten van het onderzoek zijn voor appellant aanleiding geweest om bij besluit van 18 december 2015, voor zover hier van belang, de aan betrokkene verleende bijstand met ingang van 13 november 2014 in te trekken. Tevens heeft appellant hierin aanleiding gezien om bij besluit van 12 januari 2015 de kosten van de over de periode van 13 november 2014 tot en met 31 december 2014 verleende bijstand van betrokkene terug te vorderen tot een bedrag van in totaal € 1.927,65. Appellant heeft beide besluiten na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 19 februari 2015 (bestreden besluit). Aan de besluitvorming heeft appellant ten grondslag gelegd dat betrokkene en V vanaf 13 november 2014 een gezamenlijke huishouding voerden op het uitkeringsadres. Doordat betrokkene hiervan, in strijd met de op hem rustende inlichtingenverplichting, geen melding heeft gemaakt bij appellant, is betrokkene ten onrechte aangemerkt als zelfstandig subject van bijstand.

1.4.

Appellant heeft betrokkene met ingang van 26 januari 2015, naar aanleiding van een nieuwe aanvraag daartoe, bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit - wat betreft de intrekking met toepassing van de WWB en wat betreft de terugvordering met toepassing van de Participatiewet, die met ingang van 1 januari 2015 in de plaats is gekomen voor onder meer de WWB - gegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe, samengevat, overwogen dat niet is gebleken dat betrokkene en V voorzagen in zorg voor elkaar, zodat niet aan beide criteria van het begrip gezamenlijke huishouding is voldaan. De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd wegens een gebrekkige motivering en appellant opgedragen een nieuw besluit op de bezwaren van betrokkene te nemen.

3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hierbij heeft appellant aangevoerd dat betrokkene en V wel voor elkaar zorgden. Appellant heeft hieraan toegevoegd dat tevens sprake was van een financiële verstrengeling tussen beiden. Appellant heeft zich daarom op het standpunt gesteld dat aan het criterium ‘wederzijdse zorg’ is voldaan.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De hier te beoordelen periode loopt van 13 november 2014 tot en met 31 december 2014.

4.2.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust. Het voorgaande betekent dat appellant aannemelijk dient te maken dat betrokkene en V in de te beoordelen periode een gezamenlijke huishouding met elkaar voerden.

4.3.

Ingevolge artikel 3, derde lid, van de WWB is van een gezamenlijke huishouding sprake, indien twee personen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning (gezamenlijk hoofdverblijf) en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins (wederzijdse zorg). Aan beide criteria moet zijn voldaan. Wederzijdse zorg kan blijken uit een financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in zorg voor elkaar voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het zorgcriterium in een concreet geval is voldaan.

4.4.

Niet in geschil is dat betrokkene en V in de te beoordelen periode gezamenlijk hoofdverblijf hadden op het uitkeringsadres, zodat aan het eerste criterium van een gezamenlijke huishouding is voldaan. Evenmin is in geschil dat betrokkene in die periode voor V zorgde, zoals van belang voor de beoordeling van het tweede criterium. Partijen worden verdeeld gehouden door de vraag of ook V voor betrokkene zorgde.

4.5.

Appellant heeft, ter toelichting op zijn standpunt dat sprake was van wederzijdse zorg op andere dan financiële wijze, er terecht op gewezen dat voor het aannemen van wederzijdse zorg niet noodzakelijk is dat de door ieder van beiden geboden zorg jegens de ander dezelfde omvang en intensiteit heeft.

4.6.

Ter onderbouwing van zijn stelling dat V zorgde voor betrokkene heeft appellant gewezen op de getypte weergave van de verklaring die betrokkene en V tijdens het huisbezoek hebben afgelegd. Daarin is, voor zover hier van belang, vermeld dat betrokkene onder meer het volgende heeft verklaard: V is op het moment van het huisbezoek aanwezig in verband met het feit dat hij een dubbele kaakontsteking heeft; hij en V zorgen voor elkaar ten tijde van ziekte; V neemt wel boodschappen mee als zij bij hem komt.

4.7.

Betrokkene heeft uitdrukkelijk betwist dat hij uitlatingen heeft gedaan zoals onder 4.6 weergegeven. In de handgeschreven versie van de verklaring zijn die uitlatingen niet terug te vinden.

4.8.

Niet in geschil is dat de handgeschreven versie van de verklaring ontoereikend is voor de conclusie dat V voorzag in zorg voor betrokkene, zoals onder 4.3 bedoeld. Anders dan appellant heeft betoogd kunnen in dit geval de in de getypte versie toegevoegde, in 4.6 vermelde, uitlatingen van betrokkene en V niet als grondslag dienen voor het bestreden besluit. De handgeschreven versie bevat een zeer uitgebreide weergave van de verklaring van betrokkene en V. De handgeschreven versie is tijdens of direct na de verklaring opgemaakt en ondertekend door betrokkene en de toezichthouder. Van een juiste weergave van de verklaring kan daarom in beginsel worden uitgegaan. Er bestaat dan ook onvoldoende aanleiding om niet uit te gaan van de verklaring van betrokkene en V zoals in eerste instantie weergegeven in de handgeschreven versie. De getypte versie is eerst een week later opgemaakt en niet ondertekend door betrokkene. Voorts is het rapport wel ondertekend door de toezichthouder en voor gezien ondertekend door de handhaver, maar niet op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt. Onvoldoende aanleiding bestaat daarom om van eerder vermeld uitgangspunt af te wijken

4.9.

Nu appellant zijn standpunt dat betrokkene en V voor elkaar zorgden aanvankelijk enkel op de verklaring van betrokkene heeft gebaseerd, volgt hieruit dat de beroepsgrond, voor zover deze hierop ziet, niet slaagt.

4.10.

Appellant heeft zich voorts nader op het standpunt gesteld dat de wederzijdse zorg blijkt uit een financiële verstrengeling tussen betrokkene en V. Daartoe heeft appellant gewezen op, onder andere in hoger beroep overgelegde, bankafschriften van betrokkene. Daarop is zichtbaar dat betrokkene en V over en weer betalingen voor en aan elkaar hebben verricht. Deze bankafschriften zien echter, zoals niet in geschil is, op een periode gelegen vóór de hier te beoordelen periode. Anders dan appellant heeft betoogd, kan niet zonder meer worden aangenomen dat het patroon, dat volgens appellant uit die afschriften blijkt, zich in de hier te beoordelen periode heeft voorgezet. Die bankafschriften vormen dan ook geen deugdelijke onderbouwing voor het standpunt van appellant dat de financiën van betrokkene en V in de hier te beoordelen periode waren verstrengeld, zoals onder 4.3 bedoeld. Ook in zoverre slaagt de beroepsgrond dus niet.

4.11.

Wat onder 4.1 tot en met 4.10 is overwogen betekent dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.

5. Aanleiding bestaat om appellant te veroordelen in de kosten van betrokkene in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand tot een bedrag van € 990,- (1 punt voor het verweerschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting).

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- veroordeelt appellant in de kosten van betrokkene tot een bedrag van € 990,-;

- bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 503,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door F. Hoogendijk als voorzitter en G.M.G. Hink en J.C.F. Talman als leden, in tegenwoordigheid van C.A.E. Bon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2017.

(getekend) F. Hoogendijk

(getekend) C.A.E. Bon

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding.

HD