Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2113

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-06-2017
Datum publicatie
15-06-2017
Zaaknummer
16/485 IOW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen (IOW) omdat appellant niet voldeed aan de voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/485 IOW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

18 december 2015, 15/1667 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 7 juni 2017

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft een vraag van de Raad beantwoord, waarna beide partijen nadere stukken hebben ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 april 2017. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Nicolai.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant, geboren [in] 1954, is met ingang van 1 oktober 2010 voor de duur van 37 maanden in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). In 2011 heeft appellant met toestemming van het Uwv voor een startperiode van 7 februari 2011 tot en met 7 augustus 2011 werkzaamheden als zelfstandige verricht. In 2012 heeft appellant werkzaamheden verricht op basis van proefplaatsing bij werkgevers zonder loon en met behoud van zijn WW-uitkering (WW1). Met ingang van
16 oktober 2012 heeft appellant gedurende een aantal maanden bij [naam B.V. 1] ([naam B.V. 1]) gewerkt als zzp’er. Met ingang van 3 juni 2013 is WW1 beëindigd omdat appellant toen voor de duur van een jaar in dienst is getreden van [naam B.V. 2]. De arbeidsovereenkomst met deze werkgeefster is niet verlengd, waardoor appellant met ingang van 3 juni 2014 werkloos is geworden. Bij besluit van 1 juli 2014 heeft het Uwv appellant in verband hiermee in aanmerking gebracht voor een WW-uitkering voor de duur van drie maanden (WW2). Na afloop van die termijn is WW1 herleefd, waardoor appellant nog recht had op een WW-uitkering tot en met 31 januari 2015.

1.2.

Appellant heeft op 18 januari 2015 een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen (IOW). Bij besluit van 23 januari 2015 heeft het Uwv afwijzend beslist op deze aanvraag. Bij beslissing op bezwaar van 17 juli 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van

23 januari 2015 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat appellant niet voldeed aan de voorwaarden, genoemd in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder c, van de IOW inzake duurverlenging als bedoeld in artikel 42, tweede lid, van de WW, onderscheidenlijk artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de IOW inzake de vereiste leeftijd van 60 jaar ten tijde van het toekennen van WW1.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het standpunt van het Uwv gevolgd dat appellant niet heeft voldaan aan de voorwaarden voor een duurverlenging van WW2 op grond van artikel 42, tweede lid, van de WW, omdat de inkomsten die appellant in 2012 heeft genoten als zzp’er daarbij niet in aanmerking genomen konden worden. De rechtbank heeft ook het beroep van appellant op het vertrouwensbeginsel verworpen.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep naar voren gebracht dat het werk dat hij in 2012 deed als zzp’er met toestemming van het Uwv geschiedde in het kader van een arbeidsverhouding met [naam B.V. 1] en dat de inkomsten uit die werkzaamheden daarom ten onrechte niet zijn aangemerkt als loon dat in aanmerking genomen had moeten worden voor de bepaling of hij heeft voldaan aan de voorwaarden van artikel 42, tweede lid, van de WW om in aanmerking te komen voor een verlenging van de duur van WW2. Appellant heeft verder zijn beroep op het vertrouwensbeginsel herhaald.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Het Uwv heeft desgevraagd nog naar voren gebracht dat van toestemming voor de zzp-werkzaamheden bij [naam B.V. 1] geen sprake is geweest en ook niet kon zijn, omdat een dergelijke, eenmalige, toestemming voor een startperiode als zelfstandige in 2011 al aan appellant was gegeven.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

Artikel 3 van de IOW luidde ten tijde in geding voor zover van belang als volgt:

1. Recht op uitkering op grond van deze wet heeft de persoon:

a. wiens eerste dag van werkloosheid tussen 30 september 2006 en 1 januari 2020 ligt;

b. die op die dag 60 jaar of ouder is;

c. die op die dag voldeed aan de voorwaarden voor duurverlenging, bedoeld in artikel 42, tweede lid, van de WW, en

d. op wie geen uitsluitingsgrond van toepassing is als bedoeld in artikel 6.

2. Tevens heeft recht op uitkering op grond van deze wet de persoon:

a. die terzake van een eerder recht op uitkering op grond van de WW aan de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, b en c, voldoet;

b. voor wie nadien een nieuw recht op uitkering op grond van de WW is ontstaan terzake waarvan artikel 42b van de WW toepassing heeft gevonden of terzake waarvan voldaan is aan de voorwaarden voor duurverlenging, bedoeld in artikel 42, tweede lid, van de WW, en

c. op wie geen uitsluitingsgrond van toepassing is als bedoeld in artikel 6.

4.1.2.

In artikel 42, eerste lid, van de WW is bepaald dat de uitkeringsduur drie maanden is, te rekenen vanaf de eerste dag waarop het recht op uitkering is ontstaan. Op grond van het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel, voor zover van belang, wordt de uitkeringsduur verlengd, indien de werknemer aantoont in de periode van vijf kalenderjaren onmiddellijk voorafgaande aan het kalenderjaar waarin zijn eerste werkloosheidsdag is gelegen, in ten minste vier kalenderjaren over 52 of meer dagen per kalenderjaar loon te hebben ontvangen onderscheidenlijk over 208 of meer uren per kalenderjaar loon heeft ontvangen, waarbij voor 1 januari 2013 52 of meer dagen bepalend is en vanaf 1 januari 2013 208 of meer uren.

4.1.3.

Op grond van artikel 77a, eerste lid, van de WW kan het Uwv een werknemer toestemming verlenen om gedurende 26 kalenderweken werkzaamheden in de uitoefening van een bedrijf of in de zelfstandige uitoefening van een beroep te verrichten. Op grond van artikel 77a, derde lid, van de WW wordt de werknemer aan wie toestemming is verleend als bedoeld in het eerste lid, geacht werknemer te zijn en te blijven zolang de toestemming duurt.

4.2.

Punt van geschil in hoger beroep is allereerst of appellant op grond van artikel 3, eerste lid, van de IOW in aanmerking kwam voor een IOW-uitkering. In dat kader is uitsluitend aan de orde of is voldaan aan de voorwaarde genoemd onder c. Niet in geschil is dat appellant op grond van artikel 3, tweede lid, niet in aanmerking kwam voor een IOW-uitkering, omdat hij ten tijde van het toekennen van WW1 nog geen 60 jaar was.

4.3.1.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat met ‘loon’ in artikel 42, tweede lid, van de WW is bedoeld: loon dat uit dienstbetrekking wordt genoten. Inkomsten uit
zzp-werkzaamheden zijn geen inkomsten uit dienstbetrekking en kunnen daarom niet in aanmerking worden genomen voor de beoordeling of is voldaan aan de voorwaarden voor verlening van een WW-uitkering.

4.3.2.

Appellant heeft gesteld dat hij de zzp-werkzaamheden voor [naam B.V. 1] uitvoerde met toestemming van het Uwv en dat uit artikel 77a, derde lid, van de WW volgt dat hij voor de duur van die toestemming werknemer is gebleven. Appellant heeft desgevraagd naar voren gebracht dat hij de toestemming telefonisch heeft aangevraagd en dat uit het feit dat hij inkomstenformulieren heeft ingevuld, die uitgaan van en bestemd zijn voor situaties waarin sprake is van een arbeidsverhouding en van een werkgever, blijkt dat die toestemming is verleend.

4.3.3.

Naar aanleiding van dit betoog van appellant wordt vooropgesteld dat appellant voor het verrichten van de werkzaamheden als zelfstandige voor [naam B.V. 1] geen toestemming van het Uwv nodig had. Dit zou slechts anders zijn, indien appellant die werkzaamheden zou hebben verricht in het kader van de zogenoemde startersregeling. Daarvan is echter geen sprake geweest. Dat appellant een verzoek om toestemming heeft ingediend om in verband met zijn werkzaamheden bij [naam B.V. 1] (opnieuw) van de startersregeling gebruik te kunnen maken is niet gebleken, noch dat het Uwv deze toestemming heeft verleend. Het feit dat appellant inkomstenformulieren heeft ingediend bij het Uwv die door het Uwv zijn geaccepteerd betekent niet dat het Uwv daarmee de door appellant gestelde toestemming heeft gegeven. Daar komt nog bij dat appellant in 2011 al gebruik had gemaakt van de startersregeling en dat toestemming daarvoor slechts eenmaal voor (ten hoogte) 26 kalenderweken verleend kan worden. Het vorenstaande laat voorts onverlet dat de inkomsten als zzp’er voor de toepassing van artikel 42, tweede lid, van de WW niet als loon kunnen worden aangemerkt. Dit volgt, anders dan appellant veronderstelt, ook niet uit artikel 77a, derde lid, van de WW.

4.4.1.

Appellant heeft ter onderbouwing van zijn beroep op het vertrouwensbeginsel gewezen op een in de bezwaarprocedure overgelegde verklaring van een consulente werk en inkomen van de gemeente Dalfsen, gedateerd 19 juni 2014 (lees: 2015), waarin is gesteld dat zij appellant op 14 oktober 2014 heeft gesproken over zijn uitkeringssituatie na afloop van de WW-uitkering in februari 2015 en dat zij toen en in het bijzijn van appellant heeft gebeld met het Uwv om te informeren naar de mogelijkheid van een IOW-uitkering voor appellant. Volgens de verklaring van deze consulente heeft de medewerkster van het Uwv toen gezegd dat appellant bij blijvende werkloosheid na afloop van zijn WW-uitkering in aanmerking zou komen voor een IOW-uitkering. Ter zitting van de Raad heeft appellant gezegd dat hij bedoeld telefoongesprek via de speaker heeft gevolgd en dat de consulente en de
Uwv-medewerkster alle voorwaarden voor de IOW-uitkering zijn nagegaan en hebben besproken. De Uwv-medewerkster had volgens appellant op basis van zijn burgerservicenummer de beschikking over alle gegevens met betrekking tot zijn arbeidsverleden en werkzaamheden.

4.4.2.

In de door het Klanten Contact Centrum van het Uwv van dit telefoongesprek opgestelde notitie staat slechts dat is geïnformeerd naar de procedure voor het aanvragen van een IOW-uitkering. Dat ook is besproken of appellant voldeed aan de voorwaarden om na afloop van zijn WW-uitkering voor een IOW-uitkering in aanmerking te komen en dat daarop van de kant van het Uwv positief is gereageerd blijkt daaruit niet. Verder is van belang dat uit de door appellant overgelegde verklaring niet blijkt op grond van welke informatie de gestelde toezegging is gedaan. Met name is onduidelijk of de betreffende medewerkster van het Uwv wist dat appellant niet als werknemer, maar als zelfstandige had gewerkt bij [naam B.V. 1]. Appellant kan zich dat niet herinneren, zo heeft hij ter zitting te kennen gegeven. Onder deze omstandigheden kan het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slagen.

4.5.

Uit 4.3.1 tot en met 4.4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.

5. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E. Dijt als voorzitter en B.M. van Dun en G.A.J. van den Hurk als leden, in tegenwoordigheid van J.W.L. van der Loo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2017.

(getekend) E. Dijt

(getekend) J.W.L. van der Loo

CVG