Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2112

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-06-2017
Datum publicatie
15-06-2017
Zaaknummer
15/7981 WAJONG
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Exportverbod Wajong-uitkering. De echtgenoot van appellante was niet wegens zijn psychische gezondheid genoodzaakt te verhuizen naar Turkije. De gedingstukken bieden geen steun voor het standpunt dat de gezondheid van de echtgenoot dermate ernstig is dat hij bij geen enkele vorm van therapie in Nederland baat heeft. Hij heeft slechts één behandelaar gehad terwijl de Nederlandse gezondheidszorg diverse andere therapeuten en vormen van therapie te bieden heeft. GZ-psycholoog Steynis heeft vermeld bij de echtgenoot subjectief pathologische heimwee te zien. Mogelijk was de echtgenoot van appellante in Nederland niet goed op zijn plek en is hij in Turkije gelukkiger. Om die reden zal Steynis geschreven hebben dat de echtgenoot geholpen zou zijn met een terugkeer naar Turkije. Dit betreft geen objectieve en dwingende noodzaak voor de echtgenoot om naar Turkije te verhuizen zoals bedoeld is in artikel 2, aanhef en onder c, van de Beleidsregels. Niet gebleken is dat appellante volledig afhankelijk is van haar echtgenoot of dat er in Nederland geen anderen zijn die appellante kunnen helpen. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen is er geen sprake van een uitzonderlijke situatie en zal eindiging van het recht op Wajong-uitkering bij een verhuizing naar Turkije – uitgaande van wat appellante aan haar verzoek ten grondslag heeft gelegd – niet leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/7981 WAJONG

Datum uitspraak: 7 juni 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

27 oktober 2015, 15/1358 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. K. Aslan, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 april 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Aslan. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
T. van der Weert.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is met ingang van 16 december 2000 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Op 15 oktober 2014 heeft zij toestemming gevraagd om met behoud van uitkering met haar echtgenoot en kinderen naar Turkije te verhuizen. Bij besluit van 12 december 2014 is dit verzoek afgewezen.

1.2.

Bij besluit van 22 mei 2015 (bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van

12 december 2014 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe is overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep terecht heeft vastgesteld dat het voor de echtgenoot niet medisch noodzakelijk was zich in Turkije te vestigen.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante herhaald dat zij voor haar verzorging volledig afhankelijk is van haar echtgenoot. Appellante is sociaal-emotioneel kwetsbaar, haar omgang met problemen is zorgelijk en ze heeft een zeer lage intelligentie. Haar echtgenoot was genoodzaakt naar Turkije te verhuizen omdat hij een depressieve stoornis heeft waar in Nederland geen goede therapie voor is. De echtgenoot van appellante is onder behandeling geweest bij GZ-psycholoog drs. B. Th. Steynis. Hij heeft in zijn brief van 5 maart 2014 gesteld dat hij de prognose van het herstel van echtgenoot objectief positief inschat, maar dat er subjectief sprake is van pathologische heimwee naar Turkije en dat er als zodanig sprake is van acculturatie- en enculturatieproblematiek. Behandeling in Nederland is zinloos gebleken. De echtgenoot heeft het advies van zijn therapeut gevolgd en is naar Turkije verhuisd. Nu volgt hij met succes therapie in Turkije. Appellante heeft een brief van de Turkse specialist

dr. Ş. Karayağiz van 8 maart 2016 in geding gebracht. Deze specialist heeft uiteengezet dat sinds de terugkeer naar Turkije de klachten gedeeltelijk verbeteren, maar dat de depressieve klachten voortduren omdat de eenheid van het gezin niet gerealiseerd kan worden. De reden van vertrek van de echtgenoot was volgens appellante objectief en dwingend van aard, maar leidde tot totale ontwrichting bij haar. Zij woont nu bij haar moeder waar nauwelijks contact mee is. Het enige wat appellante zou helpen is met behoud van uitkering naar Turkije te verhuizen om zich te herenigen met haar echtgenoot en kinderen.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1.1.

Artikel 3:19, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wajong bepaalt dat het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering eindigt met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin de jonggehandicapte buiten Nederland is gaan wonen. Het Uwv kan dit zogeheten exportverbod van een Wajong-uitkering op grond van het negende lid van dit artikel (de zogeheten hardheidsclausule) buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing, gelet op het belang van het eindigen van het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering indien de jonggehandicapte buiten Nederland gaat wonen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

4.1.2.

In het Besluit Beleidsregels voortzetting Wajong-uitkering buiten Nederland (Stcrt.

2 mei 2003, nr. 84, blz. 17 en gewijzigd bij Stcrt. 18 augustus 2010, nr. 12828, blz. 1; de Beleidsregels) is in artikel 2 bepaald dat van een onbillijkheid van overwegende aard sprake is indien de jonggehandicapte zwaarwegende redenen heeft om buiten Nederland te gaan wonen en naar verwachting als gevolg van het beëindigen van het recht op arbeidsondersteuning of arbeidsongeschiktheidsuitkering aanmerkelijk nadeel zal ondervinden. Als zwaarwegende redenen worden in ieder geval aangemerkt:

a. het ondergaan van een medische behandeling van enige duur;

b. het aanvaarden van arbeid met enig re-integratieperspectief;

c. het volgen van de woonplaats van degene(n) van wie de jonggehandicapte voor zijn verzorging afhankelijk is en die genoodzaakt is om buiten Nederland te gaan wonen.

4.1.3.

In de toelichting bij de Beleidsregels is vermeld dat de hardheidsclausule steeds aan de hand van de omstandigheden van het individuele geval moet worden toegepast en er ook in andere dan de drie hiervoor genoemde situaties grond kan zijn voor toepassing van de hardheidsclausule. Daarom moet in alle gevallen beoordeeld worden of sprake is van zwaarwegende redenen en of het beëindigen van de uitkering een aanmerkelijk nadeel betekent. In de toelichting op de Beleidsregels is verder bepaald dat de redenen waarom de verzorgende personen buiten Nederland gaan wonen objectief en dwingend van aard moeten zijn, en dus niet in overwegende mate gebaseerd op een eigen keuze.

4.2.

Het exportverbod van de Wajong-uitkering is uitgangspunt en de hardheidsclausule kan slechts in uitzonderlijke situaties toepassing vinden. Vaststaat dat de situatie als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder a en b, van de Beleidsregels niet van toepassing is. In geding is de vraag of de echtgenoot van appellante wegens zijn psychische gezondheid genoodzaakt was te verhuizen naar Turkije.

4.3.1.

De Raad beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe dat de gedingstukken geen steun bieden voor het standpunt dat de gezondheid van de echtgenoot dermate ernstig is dat hij bij geen enkele vorm van therapie in Nederland baat heeft. Hij heeft slechts één behandelaar gehad terwijl de Nederlandse gezondheidszorg diverse andere therapeuten en vormen van therapie te bieden heeft. GZ-psycholoog Steynis heeft vermeld bij de echtgenoot subjectief pathologische heimwee te zien. Mogelijk was de echtgenoot van appellante in Nederland niet goed op zijn plek en is hij in Turkije gelukkiger. Om die reden zal Steynis geschreven hebben dat de echtgenoot geholpen zou zijn met een terugkeer naar Turkije. Dit betreft geen objectieve en dwingende noodzaak voor de echtgenoot om naar Turkije te verhuizen zoals bedoeld is in artikel 2, aanhef en onder c, van de Beleidsregels.

4.3.2.

Niet gebleken is dat appellante volledig afhankelijk is van haar echtgenoot of dat er in Nederland geen anderen zijn die appellante kunnen helpen. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen is er geen sprake van een uitzonderlijke situatie en zal eindiging van het recht op Wajong-uitkering bij een verhuizing naar Turkije – uitgaande van wat appellante aan haar verzoek ten grondslag heeft gelegd – niet leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

5. Uit 4.1.1 tot en met 4.3.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe als voorzitter en F.M.S. Requisizione en

A.T. de Kwaasteniet als leden, in tegenwoordigheid van B. Dogan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2017.

(getekend) M. Greebe

(getekend) B. Dogan

GdJ