Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2107

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-06-2017
Datum publicatie
15-06-2017
Zaaknummer
15/3395 WIA
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2015:2079, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Resterende verdiencapaciteit. Op grond van het overwogene onder 5.1 tot en met 5.4 wordt geoordeeld dat op basis van een praktische schatting de mate van arbeidsongeschiktheid van werknemer op een hoger percentage dan 79,98 moet worden gesteld en in ieder geval boven de 80 ligt. Daarbij is een percentage van 85%, zoals valt af te leiden uit de rapporten van de arbeidsdeskundigen ... , een schatting die de realiteit zo goed mogelijk benadert. Nu het Uwv heeft erkend dat de beperkingen van werknemer duurzaam van aard zijn, betekent dit dat werknemer aanspraak heeft op een IVA-uitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2017-0144
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/3395 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 21 november 2014, 14/6180 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[naam B.V.], gevestigd te [vestigingsplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

[naam werknemer] te [N.] (werknemer).

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.P.M. van Zijl, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Werknemer heeft te kennen gegeven aan het geding te willen deelnemen en heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.M. Dielemans-Buiteman.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante en het Uwv hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 september 2016. Voor appellante zijn verschenen mr. Van Zijl en P. Poppelaars. Het Uwv was vertegenwoordigd door

M.J.H. Maas. Tevens was aanwezig R. van de Kamer, arbeidsdeskundige, die door appellante was meegenomen. Werknemer is – zoals schriftelijk is aangekondigd – niet verschenen.

Na de zitting is het onderzoek heropend en is appellante verzocht de kosten van de door haar ingeschakelde deskundigen te onderbouwen en te specificeren.

Appellante heeft bij brief van 29 november 2016 aan dit verzoek voldaan.

Van de zijde van het Uwv is hierop niet gereageerd.

Met toestemming van partijen is een nader onderzoek ter zitting achterwege gelaten.

OVERWEGINGEN

1. Werknemer, die in dienst van appellante gedurende 40 uur per week als coördinator servicedesk werkzaam was, staakte zijn werkzaamheden op 16 februari 2012 als gevolg van cardiale en neurologische gezondheidsklachten. In februari 2013 is werknemer in het bedrijf van appellante werkzaamheden gaan verrichten in een voor hem gecreëerde en aangepaste functie als backofficemedewerker. In de loop van de daarop volgende maanden heeft werknemer het aantal uren dat hij deze werkzaamheden verrichtte, geleidelijk uitgebreid. Vanaf augustus 2013 verrichtte hij deze werkzaamheden omstreeks 20 uur per week; daarbij werkte hij drie dagen op het hoofdkantoor van appellante en twee dagen thuis. Met ingang van april 2014 heeft hij zijn werkzaamheden teruggebracht naar 12 uur per week. Na ommekomst van de wachttijd van 104 weken (13 februari 2014) had appellante nog geen beloning voor de aangepaste werkzaamheden van werknemer vastgesteld, zoals onder meer blijkt uit het arbeidskundig rapport van 23 januari 2014 en het primaire besluit van

7 februari 2014. Het betaalde salaris bedroeg blijkens de betreffende salarisspecificatie per

1 april 2014 en de daarop volgende maanden € 322,50 per maand.

2.1.

Uit de verzekeringsgeneeskundige gegevens, zoals vastgelegd in de (kritische) Functionele Mogelijkhedenlijsten (FML) van 13 januari 2014 en 4 augustus 2014, komt onder meer naar voren dat werknemer bij veel prikkels sneller vermoeid raakt en een lager werktempo heeft, dat hij bij het spreken beperkt is door een zachte stem en stotteren, dat hij een toetsenbord met zijn linkerhand slechts in een traag tempo met één vinger kan bedienen en dat hij maximaal vier uur aaneengesloten kan werken. In verband met genoemde beperkingen, die de verzekeringsarts bezwaar en beroep als van duurzame aard beschouwt, is werknemer niet langer geschikt voor de maatgevende functie van coördinator servicedesk en beschikt hij evenmin over een theoretische verdiencapaciteit. Wel wordt hij in staat geacht tot het verrichten van de door hem feitelijk ter hand genomen aangepaste werkzaamheden als back-office medewerker gedurende twintig uur per week zonder tempoverlies.

2.2.

Bij besluit van 7 februari 2014 heeft het Uwv aan werknemer met ingang van

13 februari 2014 een loongerelateerde WGA-uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 37,45%. In dat besluit is vermeld dat de uitkering als voorschot wordt betaald, omdat het Uwv nog niet beschikt over een opgave van het SV-loon van werknemer en de inkomsten worden geschat op € 2.890,58 per maand. In bezwaar heeft appellante aangevoerd dat slechts het salaris van een administratief medewerker van € 2.150,- per maand past bij de voor werknemer gecreëerde functie, terwijl de output van werknemer in deze functie 50% was en het aantal gewerkte uren naar twaalf was aangepast. Gelet op de gerealiseerde loonwaarde van werknemer – door appellante gesteld op 9% – en de duurzaamheid van de medische beperkingen, heeft appellante verzocht aan hem een IVA-uitkering toe te kennen.

2.3.

De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, G.H. de Haan, heeft na overleg met appellante aan de aangepaste werkzaamheden bij een volledige werkweek een loonwaarde van € 2.150,- in plaats van € 2.890,58 per maand toegekend. Uitgaande van een maatmaninkomen van

€ 3.600,- per maand, heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in zijn rapport van

28 augustus 2014 op grond van een uurloonvergelijking de mate van arbeidsongeschiktheid van werknemer op omstreeks 68% geschat. Daarbij is hij ervan uitgegaan dat werknemer de aangepaste arbeid gedurende twintig uur per week zonder tempoverlies in vergelijking met een gezonde administratief medewerker verricht. Bij besluit van 29 augustus 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellante tegen het besluit van 7 februari 2014 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid van werknemer alsnog op 68% is vastgesteld.

3. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Tevens zijn beslissingen gegeven over proceskosten en griffierecht. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat – zoals het Uwv ter zitting heeft erkend – de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep bij de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid van een onjuist bedrag van het maatmaninkomen per uur is uitgegaan, namelijk van € 16,58 in plaats van

€ 26,58. Om die reden dient de mate van arbeidsongeschiktheid van werknemer niet op 68%, maar op 79,98% bepaald te worden. Voorts heeft de rechtbank, gelet op de medische en arbeidskundige gegevens, aangenomen dat werknemer op de datum in geding feitelijk gedurende twintig uur per week een evenredig deel van het loon van € 2.150,- per maand van een administratief medewerker verdiende en dat deze inkomsten een reële afspiegeling van zijn resterende verdiencapaciteit vormden. De rechtbank heeft dan ook geconcludeerd dat de afwijzing van het verzoek van appellante om aan werknemer een IVA-uitkering toe te kennen stand houdt. Daarbij heeft de rechtbank de opvatting van arbeidsdeskundige Van de Kamer, die op verzoek van appellante had gerapporteerd, verworpen; deze arbeidsdeskundige is van opvatting dat de verrichte werkzaamheden gedurende twintig uur een forse overschrijding van de belastbaarheid van werknemer vormden, omdat in de praktijk was gebleken dat hij deze werkzaamheden niet meer dan twaalf uur per week kon verrichten en dat bovendien zijn productiviteit veel lager (omstreeks 50%) was dan de productiviteit van een gezonde werknemer.

4.1.

Appellante houdt in hoger beroep staande dat de werkzaamheden die werknemer op

13 februari 2014 feitelijk verrichtte, naar hun omvang niet passend waren en dat de inkomsten van een gezonde administratief medewerker met een werkweek van twintig uur niet representatief voor zijn resterende verdiencapaciteit zijn. Een werkweek van twintig uur overschrijdt in haar opvatting de belastbaarheid van werknemer, terwijl bij het verrichten van die werkzaamheden een aanzienlijk tempoverlies optreedt. Daarbij heeft appellante gewezen op door haar in het geding gebrachte rapporten van de arbeidsdeskundige Van de Kamer. Deze acht een tempoverlies van omstreeks 50% aanwezig als gevolg van de medische beperkingen van werknemer bij het bedienen van een toetsenbord en de uitwendige prikkels, waardoor werknemer sneller vermoeid is en een lager werktempo heeft. Voorts heeft appellante haar standpunt onderbouwd met een rapport, waarin de arbeidsdeskundige

R. Laenen de loonwaarde van de door werknemer verrichte werkzaamheden volgens de zogeheten Dariuz-methodiek heeft gemeten. Laatstgenoemde arbeidsdeskundige heeft

– uitgaande van een werkweek van twintig uur – de arbeidsprestatie van werknemer vergeleken met een arbeidsprestatie die regulier en gangbaar is in de functie van administratief medewerker. Op basis van dat onderzoek is de conclusie dat de werkprestatie van werknemer op 58,2% en de loonwaarde op € 675,70 moeten worden vastgesteld. Hiervan uitgaand heeft arbeidsdeskundige Van de Kamer in een nader rapport van 20 mei 2016 geconcludeerd dat de mate van arbeidsongeschiktheid van werknemer 85% bedraagt.

4.2.

Het Uwv heeft de juistheid van het standpunt van appellante bestreden, onder meer met een beroep op de rapporten van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep C. de Haas. Daarbij is gesteld dat werknemer zijn werkzaamheden in een prikkelarme setting of een prikkelarm te maken setting uitvoert, zodat de in de FML opgenomen medische beperking, inhoudende dat werknemer bij veel prikkels sneller vermoeid raakt en een lager werktempo heeft, niet tot een lager werktempo behoeft te leiden. Voorts heeft deze arbeidsdeskundige gesteld dat met toetsenbord en muis in te voeren data grotendeels met de rechterhand kan gebeuren, terwijl bij langere teksten gebruik gemaakt zou kunnen worden van sneltoetsen en standaardteksten. Ten slotte is gewezen op de mogelijkheid voor appellante en werknemer om de resultaten van een onderzoek volgens de Dariuz-methodiek te beïnvloeden.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

In dit geval berust de schatting onder toepassing van artikel 9, aanhef en onder h en i, van het Schattingsbesluit op de werkzaamheden die werknemer in het bedrijf van appellante op

13 februari 2014 feitelijk verrichtte en het daarmee feitelijk verdiende loon. Daarbij is van belang de vraag of de betreffende werkzaamheden passend kunnen worden geacht voor werknemer en, daarmee samenhangend, of de genoten verdiensten als representatief voor zijn resterende verdiencapaciteit kunnen worden aangemerkt. Verwezen wordt naar de door de Raad ter zake ontwikkelde rechtspraak, zoals onder meer neergelegd in de uitspraak van

18 maart 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP8481.

5.2.

In de eerste plaats is niet gebleken dat appellante het loon van werknemer op de in de geding zijnde datum 13 februari 2014 had vastgesteld op een maandloon van € 1.075,- op basis van een werkweek van twintig uur. Het arbeidskundig rapport van 28 augustus 2014 vermeldt slechts dat de werkgever desgevraagd het niveau van de werkzaamheden op

€ 2.150,- per maand inschatte en dat het precieze bedrag uit de door appellante aan te passen loonstrook per het beoordelingsmoment nog zou moeten blijken. Daarnaast had werknemer reeds op 17 april 2014 aan het Uwv doorgegeven dat zijn salaris niet € 645,-, maar € 322,50 per maand bedroeg, omdat slechts een belastbaarheid van 50% moest worden verloond.

5.3.

Voorts is onvoldoende komen vast te staan dat een maandloon van € 1.075,- een reële afspiegeling van de resterende verdiencapaciteit van werknemer vormde. Dit bedrag is het inkomen dat een vergelijkbare gezonde administratieve medewerker in een werkweek van twintig uur verdient. In vergelijking met een dergelijk gezond persoon ondervond werknemer echter een aantal niet geringe medische beperkingen bij het verrichten van die werkzaamheden. De aard van die werkzaamheden, zoals die feitelijk werden uitgevoerd, zijn door de arbeidsdeskundige Van de Kamer onderzocht. Uit zijn beschrijving en analyse van die werkzaamheden komt het volgende naar voren. Deze werkzaamheden waren zeker niet zonder externe, storende prikkels. Belangrijk onderdeel van de werkzaamheden is het “monitoren van calls”. Dit houdt in dat de taak van werknemer afhangt van de input die door het bedrijf van appellante via de verschillende media wordt ontvangen en die daarmee een stevig aantal prikkels genereert. Bij het uitvoeren van die taak moet frequent tussen verschillende beeldschermen worden geschakeld. Verder moet er worden gecommuniceerd per email, per telefoon of in direct contact met collega’s. Daarnaast spelen omgevingsgeluiden een rol, terwijl het werken alleen in een kamer een adequate vervulling van de taken bemoeilijkt. Bij het verrichten van veel van deze werkzaamheden dient frequent van toetsenbord en muis gebruik gemaakt te worden, waarbij door de zeer beperkte mogelijkheid om de linkerhand te gebruiken vertraging optreedt. Gegeven de medische beperkingen van werknemer heeft arbeidsdeskundige Van de Kamer met een beroep op de aard van deze werkzaamheden inzichtelijk onderbouwd dat voor werknemer een aanzienlijk tempoverlies optrad. Die bevindingen van arbeidsdeskundige Van de Kamer worden in hoofdzaak bevestigd door de loonwaardemeting van de arbeidsdeskundige Laenen.

5.4.

Tegenover het aldus gestaafde standpunt van appellante heeft het Uwv geen onderbouwde exacte gegevens over het loon en de loonwaarde van de werkzaamheden die werknemer op de datum in geding verrichtte ingebracht. Eveneens ontbreekt een arbeidskundige analyse van de wijze waarop werknemer in de praktijk zijn werkzaamheden met inachtneming van zijn beperkingen verrichtte. De arbeidsdeskundigen van het Uwv zijn uitgegaan van informatie die appellante aanvankelijk op grond van haar eerste ervaringen had verstrekt, maar waarvan zij later is teruggekomen. Hetgeen van de kant van de arbeidsdeskundige van het Uwv aan suggesties voor aanpassing van de werksituatie naar voren is gebracht, draagt een speculatief karakter en is niet geënt op de feitelijke werksituatie. Die suggesties gaan daarom voorbij aan de uit artikel 9, aanhef en onder h, van het Schattingsbesluit gestelde voorwaarde dat wordt uitgegaan van de arbeid die feitelijk wordt verricht. Ten slotte is er geen grond om aan te nemen dat appellante of haar werknemer de uitkomsten van het onderzoek volgens de Dariuz-methode op ongewenste wijze (bijvoorbeeld door bewuste onderprestatie) zouden hebben beïnvloed ten einde tot een hogere mate van arbeidsongeschiktheid te komen. Dit strookt niet met de wens van appellante en werknemer om tot een optimale re-integratie van werknemer na het ontstaan van de ernstige aandoeningen van de gezondheid van werknemer te komen.

6.1.

Op grond van het overwogene onder 5.1 tot en met 5.4 wordt geoordeeld dat op basis van een praktische schatting de mate van arbeidsongeschiktheid van werknemer op een hoger percentage dan 79,98 moet worden gesteld en in ieder geval boven de 80 ligt. Daarbij is een percentage van 85%, zoals valt af te leiden uit de rapporten van de arbeidsdeskundigen Van de Kamer en Laenen, een schatting die de realiteit zo goed mogelijk benadert. Nu het Uwv heeft erkend dat de beperkingen van werknemer duurzaam van aard zijn, betekent dit dat werknemer aanspraak heeft op een IVA-uitkering.

6.2.

Dit betekent dat het hoger beroep van appellante slaagt en de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voor zover deze is aangevochten. Voorts ziet de Raad aanleiding met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht het primaire besluit van 7 februari 2014 te herroepen en te bepalen dat werknemer met ingang van 13 februari 2014 in aanmerking komt voor een IVA-uitkering op grond van de Wet WIA.

7. De Raad zal het Uwv veroordelen in de kosten die appellante in verband met verleende rechtsbijstand in hoger beroep heeft moeten maken, zijnde € 990,-. Voorts zal de Raad het Uwv veroordelen in de kosten van de ingeschakelde deskundige Van de Kamer, die door appellante in de brief van haar gemachtigde van 29 november 2016 zijn begroot op

€ 1.509,43. Tenslotte zal het Uwv worden veroordeeld in de kosten van het door Laenen uitgebrachte rapport van € 464,39. De rechtbank heeft het Uwv al veroordeeld in de kosten voor rechtsbijstand in beroep, zodat deze kosten niet opnieuw voor vergoeding in aanmerking komen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

  • -

    herroept het besluit van 7 februari 2014;

  • -

    bepaalt dat werknemer met ingang van 13 februari 2014 in aanmerking komt voor een IVA-uitkering en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van

29 augustus 2014;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 2.963,82;

  • -

    bepaalt dat het Uwv aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 497,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen als voorzitter en H.G. Rottier en H. van Leeuwen als leden, in tegenwoordigheid van L.H.J van Haarlem als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2017.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) L.H.J van Haarlem

IvR