Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2103

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-06-2017
Datum publicatie
19-06-2017
Zaaknummer
15/6652 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1. Aanvraag terecht buitenbehandeling gesteld. Betrokkene drie maal in de gelegenheid gesteld gegevens in te leveren. Uitstel verzoek op laatste dag hersteltermijn terecht afgewezen. 2. Afwijzen aanvraag. Voldoende feitelijke grondslag voor de conclusie dat betrokkene zijn hoofdverblijf niet had op het opgegeven adres.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/6652 WWB, 15/8566 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Den Haag van

1 september 2015, 15/1785, en 25 november 2015, 15/5156 (aangevallen uitspraken)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

Datum uitspraak: 6 juni 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. dr. drs. P.H.J. Körver, advocaat, hoger beroepen ingesteld.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 maart 2017. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. dr. drs. Körver. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door D.L. Swart.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving in de periode van 4 april 2012 tot 1 november 2013 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). De bijstand van appellant is beëindigd in verband met een uitschrijving uit de gemeentelijke basisadministratie (GBA, thans basisregistratie personen) op het [adres 1] te [woonplaats]. Sinds 9 juli 2014 staat appellant ingeschreven op het [opgegeven adres] te [woonplaats] (opgegeven adres).

1.2.

Op 24 juli 2014 heeft appellant zich gemeld om bijstand aan te vragen. Naar aanleiding hiervan heeft het college bij brieven van 29 juli 2014, 16 september 2014 en 9 oktober 2014 appellant gevraagd afschriften van alle betaal- en spaarrekeningen over te leggen van de afgelopen twaalf maanden en een schriftelijke verklaring waarvan appellant de afgelopen twaalf maanden heeft geleefd. Appellant diende deze stukken uiterlijk op 16 oktober 2014 over te leggen. Hierbij heeft het college appellant erop gewezen dat het niet tijdig of niet volledig inleveren van de gevraagde informatie ertoe kan leiden dat zijn aanvraag niet in behandeling wordt genomen. Appellant heeft hierop een aantal bankafschriften over de maanden september 2013 tot en met december 2013 en over de maanden januari, februari, juli en augustus 2014 overgelegd. Op 15 oktober 2014 heeft appellant telefonisch aan het college om uitstel gevraagd en op 21 oktober 2014 heeft hij alsnog een aantal ontbrekende bankafschriften van zijn betaalrekening overgelegd.

1.3.

Bij besluit van 20 oktober 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 23 februari 2015 (bestreden besluit 1), heeft het college met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de aanvraag buiten behandeling gesteld op de grond dat appellant niet heeft voldaan aan het verzoek om uiterlijk 16 oktober 2014 ontbrekende gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag over te leggen.

1.4.

Op 26 oktober 2014 en op 24 december 2014 heeft appellant zich nogmaals gemeld voor het aanvragen van bijstand. In dat verband hebben medewerkers van de Afdeling Bijzonder Onderzoek van de gemeente Den Haag (handhavingsmedewerkers) met appellant gesprekken gevoerd op 4 december 2014 en 6 januari 2015. Na het gesprek van 6 januari 2015 hebben de handhavingsmedewerkers aansluitend een huisbezoek afgelegd aan het opgegeven adres. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 7 januari 2015, waaruit de conclusie is getrokken dat de woonsituatie niet overeenkomstig de opgave van appellant is.

1.5.

In de onderzoeksresultaten heeft het college aanleiding gezien om bij besluiten van

26 januari 2015 en 27 januari 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van

8 juni 2015 (bestreden besluit 2), de aanvragen van appellant af te wijzen. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant onvolledige inlichtingen over zijn woonsituatie heeft gegeven en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak van 1 september 2015, 15/1785 (aangevallen uitspraak 1), heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard.

2.1.

Bij de aangevallen uitspraak van 25 november 2015, 15/5156 (aangevallen uitspraak 2), heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraken gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Aangevallen uitspraak 1

4.1.

Artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen. Van een onvolledige of ongenoegzame aanvraag is onder andere sprake indien onvoldoende gegevens of bescheiden worden verstrekt om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken. Gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb gaat het daarbij om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

4.2.

Niet in geschil is dat appellant niet tijdig, ook niet na een geboden hersteltermijn, alle door het college opgevraagde stukken heeft overgelegd.

4.3.

Appellant heeft het geconstateerde verzuim verwijtbaar niet binnen de gestelde termijn hersteld. Weliswaar heeft appellant op 15 oktober 2014, de laatste dag van de hersteltermijn, aan het eind van de middag nogmaals bij het college om uitstel verzocht voor het indienen van de gevraagde gegevens, maar het college heeft dit uitstelverzoek in redelijkheid mogen afwijzen. Daarbij is van belang dat appellant reeds drie keer in de gelegenheid is gesteld de gevraagde gegevens aan te leveren.

4.4.

Appellant heeft verder betoogd dat hij ten tijde van de aanvraag in een slechte gezondheid verkeerde, waardoor hem niet kan worden aangerekend dat hij niet tijdig de gevraagde stukken heeft overgelegd. Deze grond slaagt evenmin, reeds omdat uit de door appellant overgelegde verklaring van zijn huisarts niet blijkt dat hij niet in staat was om de bankafschriften over te leggen. Het gegeven dat de dochter van appellant mantelzorg aan haar vader verleent maakt dit niet anders.

4.5.

Ook het gegeven dat appellant in het kader van een latere aanvraag alsnog de gevraagde gegevens heeft overgelegd, maakt niet dat het college de aanvraag in behandeling had moeten nemen. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 28 september 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN9403) brengt de aard en inhoud van een primair besluit tot het buiten behandeling stellen van een aanvraag mee dat in beginsel geen betekenis toekomt aan gegevens of bescheiden die na het primaire besluit zijn verstrekt. Van dat uitgangspunt kan worden afgeweken indien het gegevens of bescheiden betreft waarvan zou moeten worden aangenomen dat belanghebbende niet in staat is geweest om ter zake informatie binnen de gestelde termijn te verstrekken. Uit 4.3 en 4.4 volgt reeds dat hiervan in het geval van appellant geen sprake is.

4.6.

Op grond van het vorenstaande kan worden geconcludeerd dat aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb is voldaan, zodat het college bevoegd was de aanvraag van appellant buiten behandeling te stellen. In wat appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

Aangevallen uitspraak 2

4.7.

In geval van een aanvraag om bijstand loopt de door de bestuursrechter te beoordelen periode in beginsel vanaf de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen tot en met de datum van het besluit op die aanvraag. Dit betekent dat in dit geval eerst de te beoordelen periode loopt van 26 oktober 2014 tot en met 26 januari 2015. Ter zitting is vastgesteld dat met betrekking tot de aanvraag van 24 december 2014 de beoordeling zich beperkt tot 27 januari 2015.

4.8.

Het gaat in dit geding om een besluiten tot afwijzing van een aanvraag om bijstand. Bij aanvragen om bijstand rust de bewijslast van de bijstandbehoevendheid in beginsel op de aanvrager zelf. De aanvrager dient duidelijkheid te verschaffen over zijn woon-, leef- en inkomenssituatie.

4.9.

De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De betrokkene is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de betrokkene niet aan de inlichtingenverplichting voldoet, is dat een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg van het niet nakomen van die verplichting het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.10.

Anders dan appellant stelt, bieden de bevindingen van het onderzoek een toereikende grondslag voor het standpunt van het college dat appellant niet zijn hoofdverblijf had op het opgegeven adres. Zo heeft appellant niet consistent verklaard over de indeling van de kledingkast in de kamer waar hij zegt te slapen. Verder heeft hij aanvankelijk verklaard dat hij alleen slaapt, terwijl hij later heeft verklaard dat zijn kleinzoon af en toe bij hem op de kamer slaapt. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is geweest van communicatieproblemen. Bij beide gesprekken op 4 december 2014 en 6 januari 2015 was zijn zoon aanwezig die als tolk fungeerde. Verder hingen de persoonlijke verzorgingsproducten van appellant in een tasje aan een kapstok in de gang. Appellant heeft verklaard dat hij in de maand december 2014 ook bij zijn zussen in [A.] en [B.] heeft geslapen en bij zijn zoon in [C.], en soms ook in [D.], doch hij heeft daarbij niet aangegeven wanneer en hoe vaak hij daar heeft verbleven.

4.11.

Appellant heeft, gelet op wat onder 4.10 is overwogen, geen volledige informatie over zijn woonadres verschaft. Appellant is daarmee tekortgeschoten in de nakoming van de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet (PW) op hem rustende inlichtingenverplichting. Daardoor is niet vast te stellen of appellant in de hier te beoordelen periode verkeerde in omstandigheden zoals bedoeld in artikel 11 van de PW.

4.12.

Uit 4.1 tot en met 4.11 volgt dat de hoger beroepen niet slagen, zodat de aangevallen uitspraken dienen te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.

De uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van M.S. Spek als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2017.

(getekend) A.B.J. van der Ham

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

HD