Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2100

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-06-2017
Datum publicatie
15-06-2017
Zaaknummer
15/4934 WMO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat een splitsing dient te worden gemaakt tussen het tijdvak van voor de aanvraag van 18 oktober 2013 en het tijdvak daarna. Geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden vermeld voor aanvraag. Geen noodzaak voor pgb omdat betrokkene sinds juni 2010 een eigen, aangepaste en functionele auto bezat. Raad ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien door aan betrokkene voor gebruik van de eigen auto een bedrag toe te kennen over de periode van 18 oktober 2013 tot en met 31 oktober 2016.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 4:6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2017/153
AB 2017/260 met annotatie van C.W.C.A. Bruggeman
USZ 2017/251
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/4934 WMO

Datum uitspraak: 7 juni 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 4 juni 2015, 14/2113 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de erven van [A.] (betrokkene) te [woonplaats] (appellanten)

het college van burgemeester en wethouders van Roermond (college)

PROCESVERLOOP

Namens betrokkene heeft mr. E.H.J. van Gerven, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift en desgevraagd een nader stuk ingediend. Van de zijde van betrokkene is op het verweerschrift gereageerd.

Betrokkene is op 1 november 2016 overleden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 november 2016. Namens appellanten is verschenen mr. M. Peeters, kantoorgenoot van mr. Van Gerven. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. van Loo en C.M. van Leeuwen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Betrokkene heeft op 6 juli 2001 op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) een vervoersvoorziening aangevraagd in de vorm van aanpassing van een nog aan te schaffen auto.

1.2.

Bij besluit op bezwaar van 22 juli 2009 heeft het college – na diverse gerechtelijke procedures over de aan betrokkene bij besluiten van 22 februari 2002 (voor wat betreft de Wvg) en 15 februari 2007 (voor wat betreft de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) toegekende vervoersvoorziening (zie de uitspraken van de Raad van 2 augustus 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AY6884 en 6 mei 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BI6866 en ECLI:NL:CRVB:2009:BI5274) – de bezwaren van betrokkene tegen de besluiten van genoemde data gegrond verklaard en aan betrokkene een rolstoeltaxikostenvergoeding toegekend van € 95.710,44 voor de periode van 6 juli 2001 tot en met 6 mei 2009. Voor de periode vanaf 7 mei 2009 heeft het college een rolstoeltaxikostenvergoeding beschikbaar gesteld voor 3000 rolstoeltaxikilometers op jaarbasis en op declaratiebasis. Het college heeft € 25.632,60 aan wettelijke rente vergoed. Het verzoek om immateriële schadevergoeding heeft het college afgewezen.

1.3.

De rechtbank heeft bij uitspraak van 15 december 2009, nr. 09/1162, het beroep van betrokkene tegen het besluit van 22 juli 2009 ongegrond verklaard. De Raad heeft de uitspraak van 15 december 2009 bij uitspraak van 13 april 2011 (ECLI:NL:CRVB:2011:BQ2074) vernietigd, het beroep gegrond verklaard, het besluit van 22 juli 2009 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 22 juli 2009 geheel in stand blijven. Verder heeft de Raad het college veroordeeld tot vergoeding aan betrokkene van de schade ten gevolge van de overschrijding van de redelijke termijn ten bedrage van € 4.500,- en het verzoek om schadevergoeding voor het overige afgewezen.

1.4.

Bij geschrift van 18 oktober 2013 heeft betrokkene het college onder meer verzocht ten aanzien van de toegekende individuele vervoersvoorziening alsnog met terugwerkende kracht uitvoering te geven aan de artikelen 6 en 6a van de Wmo.

1.5.

Bij besluit van 13 januari 2014 heeft het college het in 1.4 genoemde geschrift opgevat als een verzoek om het besluit van 22 juli 2009 te herzien en dat verzoek, onder verwijzing naar artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), afgewezen.

1.6.

Bij beslissing op bezwaar van 26 mei 2014 heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 13 januari 2014 ongegrond verklaard. Het college stelt zich op het standpunt dat geen redenen aanwezig zijn om terug te komen van het besluit van 22 juli 2009, omdat door betrokkene geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn aangevoerd die zouden moeten leiden tot een herziening van het besluit van 22 juli 2009.

1.7.

Bij de rechtbank heeft betrokkene het verzoek van 18 oktober 2013 nader toegelicht. Betrokkene heeft vanaf 22 juli 2009 nimmer gebruik gemaakt van de rolstoeltaxikostenvergoeding. In juni 2010 heeft zij een auto (Mercedes Sprinter) aangeschaft die geheel is aangepast aan haar beperkingen. Daarom is zij niet meer gebaat bij de rolstoeltaxikostenvergoeding maar wel bij een vergoeding die voorziet in de kosten van de auto en het aantal daarmee te maken kilometers. Haar verzoek moet worden opgevat als een verzoek om de vervoersvoorziening zoals toegekend bij besluit van 22 juli 2009 om te zetten naar een persoonsgebonden budget (pgb), primair vanaf 22 juli 2009, subsidiair vanaf 1 januari 2010 en meer subsidiair vanaf 18 oktober 2013.

1.8.

De rechtbank heeft het college in de gelegenheid gesteld de aldus nader geduide aanvraag van betrokkene inhoudelijk te beoordelen. Bij besluit van 6 februari 2015 heeft het college de aanvraag om vergoeding van de kosten van de eigen aangepaste auto en het aantal te maken kilometers met toepassing van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) afgewezen.

2.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen de beslissing op bezwaar van 26 mei 2014 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat het besluit van 6 februari 2015 een beslissing op bezwaar betreft en het beroep met toepassing van artikel 6:19 van de Awb mede gericht geacht tegen het besluit van 6 februari 2015, dit beroep gegrond verklaard en dit besluit vernietigd. De rechtbank heeft het college opgedragen binnen zes weken na het gezag van gewijsde verkrijgen van haar uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.

2.2.

De rechtbank heeft geoordeeld dat een splitsing moet worden aangebracht in de periode voorafgaande aan de datum van de aanvraag en de periode na de datum van de aanvraag. Ten aanzien van de beslissing op bezwaar van 26 mei 2014, waarin het college een oordeel heeft gegeven over de periode voorafgaand aan de aanvraag van 18 oktober 2013, heeft de rechtbank geoordeeld dat in wat betrokkene heeft aangevoerd geen zogeheten nova liggen besloten. Wat zij heeft aangevoerd had reeds in een eerder stadium tegen het oorspronkelijke besluit kunnen worden aangevoerd. De aan haar toegekende vervoersvoorziening is door de Raad als passend en compenserend aangemerkt en de toekenning daarvan heeft formele rechtskracht. Nu geen nova aan het herzieningsverzoek van betrokkene van 18 oktober 2013 ten grondslag lagen, bestonden geen gronden om een terugkomen van het oorspronkelijk genomen besluit te rechtvaardigen. Het college heeft de afwijzing van het verzoek voor de periode voorafgaande aan de aanvraag derhalve terecht gehandhaafd.

2.3.

Ten aanzien van het besluit van 6 februari 2015 heeft de rechtbank geoordeeld dat het college de aanvraag ten onrechte heeft getoetst aan de bepalingen van de Wmo 2015. Verder heeft de rechtbank onder verwijzing naar de artikelen 6 en 6a van de Wmo overwogen dat het college ten onrechte heeft nagelaten betrokkene vanaf 18 oktober 2013 een keuzemogelijkheid te bieden tussen het ontvangen van een voorziening in natura of het ontvangen van een hiermee vergelijkbaar en toereikend pgb.

3. In hoger beroep heeft betrokkene (kort samengevat) aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte is uitgegaan van twee beslissingen op bezwaar. Verder bestrijdt betrokkene dat sprake is van een herhaalde aanvraag. Het college had de aanvraag van 18 oktober 2013 moeten kwalificeren als een aanvraag als bedoeld in de artikelen 27, 30 en 33 van de Verordening voorzieningen Wmo Roermond 2012 (Verordening). De rolstoeltaxikostenvergoeding acht betrokkene niet passend en compenserend en evenmin de goedkoopste oplossing. Het college had haar, gelet op het bepaalde in de artikelen 6 en 6a van de Wmo, over de periode vóór 18 oktober 2013 een keuzemogelijkheid moeten bieden. Het college zou alsnog een pgb moeten toekennen voor de aanschaf van de aangepaste auto alsmede voor het laten rijden van die auto.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad stelt vast dat het college bij besluit van 13 januari 2014, gehandhaafd bij beslissing op bezwaar van 26 mei 2014, de aanvraag van betrokkene uitsluitend heeft opgevat als een verzoek om terug te komen op het besluit van 22 juli 2009. Gedurende de procedure bij de rechtbank is duidelijk geworden dat betrokkene met haar aanvraag tevens een beoordeling heeft beoogd voor de periode vanaf 18 oktober 2013 en dat het door het college genomen besluit op de aanvraag onvolledig is geweest. Het college heeft daarop het besluit van 6 februari 2015 genomen. De Raad is van oordeel dat beide besluiten tezamen de beslissing op bezwaar (bestreden besluit) tegen het besluit van 13 januari 2014 vormen.

4.2.

De rechtbank heeft dit miskend, zodat de aangevallen uitspraak geen stand kan houden. Doende wat de rechtbank had behoren te doen, komt de Raad tot de volgende beoordeling.

4.3.

De Raad heeft in zijn uitspraak van 13 april 2011 geoordeeld over de door het college bij besluit van 22 juli 2009 aan betrokkene toegekende vervoersvoorziening voor enerzijds de periode van 6 juli 2001 tot en met 6 mei 2009 en anderzijds de periode vanaf 7 mei 2009. Vaststaat dat het college de aan betrokkene toegekende financiële tegemoetkoming op declaratiebasis nimmer heeft ingetrokken. Dat betrokkene zelden een declaratie heeft ingediend doet daar niet aan af. Nu betrokkene met terugwerkende kracht tot uiterlijk 22 juli 2009 een pgb voor een vervoersvoorziening wenst, kan de aanvraag van 18 oktober 2013
– anders dan betrokkene meent – voor wat betreft het verleden niet anders worden opgevat dan als een verzoek om terug te komen van het besluit van 22 juli 2009.

4.4.

Bij uitspraak van 20 december 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:4872) heeft – ook – de Raad zijn rechtspraak over de toetsing door de bestuursrechter van besluiten op een herhaalde aanvraag of een verzoek om terug te komen van een besluit gewijzigd. In een geval als het voorliggende, waarin het bestuursorgaan toepassing geeft aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, betekent dit dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn.

4.5.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat een splitsing dient te worden gemaakt tussen het tijdvak van voor de aanvraag van 18 oktober 2013 en het tijdvak daarna.

Het tijdvak van 22 juli 2009 tot en met 17 oktober 2013

4.6.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat betrokkene bij haar aanvraag van 18 oktober 2013 geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft vermeld in de zin van artikel 4:6 van de Awb. De namens betrokkene aangevoerde argumenten hadden immers ook al tegen het besluit van 22 juli 2009 kunnen worden aangevoerd. In deze argumenten wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre evident onredelijk is.

Het tijdvak na 18 oktober 2013

4.7.

Het college heeft voor het tijdvak na 18 oktober 2013 besloten de aanvraag met toepassing van de Wmo 2015 af te wijzen. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het college de aanvraag had dienen te toetsen laatstelijk aan de hand van de op 26 mei 2014 geldende wettelijke bepalingen. Nu het college dat niet heeft gedaan komt het bestreden besluit in zoverre voor vernietiging in aanmerking.

4.8.

De Raad zal met het oog op finale geschilbeslechting bezien of aanleiding bestaat de rechtsgevolgen van het te vernietigen gedeelte van het bestreden besluit in stand te laten.

4.9.

Ingevolge artikel 27, eerste lid, van de Verordening kan een voorziening slechts worden toegekend voor zover:

  1. de noodzaak voor het te bereiken resultaat langdurig is, tenzij kortdurende hulp bij het huishouden leidt tot het te bereiken resultaat;

  2. de te verstrekken voorziening als de goedkoopst-compenserende voorziening aan te merken is;

  3. deze op belanghebbende zelf is gericht.

4.10.

In artikel 35 van de Verordening is bepaald dat het college de hoogte van de vergoeding voor de te verstrekken individuele voorzieningen vaststelt in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Roermond.

4.11.

Artikel 5 van het Besluit maatschappelijk ondersteuning gemeente Roermond 2014 (Besluit) bepaalt dat voor een tegemoetkoming in de kosten van het gebruik van een (bruikleen)auto een normbedrag geldt van € 37,98 per maand. In 2013 bedroeg het normbedrag € 37,60 per maand. De Raad stelt vast dat het normbedrag in 2015 per maand
€ 37,98 en in 2016 per maand € 38,36 bedroeg.

4.12.

In de Beleidsregels voorzieningen Maatschappelijke ondersteuning Gemeente Roermond 2012 (Beleidsregels) heeft het college neergelegd dat personen voor wie het collectief vervoer geen geschikte compenserende voorziening is, na vaststelling van de vervoersbehoefte, in aanmerking gebracht kunnen worden voor een financiële tegemoetkoming voor gebruik van een eigen auto. Verder vermelden de Beleidsregels dat de hoogte van de vervoerskostenvergoeding voor de eigen auto toereikend is om 2000 kilometer op jaarbasis, in een straal van 15 tot 20 kilometer te kunnen reizen. Het normbedrag voor het gebruik van de eigen auto, gebaseerd op een af te leggen afstand van 2000 kilometer per jaar op basis van de onbelaste kilometervergoeding, is vastgelegd in het Besluit maatschappelijke ondersteuning. Er is geen declaratieverplichting.

Aanschaf van een eigen, aangepaste auto

4.13.

De Raad stelt vast dat in de loop van de procedure is gebleken dat betrokkene sinds juni 2010 de beschikking heeft over een eigen, aangepaste auto en dat dit voertuig ten tijde hier van belang nog altijd functioneel was. Gelet hierop bestond er voor het college geen aanleiding om haar in aanmerking te brengen voor een vervoersvoorziening in de vorm van een eigen aangepaste auto, nu de noodzaak daarvoor ontbrak. Dit betekent ook dat de noodzaak ontbrak om daarvoor een pgb ter beschikking te stellen.

Kosten van het laten rijden van de eigen, aangepaste auto

4.14.

Nu tussen partijen niet in geschil is dat het collectief vervoer voor betrokkene geen geschikte compenserende voorziening is, komt zij gelet op de Beleidsregels in aanmerking voor een financiële tegemoetkoming voor het gebruik van de eigen auto. Dit betekent dat geen aanleiding bestaat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit, waarbij de aanvraag van betrokkene is afgewezen, in stand te laten.

4.15.

In het kader van de finale geschilbeslechting ziet de Raad aanleiding zelf in de zaak te voorzien door aan betrokkene voor gebruik van de eigen auto een bedrag toe te kennen over de periode van 18 oktober 2013 tot en met 31 oktober 2016.

4.16.

Het vorenstaande betekent dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt met uitzondering van de bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht.

5. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de proceskosten van appellanten in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 990,- voor verleende rechtsbijstand. Voor de verzochte vergoeding van gemaakte kosten in bezwaar bestaat geen aanleiding. Betrokkene procedeerde op dat moment zonder rechtsbijstand, dus zij heeft geen kosten gemaakt voor verleende rechtsbijstand. Van overige kosten is niet gebleken.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak met uitzondering van de bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht;

  • -

    verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij is geweigerd aan betrokkene vanaf 18 oktober 2013 een financiële tegemoetkoming toe te kennen voor het gebruik van de eigen auto;

  • -

    kent betrokkene voor de periode van 18 oktober 2013 tot en met 31 oktober 2016 het in het Besluit bedoelde maandbedrag toe voor het gebruik van de eigen auto en bepaalt dat deze uitspraak (in zoverre) in de plaats treedt van het vernietigde (gedeelte van het) besluit;

  • -

    veroordeelt het college in de kosten van betrokkene tot een bedrag van € 990,-;

  • -

    bepaalt dat het college aan betrokkene het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 123,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries als voorzitter en J.P.A. Boersma en S.E. Zijlstra als leden, in tegenwoordigheid van I.G.A.H. Toma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2017.

(getekend) D.S. de Vries

(getekend) I.G.A.H. Toma

NW