Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2063

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-06-2017
Datum publicatie
19-06-2017
Zaaknummer
15/7478 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken bijstand. Niet wonen op opgegeven adres. Laag water en energieverbruik

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/7478 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 2 oktober 2015, 15/1736 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te Duitsland (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Heerenveen (college)

Datum uitspraak: 13 juni 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D. van der Wal, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 mei 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Wal. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

A.D. de Grave.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving sinds 14 december 2009 bijstand, ten tijde hier van belang op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Hij stond sinds

22 april 2014 in de Gemeentelijke basisadministratie thans Basisregistratie personen) ingeschreven op het adres [uitkeringsadres] te [plaatsnaam 1] (uitkeringsadres).

1.2.

Bij brief van 29 september 2014 heeft het college appellant uitgenodigd voor een voortgangsgesprek op 6 oktober 2014. Appellant is zonder bericht niet verschenen. Het college heeft appellant vervolgens bij brief van 16 oktober 2014 uitgenodigd voor een voortgangsgesprek op 23 oktober 2014. Nadat appellant wederom zonder bericht niet was verschenen hebben een klantmanager en een andere medewerker van de afdeling Werk, inkomen en maatschappelijke ondersteuning van de gemeente Heerenveen een bezoek afgelegd aan het uitkeringsadres, maar appellant niet aangetroffen. Zij hebben gerapporteerd dat de gordijnen dicht waren op dat moment en dat in de hal een stapel post op de grond lag en geen vloerbedekking aanwezig was.

1.3.

Naar aanleiding van de bevindingen op 23 oktober 2014 hebben preventiemedewerkers van de gemeente Heerenveen (medewerkers) een onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van appellant.

1.3.1.

In dat kader hebben de medewerkers onder meer dossieronderzoek verricht en informatie over de meterstanden en het huisvuil van het uitkeringsadres ingewonnen. Daaruit kwam onder meer naar voren dat in de periode van 21 april 2014 tot en met 12 november 2014 de afvalcontainer van het uitkeringsadres eenmaal was geleegd. Bij brief van 23 oktober 2014 hebben zij appellant uitgenodigd voor een gesprek op 31 oktober 2014. Nadat appellant wederom zonder bericht niet was verschenen heeft het college bij besluit van 3 november 2014 het recht op bijstand met ingang van 1 oktober 2014 opgeschort en appellant in de gelegenheid gesteld om de in dat besluit vermelde gegevens, waaronder bankafschriften, te overleggen. De medewerkers hebben op 7 november 2014 een gesprek met appellant gevoerd en aansluitend een huisbezoek aan het uitkeringsadres willen afleggen. Appellant heeft de gevraagde bankafschriften overgelegd, maar heeft geweigerd medewerking te verlenen aan het huisbezoek. Na afloop van het gesprek hebben de medewerkers een bezoek aan het uitkeringsadres afgelegd, maar appellant niet aangetroffen. De medewerkers hebben gerapporteerd dat zij een kale hal zonder vloerbedekking zagen. Door de vitrage was voldoende zicht op de woonkamer om te kunnen zien dat deze ongemeubileerd was en op de vitrage na ongestoffeerd. Op de vloer lag, verspreid over de hele woonkamer, post en foldermateriaal.

1.3.2.

Op 18 november 2014 hebben de medewerkers een tweede gesprek met appellant gevoerd en aansluitend een huisbezoek aan het uitkeringsadres afgelegd. Geconfronteerd met de bevindingen bij het uitkeringsadres op 7 november 2014 heeft appellant verklaard dat er geen vloerbedekking lag en dat hij alle meubels naar de slaapkamer heeft gebracht, omdat hij een tijdje een kat heeft gehad die alles vies heeft gemaakt. De kat is in juli/augustus 2014 weggegaan. Geconfronteerd met de omstandigheid dat de vuilcontainer van het uitkeringsadres slechts eenmaal is geleegd, heeft appellant verklaard dat hij zijn afval verzamelt en dat soms in andere afvalbakken gooit. Tijdens het huisbezoek zijn de meterstanden opgenomen. Daaruit is naar voren gekomen dat in de woning op het uitkeringsadres in de periode van 22 april 2014 tot en met 18 november 2014 3 m³ water,

66 kWh elektriciteit en 47 m³ gas is verbruikt. In de woonkamer lag een aantal groene stroken vloerbedekking, stonden twee tafeltjes, twee klapstoeltjes en een tafellamp. Er was geen hoofdverlichting aanwezig. In de slaapkamer lag een eenpersoonsmatras met een kussen en beddengoed op een stukje tapijt - verder was de vloer kaal - en stond een kast met kleding. In de badkamer stond in de wastafel kleding te weken en waren enige toiletartikelen aanwezig. De keukenkastjes waren nagenoeg leeg, op een enkel bordje en enkele mokken na. In de woning zijn nagenoeg geen etenswaren aangetroffen, alleen een aangebroken brood, een pot broodbeleg, een doosje thee en een pak vruchtensap. Verder zijn geen persoonlijke bezittingen aangetroffen.

1.4.

Bij besluit van 19 november 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 23 maart 2015 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 7 november 2014 beëindigd (lees: ingetrokken) en de bijstand over de periode van 22 april 2014 tot en met 6 november 2014 herzien (lees: ingetrokken). Verder heeft het college daarbij de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 5.215.61 van appellant teruggevorderd. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant niet zijn hoofdverblijf heeft gehad op het uitkeringsadres. Door hiervan geen melding te maken, heeft appellant de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting geschonden. Als gevolg daarvan kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat hij wel op het uitkeringsadres woonde. Daartoe heeft hij gesteld dat het lage waterverbruik is te verklaren door zijn sobere levensstijl. Douchen doet hij nauwelijks, het toilet spoelt hij één keer per dag door en hij heeft geen wasmachine maar vraagt vrienden of kennissen zijn was te laten meedraaien. De lege en onbewoonde indruk die de woning maakte laat zich verklaren doordat hij bij de verhuizing naar het uitkeringsadres de complete inrichting in zijn vorige woning in verband met gevoeligheid voor toxische stoffen heeft afgevoerd. Verder heeft hij gesteld dat het merendeel van de pintransacties wel in [plaatsnaam 1] heeft plaatsgevonden. Hij heeft opgemerkt dat hij in een periode van zes maanden niet meer dan eenmaal zijn afvalcontainer heeft geleegd omdat hij weinig afval produceert en geruime tijd niet wist dat hij een eigen vuilniscontainer had.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De hier te beoordelen periode loopt van 22 april 2014 tot en met 19 november 2014.

4.2.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.3.

De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De betrokkene is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand.

4.4.

Anders dan appellant heeft aangevoerd bieden de onderzoeksbevindingen een toereikende feitelijke grondslag voor de conclusie van het college dat appellant in de te beoordelen periode niet daadwerkelijk woonachtig was op het uitkeringsadres. Hierbij is het volgende van belang.

4.4.1.

Vaststaat dat in de woning op het uitkeringsadres in de periode van 22 april 2014 tot en met 18 november 2014 3 m³ water is verbruikt. Dit waterverbruik over een periode van bijna zeven maanden is, uitgaande van een gemiddeld waterverbruik van ongeveer 45 m³ in een eenpersoonshuishouden per jaar, zodanig laag geweest dat het niet aannemelijk is dat appellant heeft gewoond op dat adres. Deze conclusie vindt steun in het geconstateerde zeer lage elektriciteit- en gasverbruik op het uitkeringsadres van 66 kWh elektriciteit en 47 m³ gas, dat beduidend lager is dan het gemiddelde verbruik in een eenpersoonshuishouden. De stelling van appellant dat hij zeer zuinig leeft, nauwelijks doucht en geen wasmachine heeft, verklaart, mede gelet op zijn verklaring dat hij wel in de woning slaapt, dan ook gebruik maakt van het toilet, zichzelf wast, en zoals tijdens het huisbezoek is waargenomen zijn kleding ook op de hand wast, niet het lage waterverbruik.

4.4.2.

De conclusie dat appellant in de te beoordelen periode niet daadwerkelijk woonachtig was op het uitkeringsadres vindt voorts steun in de bevindingen van de bezoeken aan het uitkeringsadres en het huisbezoek op 18 november 2014. Tijdens dat huisbezoek zijn nagenoeg geen etenswaren aangetroffen en stond in de keuken geen koelkast. In de woning zijn geen persoonlijke bezittingen aangetroffen zoals lectuur, dvd’s, cd’s of foto’s. Hier komt bij dat appellant in de loop van de procedure wisselend heeft verklaard over de achtergrond van de wijze waarop de woning was ingericht en over de afwezigheid van zijn persoonlijke spullen. Op 18 november 2014 heeft appellant verklaard dat hij tot juli/augustus 2014 een kat heeft gehad die alles heeft vies gemaakt, als oorzaak van het feit dat er geen vloerbedekking lag en alle meubels naar de slaapkamer zijn gebracht. Eerst in bezwaar heeft appellant als oorzaak aangevoerd dat hij behalve kleding, omdat die goed te reinigen is, geen meubels kon meenemen vanuit zijn vorige woning waaruit hij is verhuisd vanwege overgevoeligheid voor toxische stoffen. Appellant heeft volgens hem alle meubels van de hand moeten doen. Daarbij heeft appellant, in reactie op de bevindingen van het huisbezoek over het ontbreken van persoonlijke spullen, verklaard dat foto’s niet zijn te reinigen en daarom zijn verwijderd. Tijdens de zitting van de Raad heeft appellant gesteld dat er wel persoonlijke spullen, zoals foto’s, in de woning aanwezig waren en dat die spullen zich in dozen in de bijkeuken bevonden. Appellant heeft desgevraagd niet kunnen verklaren waarom hij de gestelde aanwezigheid niet eerder naar voren heeft gebracht en hoe dit zich verhoudt tot zijn verklaring dat deze persoonlijke spullen niet zijn te reinigen. Daarnaast zijn tijdens het huisbezoek geen dozen in een bijkeuken aangetroffen. Appellant heeft dan ook geen aannemelijke verklaring gegeven voor de in de woning aangetroffen situatie.

4.4.3.

Voorts vindt de conclusie dat appellant niet zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres bevestiging in het slechts eenmalig legen van de vuilniscontainer van het uitkeringsadres. Ook hierover heeft appellant wisselend verklaard. Op 18 november 2014 heeft appellant verklaard dat hij zijn afval verzamelt en dat soms in andere bakken gooit. In bezwaar heeft appellant ter verklaring van het eenmalig legen van de vuilniscontainer echter gesteld dat hij geruime tijd niet wist dat hij een eigen afvalcontainer had en hier na juni geen gebruik van had gemaakt in verband met opspelende rugklachten. Ook voor deze onderzoeksbevinding heeft appellant dan ook geen aannemelijke verklaring gegeven.

4.4.4.

Daarnaast volgt uit de verklaringen van appellant zelf dat hij bijna nooit op het uitkeringsadres verbleef. Dit volgt ook uit de bankafschriften van appellant, waarop meerdere pinbetalingen buiten [plaatsnaam 1] te zien zijn, waaronder in [plaatsnaam 2] en [plaatsnaam 3] , waar appellant in verband met zijn studie en stage frequent was, en in [plaatsnaam 4] en [plaatsnaam 5] , waar hij volgens zijn verklaring zijn kinderen, die in Duitsland woonden, zag. Dat uit de bankafschriften ook blijkt van pintransacties in [plaatsnaam 1] is, mede gelet op het geringe aantal en de lage frequentie ervan, ontoereikend voor de conclusie dat appellant

- anders dan volgt uit de onder 4.4.1 tot en met 4.4.3 vermelde bevindingen - zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. Daarbij komt dat in de te beoordelen periode na

9 september 2014 geen pintransacties in [plaatsnaam 1] meer hebben plaatsgevonden.

4.5.

Door aan het college geen juiste informatie over zijn woonsituatie te verstrekken, heeft appellant de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting geschonden. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat als gevolg hiervan het recht op bijstand over te beoordelen periode niet kon worden vastgesteld.

4.6.

Uit 4.4 en 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door F. Hoogendijk als voorzitter en G.M.G. Hink en J.C.F. Talman als leden, in tegenwoordigheid van C.A.E. Bon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2017.

(getekend) F. Hoogendijk

(getekend) C.A.E. Bon

HD