Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2062

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-06-2017
Datum publicatie
15-06-2017
Zaaknummer
16/4721 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De beoordeling door bestuursrechter van het door de minister gestelde plichtsverzuim van appellant geschiedt in beginsel los van wat de rechter in het strafproces heeft geoordeeld en overwogen. Net als de rechtbank komt ook de Raad tot de overtuiging dat appellant het hem verweten drietal tankbeurten heeft verricht. Beroep op gelijkheidsbeginsel slaagt niet. Geen gronden aangevoerd tegen het oordeel van de rechtbank dat het ontslag niet onevenredig aan de aard en de ernst van het plichtsverzuim is. De Raad neemt dat oordeel over en maakt het tot het zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2017/146 met annotatie van H.J. Simon
USZ 2017/350 met annotatie van H.J. Simon
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/4721 AW

Datum uitspraak: 8 juni 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

14 juni 2016, 15/9119 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Defensie (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.J.W. Schuijlenburg, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 april 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Schuijlenburg. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. E.C.H. Pot.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was als burgerambtenaar werkzaam bij de sectie [naam sectie] van [defensieonderdeel] van het ministerie van Defensie.

1.2.

Naar aanleiding van een onderzoek bij [defensieonderdeel] naar oneigenlijk gebruik van [tankpassen] (tankpassen) is het vermoeden gerezen dat twee medewerkers van [defensieonderdeel] , waaronder appellant, bij ongeveer 75 tankbeurten in 2011 en 28 in 2012, misbruik hebben gemaakt van bij [defensieonderdeel] in beheer zijnde tankpassen. De Koninklijke Marechaussee (Kmar) heeft een strafrechtelijk onderzoek naar onder meer appellant ingesteld.

1.3.

In dit onderzoek zijn rekeningoverzichten van de betaalrekening van appellant strafrechtelijk gevorderd. Vervolgens zijn de tankbeurten vergeleken met de rekeningoverzichten, in het bijzonder de zogenoemde kleine pintransacties, variërend van

€ 4,25 tot € 6,15 en éénmaal een bedrag van € 13,35, als betaling van versnaperingen. Daaruit is - onder meer - gebleken dat op zaterdag 7 mei 2011 om 20.52 uur met één van de genoemde tankpassen is getankt bij [tankstation 1] te [woonplaats] en dat appellant twee minuten later, om 20.54 uur, bij hetzelfde tankstation een aankoop heeft gepind van € 4,40. Op zondag 10 juli 2011 heeft er om 22.44 uur een tankbeurt plaatsgehad bij [tankstation 2] , terwijl appellant op diezelfde zondagavond om 22.52 uur bij [tankstation 3] een aankoop van € 4,40 heeft gepind. Tot slot is er bij [tankstation 1] [woonplaats] op zondag 15 april 2012 om 14.14 uur met één van de genoemde tankpassen getankt, terwijl appellant één minuut later, om 14.15 uur bij datzelfde tankstation een aankoop van € 5,90 heeft gepind.

1.4.

Op 5 maart 2015 is appellant door de politierechter van de rechtbank Den Haag veroordeeld wegens verduistering, meermalen gepleegd, in de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 december 2012. De politierechter heeft bewezen geacht dat appellant op

7 mei 2011, 10 juli 2011 en 15 april 2012 ongeoorloofd gebruik heeft gemaakt van tankpassen van [defensieonderdeel] . Appellant is veroordeeld tot een taakstraf van 80 uur en het betalen van een schadevergoeding van € 139,36. Bij arrest van 10 februari 2016 heeft het gerechtshof

Den Haag appellant in hoger beroep vrijgesproken, omdat het gerechtshof het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen heeft geacht.

1.5.

De andere medewerker, [A] , heeft twee tankbeurten bekend en is eveneens op 5 maart 2015 door de politierechter van de rechtbank Den Haag veroordeeld tot - uiteindelijk - een geldboete van € 300,- en een schadevergoeding van € 74,-.

1.6.

Nadat de minister het voornemen daartoe bekend had gemaakt en appellant zijn zienswijze had gegeven, heeft de minister bij besluit van 18 augustus 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 3 november 2015 (bestreden besluit), aan appellant wegens plichtsverzuim de disciplinaire straf van ontslag opgelegd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat de minister op grond van deugdelijk vastgestelde feiten tot de overtuiging heeft kunnen komen dat de tankbeurten op 7 mei 2011, 10 juli 2011 en 15 april 2012 door appellant zijn verricht, dat hij daarmee oneigenlijk gebruik heeft gemaakt van tankpassen en dat hij zich dan ook schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim. Dit plichtsverzuim is volgens de rechtbank aan appellant toe te rekenen en de opgelegde straf wordt niet onevenredig geacht aan de aard en de ernst van het plichtsverzuim.

3. Appellant heeft tegen de aangevallen uitspraak, samengevat, het volgende aangevoerd. Hij heeft allereerst betoogd dat de minister niet op basis van deugdelijk vastgestelde gegevens tot de overtuiging heeft kunnen komen dat hij de verweten tankbeurten heeft verricht. Appellant heeft zich daarbij beroepen op de strafrechtelijke vrijspraak in hoger beroep. Verder heeft hij gewezen op het oordeel van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) op zijn WW-aanvraag. Het Uwv acht niet bewezen dat appellant de tankbeurt op 10 juli 2011 heeft gedaan gezien enerzijds de afstand en anderzijds de verstreken tijd tussen de tankbeurt bij [tankstation 2] en de pintransactie bij [tankstation 3] . Verder is het Uwv van oordeel dat appellant met een tweetal schriftelijke getuigenverklaringen heeft aangetoond ook niet op de twee andere data te hebben getankt met de tankpassen van [defensieonderdeel] . Tot slot heeft appellant zich beroepen op het gelijkheidsbeginsel. Collega [A] is slechts schriftelijk berispt, omdat hij direct spijt heeft betuigd. Dat maakt volgens appellant geen wezenlijk verschil als het gaat om het zich gedragen als goed ambtenaar en om het in de ambtenaar te stellen vertrouwen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Het plichtsverzuim

4.1.

Voor de constatering van plichtsverzuim dat tot het opleggen van een disciplinaire straf aanleiding kan geven is volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 15 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT1997) noodzakelijk dat op grond van de beschikbare, deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging is verkregen dat de betrokken ambtenaar de hem verweten gedragingen heeft begaan. Het gegeven dat appellant door de strafrechter wegens gebrek aan bewijs is vrijgesproken van het hem ten laste gelegde betekent volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 15 maart 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW0297) niet dat geen sprake kan zijn van plichtsverzuim dat tot het opleggen van een disciplinaire maatregel aanleiding kan geven. De bestuursrechter beoordeelt de merites van het door de minister gestelde plichtsverzuim van appellant in beginsel los van wat de rechter in het strafproces heeft geoordeeld en overwogen.

4.2.

Net als de rechtbank komt ook de Raad tot de overtuiging dat appellant het hem verweten drietal tankbeurten heeft verricht. Gezien de korte tijd (één of twee minuten waar het de tankbeurten van 7 mei 2011 en 15 april 2012 betreft) tussen de aankoop die appellant met zijn eigen bankpas heeft gepind en de betaling van de tankbeurt met een tankpas van [defensieonderdeel] is het onwaarschijnlijk dat een collega juist ook bij hetzelfde tankstation de frauduleuze tankbeurt heeft gedaan en dat de gelijktijdige aanwezigheid van appellant, zoals hij heeft betoogd, berust op toeval. De Raad stelt vast dat alle genoemde tankstations (zie 1.3) zijn gesitueerd in de woonomgeving van appellant; in zoverre ligt het ook niet voor de hand dat collega’s daar tanken. De Raad acht het verder ongeloofwaardig dat appellant in die situatie de betrokken collega niet zou hebben gezien, zoals hij heeft verklaard. Eveneens ongeloofwaardig acht de Raad de verklaring van appellant dat hij tankbeurten voor zijn eigen auto altijd contant betaalt, terwijl hij de kleine aankopen (versnaperingen en shag) tegelijkertijd niet ook contant betaalt maar pint, wat immers een nodeloos omslachtige manier van betalen oplevert. Ten aanzien van de tankbeurt van 10 juli 2011 overweegt de Raad nog dat het gezien de afstand tussen beide tankstations en de tijdstippen van betalen zeer wel mogelijk is dat appellant beide transacties heeft verricht, anders dan hij heeft betoogd. Die afstand is op een zondagavond rond elf uur in vier tot zes minuten af te leggen. Het is niet aannemelijk dat alleen het afrekenen al minuten vergt vanwege “in de rij bij de kassa wachten en uiteindelijk pinnen” zoals appellant heeft gesteld. Dat er geen camerabeelden zijn - of ander direct bewijs is - die zijn aanwezigheid bij de tankbeurt van 10 juli 2011 bevestigen, doet aan de ongeloofwaardigheid van de verklaringen van appellant niet af. De rechtbank heeft terecht geen bewijswaarde gehecht aan de schriftelijke verklaringen van de vader en broer van appellant, enerzijds gezien de familierelatie en anderzijds omdat deze verklaringen niet uitsluiten dat er onderweg is gestopt om te tanken. Het oordeel van het Uwv ten slotte, tot stand gekomen bij de toetsing van de verwijtbare werkloosheid in het kader van de Werkloosheidswet, leidt de Raad niet tot een ander oordeel.

Het onderscheid in straftoemeting

4.3.

Appellant heeft betoogd dat het ontslag in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Dit betoog slaagt niet. Er is geen sprake van gelijke gevallen. Het plichtsverzuim bij [A] omvat twee tankbeurten terwijl dat er bij appellant drie zijn. Daar komt bij dat [A] meteen opening van zaken heeft gegeven en spijt heeft betuigd. Onder deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat de minister geen redelijk onderscheid in de straftoemeting heeft gemaakt.

4.4.

Appellant heeft voor het overige geen gronden aangevoerd tegen het oordeel van de rechtbank dat het ontslag niet onevenredig aan de aard en de ernst van het plichtsverzuim is. De Raad neemt dat oordeel over en maakt het tot het zijn.

5. Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan als voorzitter en H. Lagas en D.A.C. Slump als leden, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2017.

(getekend) K.J. Kraan

(getekend) C. Moustaïne

HD