Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2057

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-06-2017
Datum publicatie
19-06-2017
Zaaknummer
16/5567 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terecht toepassing gegeven aan artikel 13, lid 2 aanhef en onder c PW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/5567 PW

Datum uitspraak: 13 juni 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

22 juli 2016, 16/425 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. I. van Baaren, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 21 maart 2017. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant, geboren op [geboortedatum] 1989, ontving vanaf 23 oktober 2013 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW). Op 5 augustus 2014 heeft appellant samen met zijn jongerencoach een plan van aanpak en een afsprakenplan ondertekend. Hierin is afgesproken dat appellant een door hem opgesteld ondernemingsplan voor het starten van een eigen bedrijf laat beoordelen op levensvatbaarheid. Op 3 februari 2015 heeft een vervolggesprek met appellant plaatsgevonden. In dit gesprek heeft appellant, nadat uit onderzoek was gebleken dat zijn bedrijf op termijn niet levensvatbaar zou zijn, te kennen gegeven dat hij, naast een aanpak van zijn schulden, weer naar school wil en dat zijn voorkeur uitgaat naar de dagopleiding in de [naam opleiding] . Vervolgens heeft appellant op dezelfde datum een nieuw plan van aanpak en een afsprakenplan ondertekend waarbij, voor zover van belang, is afgesproken dat hij zich per 1 augustus 2015 inschrijft voor de dagopleiding [naam opleiding] , indien deze opleiding niet doorgaat hij zich inschrijft voor een andere opleiding en dat hij gaat informeren naar het aanvragen van studiefinanciering.

1.2.

Bij brief van 27 mei 2015 heeft het college appellant verzocht zijn inschrijving voor een opleiding vóór 27 juni 2015 in te leveren. Hieraan heeft appellant geen gevolg gegeven. Bij brief van 15 juli 2015 heeft het college appellant vervolgens verzocht vóór 1 augustus 2015 zijn aanmeldbewijs, onderwijsovereenkomst en een bewijs van studiefinanciering in te leveren dan wel bewijsstukken over te leggen waaruit blijkt dat hij geen onderwijs kan volgen. Het college heeft appellant in die brief tevens gewezen op het feit dat zijn bijstand vanaf 1 augustus 2015 wordt beëindigd indien hij niet voldoet aan dit verzoek. Wederom heeft appellant aan het verzoek geen gevolg gegeven.

1.3.

Bij besluit van 25 augustus 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 17 december 2015 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellant op grond van artikel 13, tweede lid, onderdeel c, van de PW vanaf 1 augustus 2015 ingetrokken, omdat appellant zich niet heeft gehouden aan de met hem gemaakte afspraken.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant stelt zich op het standpunt dat het college zijn bijstand niet zonder meer had mogen intrekken. Doordat het hem niet was gelukt een leerbedrijf te vinden kon hij niet aan de opleiding beginnen. Hierdoor beschikte hij niet over de gevraagde bewijsstukken Daarnaast heeft hij het plan van aanpak min of meer onder dwang moeten tekenen. Het college was ervan op de hoogte dat hij in verband met zijn psychische problemen niet in staat was om dagonderwijs te volgen maar heeft hiernaar geen onderzoek ingesteld. Ter ondersteuning van dit standpunt heeft appellant in hoger beroep een behandelovereenkomst van 14 april 2016 met psycholoog S.C.P. Huybregts overgelegd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt in dit geval van 1 augustus 2015 tot en met 25 augustus 2015.

4.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellant niet heeft gereageerd op de brieven van het college van 25 mei 2015 en 15 juli 2015.

4.3.

Het geschil tussen partijen is beperkt tot het antwoord op de vraag of het college onder de gegeven omstandigheden terecht toepassing heeft gegeven aan artikel 13, tweede lid, aanhef en onder c, van de PW. Op grond van die bepaling bestaat geen recht op algemene bijstand voor degene die jonger is dan 27 jaar en uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs kan volgen en:

1. in verband daarmee aanspraak heeft op studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000, dan wel

2. in verband daarmee geen aanspraak heeft op studiefinanciering en dit onderwijs niet volgt.

4.4.

De Raad volgt appellant niet in zijn standpunt dat hem niet kan worden verweten dat hij zich niet heeft gehouden aan de met hem gemaakte afspraken en dat hij het plan van aanpak onder dwang heeft getekend. Tijdens het met appellant op 3 februari 2015 gevoerde gesprek heeft hij immers zelf te kennen gegeven dat hij weer naar school wilde. Het college heeft vervolgens in het door appellant ondertekende plan van aanpak en het afsprakenplan rekening gehouden met de door hem opgegeven voorkeur voor de dagopleiding [naam opleiding] . Gelet op de inhoud van dit gesprek is niet aannemelijk dat appellant het plan van aanpak en het afsprakenplan onder dwang heeft ondertekend. Daarnaast had het op de weg van appellant gelegen om naar aanleiding van de brieven van 25 mei 2015 en 15 juli 2015 contact met het college op te nemen indien hij problemen ondervond bij de inschrijving voor een opleiding.

4.5.

Het standpunt van appellant dat hij in de te beoordelen periode vanwege psychische problemen niet in staat was om dagonderwijs te volgen slaagt evenmin. De door appellant overgelegde behandelovereenkomst dateert van meer dan een jaar na de gemaakte afspraken en hieruit blijkt niet dat appellant niet in staat is regulier onderwijs te volgen. Uit deze overeenkomst blijkt dat de hulpvraag van appellant was gericht op zijn de wens om te stoppen met het gebruik van cannabis en dat hij begeleiding wilde om zijn psychische problemen te verminderen. Het college was ingevolge artikel 13, tweede lid, aanhef en onder c, van de PW dan ook gehouden de bijstand vanaf 1 augustus 2015 in te trekken.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen, in tegenwoordigheid van S.A. Graaff als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2017.

(getekend) M. Hillen

(getekend) S.A. de Graaff

HD