Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2052

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-06-2017
Datum publicatie
14-06-2017
Zaaknummer
16/1636 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tijdelijke aanstelling. Niet voldaan aan opleiding. Eervol ontslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2017/139
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/1636 AW, 16/2692 AW, 16/4798 AW

Datum uitspraak: 8 juni 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

11 februari 2016, 15/4258 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Staatssecretaris van Financiën (appellant)

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene is een verweerschrift ingediend en incidenteel hoger beroep ingesteld door mr. J.L.A. Helmer, advocaat.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft appellant op 13 juni 2016 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen (nader besluit).

Partijen hebben (desgevraagd) nadere stukken in het geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 maart 2017. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.M. le Fèvre, mr. E. Fokkens-Kuiper en

mr. D.H.M. van der Veen-Lüers. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Helmer.

OVERWEGINGEN

1.1.

Betrokkene was vanaf 1 maart 2009, met tussentijdse onderbrekingen, als uitzendkracht werkzaam bij de Belastingdienst.

1.2.

Ter uitvoering van het Regeerakkoord 2012 is appellant gestart met een grootschalige werving in het kader van het zogenoemde project Werving Intensivering Toezicht & Invordering (ITI). Bij de werving en selectie voor ITI is als selectie-eis gesteld dat medewerkers binnen twee jaar geheel toegerust moeten zijn voor de werkzaamheden van de (nieuwe) functie. Dat betekent dat zij in die tijd zowel de bijbehorende opleiding met goed gevolg moeten afronden als laten zien dat zij kunnen functioneren in de praktijk (Wervingskader ITI).

1.3.

Betrokkene heeft in het kader van Werving ITI gesolliciteerd op de functie van medewerker [naam functie] , groepsfunctie E en is met ingang van 1 augustus 2013 aangesteld. Aanvankelijk was de aanstelling gebaseerd op

artikel 6, tweede lid, aanhef en onder b, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR). Vanaf de datum waarop betrokkene de verklaring omtrent het gedrag had ingediend was sprake van een aanstelling in tijdelijke dienst met een proeftijd van twee jaar als bedoeld in artikel 6, tweede lid, aanhef en onder a, van het ARAR. Bij mail van 18 juli 2013 is betrokkene medegedeeld dat hij de opleiding Associate Degree Accountancy (AD/AC) moet gaan volgen. Bij deze mail is het document ‘Informatie opleidingen associate degree hogescholen’ gevoegd. Daarin is bepaald dat er voldaan moet worden aan het reglement van de betreffende hogeschool, maar dat de Belastingdienst op één punt van dat reglement afwijkt, namelijk dat voor elke toets één herkansing mogelijk is en dat bij een onvoldoende voor de herkansing de opleiding eindigt (Toetskader).

1.4.

In september 2013 is betrokkene met de AD/AC-opleiding gestart. Voor het volgen van de opleiding is aan betrokkene zestien uur scholingsverlof per week toegekend. Voorts is het in de regio Haaglanden, waar betrokkene werkzaam is, toegestaan om op kantoor nog drie uur per week te besteden aan het maken van (groeps)opdrachten.

1.5.

Na onderzoek naar de signalen over de studiebelasting bij de AD/AC-opleiding heeft het MT Belastingen in december 2013 besloten om het Wervingskader, het Toetskader en het scholingsverlof niet aan te passen. Dat betekent dat wordt vastgehouden aan afronding van de studie binnen twee jaar, dat slechts één herkansing voor elk examen mogelijk is en dat zestien uur scholingsverlof per week wordt gehanteerd. Voorts is besloten om de in de Memo ‘Associate Degree Accountancy en Bedrijfseconomie (AD-AC en AD-BE)’ van 11 december 2013, opgenomen extra maatregelen voor scholingsfaciliteiten niet in volle omvang en op elke student toe te passen, maar juist in de vorm van maatwerk per student, die dat nodig heeft. De (intern geworven) student, die door omstandigheden de noodzakelijke studie niet binnen de gestelde periode kan afmaken en van wie de toekomstig potentieel inschatting voor een hogere functie positief is, kan een gesprek krijgen met de leidinggevende om te onderzoeken en af te spreken of én hoe de studie met studiefaciliteiten succesvol kan worden vervolgd.

1.6.

Bij besluit van 13 januari 2014 is de aanstellingsgrondslag gewijzigd in die zin dat betrokkene met ingang van 1 augustus 2013 is aangesteld in tijdelijke dienst voor de duur van een opleiding als bedoeld in artikel 6, tweede lid, aanhef en onder d, van het ARAR.

1.7.

Om tijdig bij mogelijke uitval adequate maatregelen te nemen en om de maatregelen eenduidig toe te passen voor alle ITI-studenten, heeft de Algemeen Directeur Belastingen op 30 april 2014 besloten een centraal studiedecanaat (het decanaat) in te richten. De Memo ‘Inrichting centraal studiedecanaat HR-Belastingen’ van 15 mei 2014 beschrijft inrichting, bereikbaarheid, tijdpad en werkwijze van het decanaat. Volgens de Memo is de doelstelling van het decanaat om tijdig een realistisch, persoonlijk opleidingsplan af te spreken met interne en tijdelijke medewerkers die de AD/AC-opleiding waarschijnlijk niet gaan halen binnen het geldende toetsingskader Belastingen, in casu twee jaar. De afspraken die het decanaat met student maakt zijn bindend. Indien een student zich niet kan vinden in die afspraken is escalatie mogelijk bij de zogenoemde escalatiecommissie.

1.8.

Bij besluit van 31 oktober 2014 is betrokkene met ingang van 1 februari 2015 eervol ontslagen op grond van artikel 95, tweede lid, aanhef en onder a, van het ARAR. Bij besluit van 7 mei 2015 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen dat besluit ongegrond verklaard. Aan dat besluit heeft appellant het volgende ten grondslag gelegd. Richting de voor groepsfunctie E geselecteerde medewerkers heeft uitgebreide communicatie plaatsgevonden over de te volgen opleiding en het Toetskader. Betrokkene heeft in juni 2014 voor twee vakken, ook na herkansing, een onvoldoende behaald. Daarmee voldoet hij niet aan het Toetskader waarin is bepaald dat slechts één herkansing per vak mogelijk is. Uit het negatief advies van het studiedecanaat van 15 juli 2014, de brief van de escalatiecommissie van 14 augustus 2014 en het hernieuwde advies van het studiedecanaat van 22 april 2015 volgt dat er geen redenen zijn om aan de hand van de studieresultaten en de persoonlijke omstandigheden van betrokkene af te wijken van het Toetskader en maatwerk toe te passen. Nu geen maatwerk wordt verricht zijn de cijfers van betrokkene vast komen te staan. Bij een onvoldoende voor de herkansing dient de opleiding te worden beëindigd en volgt beëindiging van de tijdelijke aanstelling.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen over griffierecht en proceskosten - het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en appellant opgedragen om binnen zes weken na verzending van de uitspraak opnieuw op het bezwaar te beslissen. De rechtbank heeft - kort samengevat - overwogen dat het decanaat ten onrechte uitsluitend heeft beoordeeld of er bijzondere persoonlijke omstandigheden waren die een onvoldoende voor een herkansing konden rechtvaardigen. Het decanaat had tevens moeten bezien of betrokkene met een maatwerktraject wellicht in staat zou zijn geweest alsnog de opleiding binnen twee jaar te halen. Gelet hierop ontberen het negatieve studieadvies van het decanaat en het bestreden besluit, waarin daar evenmin op in wordt gegaan, een deugdelijke motivering, zodat appellant niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten betrokkene ontslag te verlenen.

3. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft appellant bij het nadere besluit opnieuw op het bezwaar van betrokkene beslist en dit wederom ongegrond verklaard. Daaraan heeft appellant ten grondslag gelegd dat de rechtbank het Toetskader onjuist heeft geïnterpreteerd en dat het studiedecanaat terecht niet heeft bezien of betrokkene met een maatwerktraject wellicht in staat zou zijn geweest alsnog de opleiding binnen twee jaar te behalen. De Raad zal het nadere besluit met overeenkomstige toepassing van de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht mede in de beoordeling betrekken.

4. De Raad komt naar aanleiding van wat partijen in hoger beroep hebben aangevoerd tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

Op grond van artikel 59, eerste lid, van het ARAR kan de ambtenaar in het belang van de rijksdienst worden verplicht om scholing te volgen, voor zover dat redelijkerwijs van hem kan worden verlangd. Voor de Belastingdienst is artikel 59 van het ARAR uitgewerkt in de Personele Uitvoeringsbepalingen Belastingdienst (PUB).

4.1.2.

In hoofdstuk 6, onderdeel 3.1.1, van de PUB is bepaald: ‘Ten aanzien van degenen die zijn aangewezen voor een groepsfunctie wordt door het bevoegd gezag beoordeeld welke startopleiding moet worden gevolgd om de werkzaamheden die in de eerste fase zullen worden opgedragen goed en volledig te kunnen vervullen.’

4.1.3.

In hoofdstuk 6, onderdeel 3.1.2, van de PUB is bepaald: ‘Voor een beoordeling van de geschiktheid en bekwaamheid van een kandidaat die is aangewezen voor een groepsfunctie en een startopleiding moet volgen, wordt een Toetskader (regels inzake de voortgang van de opleiding en de beoordeling van het examen) toegepast. (…) Het opleidingsinstituut reikt bij aanvang van de opleiding aan de medewerker de studiegids uit met het Toetskader. Hiertoe stelt het opleidingsinstituut een dossier samen voor de resultaten van de opleiding. (…) Het Toetskader wordt gevormd door het met goed gevolg afgelegde examen.’

4.1.4.

In onderdeel 3.1.3 van hetzelfde hoofdstuk van de PUB is bepaald: ‘Medewerkers die zijn aangewezen voor een groepsfunctie waarvoor een startopleiding is vastgesteld, zijn verplicht deze startopleiding te volgen. Zonder positieve afronding van die startopleiding kunnen de werkzaamheden behorende bij de groepsfunctie niet naar behoren worden uitgevoerd. Als met inachtneming van het Toetskader wordt vastgesteld dat er sprake is van onvoldoende resultaten bij de startopleiding, zal het bevoegd gezag een besluit moeten nemen.’(…). Bij extern geworven medewerkers houdt dit besluit in dat ontslag wordt verleend.’

4.1.5.

In onderdeel 4.4 van hoofdstuk 6 van de PUB is bepaald: ‘Indien naar de mening van het bevoegd gezag de scholing noodzakelijk is, geeft het opdracht aan de medewerker tot het volgen van die scholing. Het kan nadere aanwijzingen verstrekken met betrekking tot de wijze waarop de dienstopdracht vervuld moet worden.’

Het incidenteel hoger beroep van betrokkene

4.2.

Betrokkene heeft zich op het standpunt gesteld dat hij onvoldoende is voorgelicht over de inhoud van de opleiding, het Toetskader en de gevolgen van het niet succesvol afronden van de opleiding.

4.3.

Allereerst wordt vastgesteld dat betrokkene als uitzendkracht toegang had tot het interne netwerk waar informatie over het opleidingstraject, waaronder de informatie die appellant tijdens zijn voorlichtingsbijeenkomsten heeft verstrekt, te vinden was. Deze informatie had betrekking op de te volgen opleiding, de duur van de opleiding en de gevolgen van het niet succesvol voltooien van de opleiding. Voorts stelt de Raad vast dat betrokkene bij mail van

18 juli 2013 is medegedeeld dat hij de AD/AC-opleiding moet gaan volgen en dat bij deze mail het Toetskader was gevoegd. Daarin is voor de rechtspositionele consequenties verwezen naar de Memo ‘rechtspositionele onderwerpen Werving ITI’ van 15 april 2013. In die memo is, overeenkomstig de PUB, vastgelegd dat voor externe kandidaten, waaronder uitzendkrachten, geldt dat bij onvoldoende resultaat in de startopleiding ontslag wordt verleend. Nu vaststaat dat betrokkene voorafgaand aan de te volgen AD/AC-opleiding op diverse wijzen is geïnformeerd over de inhoud van die opleiding, het Toetskader en zijn rechtspositie, treft zijn stelling dat hij onvoldoende is voorgelicht geen doel.

4.4.

Betrokkene heeft voorts aangevoerd dat appellant de AD/AC-opleiding ten onrechte als passende startopleiding voor groepsfunctie E heeft aangemerkt. Volgens de PUB heeft de startopleiding als doel de werkzaamheden die in de eerste fase van groepsfunctie E zullen worden opgedragen goed en volledig te kunnen vervullen. Die werkzaamheden liggen in de eerste fase van groepsfunctie E op MBO-4 niveau. Nu de AD/AC-opleiding opleidt tot

MBO+ niveau, kan de AD/AC-opleiding volgens appellant niet als startopleiding voor groepsfunctie E verplicht worden gesteld.

4.5.

Gelet op de bewoordingen van artikel 59 van het ARAR hanteert de Raad bij zijn beoordeling een terughoudende toets.

4.6.

Appellant heeft in april 2008 besloten om de AD/AC-opleiding als startopleiding verplicht te stellen voor groepsfunctie E. Het betreft een externe tweejarige HBO-opleiding op niveau 2, een niveau dat ligt tussen MBO-4 niveau en HBO. Volgens de PUB betreft groepsfunctie E heffings-, innings,- en controlewerkzaamheden op middelbaar niveau. Onder groepsfunctie E vallen de schalen 7, 8 en 9, waarbij een start in schaal 7 en doorgroei naar schaal 9 regel is. De werkzaamheden behorende bij groepsfunctie E strekken zich uit over twee hoofdgroepen; hoofdgroep III (MBO) en hoofdgroep IV (HBO). Het kernniveau van de functie bevindt zich op schaal 8, MBO+ niveau. De AD/AC-opleiding, die opleidt tot een niveau dat ligt tussen MBO-4 niveau en HBO, kan daarmee passend worden geacht om de werkzaamheden behorende bij de groepsfunctie E naar behoren en op niveau te kunnen uitoefenen. Dat de werkzaamheden in de eerste fase van groepsfunctie E in beginsel op

MBO-4 niveau liggen maakt dit niet anders. Uit onderdeel 4.4 van hoofdstuk 6 van de PUB volgt immers dat het bevoegd gezag in het belang van de rijksdienst bepaalt of de scholing noodzakelijk is. Dat de AD/AC-opleiding door appellant in dit geval als een noodzakelijke opleiding wordt aangemerkt, acht de Raad niet onaanvaardbaar, nu deze beroepsopleiding handvatten kan bieden om de heffings,- innings,- en controlewerkzaamheden behorende bij de functie van medewerker [naam functie] , ook in de eerste fase goed en volledig te vervullen. Appellant heeft betrokkene dan ook kunnen opdragen de AD/AC-opleiding te volgen. De beroepsgrond slaagt niet.

4.7.

Voorts heeft betrokkene betoogd dat het gelijktijdig volgen van de AD/AC-opleiding en het verrichten van werkzaamheden tot een onredelijk te achten werkweek van 60 uur leidt.

4.8.1.

Uit het document ‘Informatie opleidingen associate degree hogescholen’ blijkt dat is besloten om de medewerkers de AD/AC-opleiding in deeltijd te laten volgen. Dit betekent dat zij twee dagen per week bezig zijn met het volgen van de opleiding en drie dagen per week beschikbaar zijn voor werkzaamheden. Voor het volgen van lessen en voor (zelf)studie kan maximaal zestien uur scholingsverlof per week worden toegekend. In verband met signalen over de studiebelasting bij het AD/AC-traject is onderzocht, onder meer door gesprekken met de hogescholen en studenten, wat de studiebelasting van de AD/AC-opleiding is. De conclusie van dit onderzoek, zoals neergelegd in de Memo ‘Associate Degree Accountancy en Bedrijfseconomie (AD-AC en AD-BE)’, is dat de (totale) studiebelasting bij de hogescholen varieert van 16 tot 24 uur per week. De Raad ziet geen aanleiding om aan deze informatie te twijfelen.

4.8.2.

Betrokkene is aangesteld voor 36 uur per week. Hem is per week zestien uur scholingsverlof toegekend en hij kan op kantoor drie uur per week besteden aan het maken van (groeps)opdrachten. De overige zeventien uur per week dient betrokkene beschikbaar te zijn voor werkzaamheden. Uitgaande van een maximale studiebelasting van 24 uur per week en het verrichten van werkzaamheden voor zeventien uur per week, is de totale werk- en studiebelasting in het geval van betrokkene maximaal 41 uur per week. Een dergelijke werk- en studiebelasting is niet onaanvaardbaar hoog. Hierbij acht de Raad niet zonder belang dat tegenover de door betrokkene gedane tijdsinvestering in beginsel een baangarantie in groepsfunctie E staat. De Raad concludeert dan ook dat de eisen en voorwaarden die appellant aan het volgen van de verplicht gestelde AD/AC-opleiding heeft verbonden de grenzen van een redelijke wetsuitleg niet te buiten gaan en dat de beroepsgrond faalt.

Het hoger beroep van de staatssecretaris

4.9.

In hoger beroep heeft appellant zich - kort gezegd - op het standpunt gesteld dat het afronden van de studie in twee jaar géén deel uitmaakt van het Toetskader maar onderdeel is van het Wervingskader ITI. Het decanaat toetst alleen aan het Toetskader. Daarbij wordt aan de hand van de studieresultaten en de persoonlijke omstandigheden gekeken of er redenen zijn om af te wijken van het Toetskader en maatwerk toe te passen, om zo de doelstelling van snelle inzetbaarheid te realiseren. In het geval van betrokkene heeft het decanaat het Toetskader op juiste wijze toegepast.

4.10.

In de PUB is gedefinieerd wat onder het Toetskader moet worden verstaan, namelijk regels inzake de voortgang van de opleiding en de beoordeling van het examen. Ook is bepaald dat het opleidingsinstituut bij aanvang van de opleiding aan de medewerker de studiegids uitreikt met het Toetskader en dat het Toetskader wordt gevormd door het met goed gevolg afgelegde examen. In het document ‘Informatie opleidingen associate degree hogescholen’ is vastgelegd dat er voldaan moet worden aan het reglement van de betreffende hogeschool, maar dat de Belastingdienst op één punt van dat reglement afwijkt, namelijk (wat de regels van de hogeschool ook zijn) dat elke toets eenmaal herkanst mag worden. Bij een onvoldoende voor de herkansing eindigt de opleiding. Gelet op wat in de PUB is bepaald en wat in het document ‘Informatie opleidingen associate degree hogescholen’ is vastgelegd, stelt de Raad vast dat het Toetskader bestaat uit het reglement van de hogeschool, maar dat in afwijking daarvan voor elk vak maar één toets en één hertoets mag worden gemaakt en dat deze hertoets met goed gevolg moet worden afgelegd.

4.11.1.

In december 2013 is besloten om de gehanteerde kaders voor de ITI-werving (binnen twee jaar de opleiding met goed gevolg afronden en goed functioneren in de praktijk), Toetskader (slechts één herkansing voor elk examen mogelijk) en scholingsverlof (zestien uur per week scholingsverlof) niet aan te passen. Om het aantal afvallers te beperken en cursisten een betere kans van slagen te geven is voorts besloten om extra maatregelen voor scholingsfaciliteiten op elke student die dat nodig heeft toe te passen door het bieden van maatwerk per student. Om de maatwerkmogelijkheden eenduidig toe te passen is besloten het decanaat in te richten.

4.11.2.

Volgens de Memo ‘Inrichting centraal studiedecanaat HR-Belastingen’ is de doelstelling van het decanaat om tijdig een realistisch, persoonlijk opleidingsplan af te spreken met interne en tijdelijke medewerkers die de AD/AC-opleiding waarschijnlijk niet gaan halen binnen het geldende toetsingskader Belastingen, in casu twee jaar. Als onderdeel van het maatwerktraject behoren extra herkansingen tot de mogelijkheden. Het belang van de organisatie (snelle inzetbaarheid) en de haalbaarheid van de opleiding voor een student binnen twee jaar staan voorop. Anders gezegd: studenten kunnen aan het traject deelnemen, als zij een realistische kans hebben op een succesvolle afronding van hun studie binnen de overeengekomen twee jaar. Het decanaat beoordeelt aan de hand van de behaalde cijfers en het aantal herexamens - oftewel de studieresultaten - en de persoonlijke omstandigheden of de medewerker een realistische kans heeft op een succesvolle afronding van de studie binnen de overeengekomen twee jaar.

4.11.3.

Gelet op de door appellant gegeven toelichting gaat de Raad ervan uit dat de in de memo gebezigde formulering ‘toetsingskader Belastingen’ ongelukkig is, maar dat daarmee niet is beoogd het Toetskader te wijzigen. Het behalen van de opleiding binnen twee jaar is daar geen onderdeel van maar is een afgeleide van de ITI-doelstelling, dat medewerkers binnen twee jaar geheel toegerust moeten zijn voor hun functie, in die zin dat zij de opleiding met goed gevolg moeten hebben afgerond en dat zij laten zien dat zij functioneren in de praktijk. In december 2013 was reeds besloten het Toetskader niet aan te passen. Voor elk examen blijft maar één herkansing mogelijk. Dit betekent dat na een herkansing duidelijk is of de student de opleiding nog met goed gevolg kan afronden. Zodra een medewerker zijn herexamen niet haalt dient hij zich te melden bij het decanaat. Het decanaat beoordeelt aan de hand van de studieresultaten en persoonlijke omstandigheden of er redenen zijn om van het Toetskader af te wijken en maatwerk toe te passen, om zo alsnog de doelstelling snel inzetbaar te realiseren. Onder maatwerk wordt onder meer verstaan een extra examenkans, een studiebuddy of bijles. Indien sprake is van afdoende studieresultaten en persoonlijke omstandigheden daartoe aanleiding geven, kan er afgeweken worden van het Toetskader en kan maatwerk worden toegepast. Indien daarvan geen sprake is, is er geen aanleiding een maatwerktraject aan te bieden. De rechtbank heeft derhalve ten onrechte geoordeeld dat

- zelfstandig - ter beoordeling staat of appellant door middel van een maatwerktraject in staat zou zijn de opleiding alsnog binnen twee jaar succesvol af te ronden. Het studieadvies van het decanaat en het bestreden besluit zijn anders dan de rechtbank heeft geoordeeld dan ook afdoende gemotiveerd.

4.12.

Nu de Raad tot het oordeel komt dat de rechtbank het Toetskader onjuist heeft uitgelegd en het decanaat bij de toepassing van dat Toetskader zich terecht heeft beperkt tot een oordeel over de vraag of de studieresultaten van betrokkene en de door hem aangevoerde persoonlijke omstandigheden aanleiding hadden moeten geven hem een maatwerktraject aan te bieden en dat niet het geval was, dient de Raad zich nog uit te laten over het beroep van betrokkene op het gelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel, nu de rechtbank daar niet aan toe is gekomen.

4.13.

Appellant heeft erkend dat in verschillende gevallen is besloten collega’s met onvoldoendes extra herkansingen te verlenen. In die gevallen heeft het studiedecanaat in de persoonlijke omstandigheden aanleiding gezien af te wijken van het Toetskader en maatwerk te verlenen in de vorm van extra herkansingen. Naar het oordeel van de Raad zijn deze omstandigheden door appellant voldoende toegelicht om te kunnen concluderen dat geen sprake is van aan appellant gelijke gevallen. Het beroep van betrokkene op het gelijkheidsbeginsel faalt.

4.14.

Betrokkene heeft aangevoerd dat zijn ontslag in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. De Raad is van oordeel dat appellant onder afweging van alle belangen tot het bestreden besluit heeft kunnen komen. Daarbij neemt de Raad in overweging dat betrokkene met het scholingsbeleid bekend was, dan wel had kunnen zijn, en hij geen omstandigheden heeft aangevoerd die appellant er toe hadden moeten leiden om daarvan af te wijken.

4.15.

Uit 4.1 tot en met 4.14 volgt dat het hoger beroep van appellant slaagt en dat het incidenteel hoger beroep van betrokkene niet slaagt. De Raad zal de aangevallen uitspraak voor zover door appellant aangevochten vernietigen en, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het beroep van betrokkene ongegrond verklaren. Daarmee is tevens de grondslag komen te ontvallen aan het ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen nadere besluit van 13 juni 2016. De Raad zal dit besluit eveneens vernietigen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover door appellant aangevochten;

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond;

- vernietigt het besluit van 13 juni 2016.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma als voorzitter en H.C.P. Venema en

J.N.A. Bootsma als leden, in tegenwoordigheid van A. Mansourova als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2017.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) A. Mansourova

HD