Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2047

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-06-2017
Datum publicatie
19-06-2017
Zaaknummer
16/5514 PW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2016:6480, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken en terugvorderen. Verzwegen inkomsten. Onkostenvergoeding ontvangen tijdens scholingstraject wordt gerekend tot inkomen in de zin van artikel 32 PW. Boete. Verminderde verwijtbaarheid. Boetebedrag ten onrechte naar boven afgerond. (Wijziging Boetebesluit per 1 januari 2017)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2017/183
NJB 2017/1480
ABKort 2017/200
AB 2017/327 met annotatie van A. Tollenaar
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 5514 PW

Datum uitspraak: 6 juni 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

19 augustus 2016, 15/8149 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P. van Baaren, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 maart 2017. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.W. de Jong.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving in de periode van 1 januari 2012 tot en met 31 december 2013 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. In de periode van augustus 2013 tot en met november 2013 heeft hij een scholingstraject gevolgd bij de opleiding Schilderen bij [naam instelling] te [plaatsnaam] en in dat kader werkzaamheden verricht. Met ingang van 16 december 2013 is appellant in dienst getreden bij [naam B.V.] Bij besluit van 18 maart 2014 is de bijstand van appellant ingetrokken in verband met inkomsten uit arbeid.

1.2.

Naar aanleiding van een signaal van het inlichtingenbureau van de gemeente Rotterdam aan het Jongerenloket op 23 november 2013 dat appellant tijdens het scholingstraject inkomsten uit arbeid heeft genoten (inkomenssignaal), heeft de klantmanager een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader heeft hij op

18 maart 2014 loonstroken over de periode van september 2013 tot en met december 2013 bij appellant opgevraagd. Daarnaast heeft de klantmanager een onderzoek ingesteld in Suwinet. Uit de gegevens die het college via Suwinet heeft ontvangen, blijkt dat appellant inkomsten heeft ontvangen in verband met de werkzaamheden die hij heeft verricht bij de Stichting samenwerkingsverband praktijkopleiding schilderen in de regio [woonplaats]. Op basis van dat onderzoek heeft het college bij besluit van 27 maart 2015 de bijstand van appellant over de periode van 9 september 2013 tot en met 31 december 2013 herzien en de gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 1.224,60 bruto van appellant teruggevorderd (besluit 1). Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden, doordat hij geen melding heeft gemaakt van ontvangen inkomsten.

1.3.

Bij besluit van 16 april 2015 heeft het college aan appellant een boete van € 842,85 opgelegd wegens schending van de inlichtingenverplichting (besluit 2).

1.4.

Bij besluit van 12 november 2015 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant tegen de besluiten 1 en 2 gegrond verklaard in die zin dat de terugvordering wordt beperkt tot de periode van 1 september 2013 tot en met 30 november 2013 tot een bedrag van € 1.074,88 bruto. De boete wordt vastgesteld op € 270,-. Omdat het college niet eerder dan in maart 2014 naar aanleiding van het inkomenssignaal appellant om informatie heeft verzocht en appellant in maart 2014 alsnog op dat verzoek de gegevens heeft verstrekt, heeft het college verminderde verwijtbaarheid aangenomen en de boete vastgesteld op 25% van het netto benadelingsbedrag.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De intrekking en terugvordering

4.1.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB, voor zover van belang, doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

4.2.

Appellant heeft aangevoerd dat hij in de periode in geding geen inkomsten heeft ontvangen en daarom ook zijn inlichtingenverplichting niet heeft geschonden. Volgens appellant ontving hij slechts een onkostenvergoeding voor zijn werkzaamheden. Deze beroepsgrond slaagt niet.

4.3.

De inkomsten die appellant heeft ontvangen voor de werkzaamheden die hij tijdens het scholingstraject heeft verricht zijn onmiskenbaar van belang voor de beoordeling van het recht op bijstand en dat kon appellant redelijkerwijs duidelijk zijn. Bij de toekenning van bijstand is hij immers gewezen op de aan de uitkering verbonden verplichtingen, waaronder de inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de WWB. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het op de weg van appellant had gelegen om navraag te doen bij het college indien het hem niet duidelijk was of hij melding moest maken van de ontvangen vergoeding. Anders dan appellant stelt, ligt het niet op de weg van het college om appellant specifieke voorlichting te geven over het melden van de onkostenvergoeding die hij tijdens het scholingstraject ontving. Appellant heeft aangevoerd dat hij over de onkostenvergoeding contact heeft gehad met zijn jobcoach en heeft begrepen dat hij de onkostenvergoeding niet had hoeven melden. Uit het dossier blijkt dat appellant veelvuldig contact heeft gehad met een jobcoach van [naam B.V.] Deze jobcoach is echter geen medewerker van de gemeente [woonplaats], zodat appellant niet had kunnen volstaan met een melding aan de jobcoach. Nu appellant bij de gemeente geen melding heeft gemaakt van de ontvangen inkomsten, heeft hij de inlichtingenverplichting geschonden.

4.4.

Een onkostenvergoeding zoals appellant heeft ontvangen moet worden gerekend tot de middelen in de zin van artikel 31 van de WWB en daarmee als inkomen in de zin van

artikel 32, eerste lid van de WWB die volledig op de bijstand in mindering moeten worden gebracht, vergelijk de uitspraak van 7 juni 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ8536. Het college heeft de bijstand daarom terecht herzien en de gemaakte kosten van bijstand terecht van appellant teruggevorderd.

4.5.

Appellant heeft verder aangevoerd dat de inkomsten slechts in mindering op de bijstand dienen te worden gebracht voor zover daar geen kosten tegenover stonden. Naar vaste rechtspraak (zie onder meer de uitspraken van 17 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:411, en 23 februari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:578) wordt bij vaststelling van de inkomsten uit arbeid die met toepassing van de artikelen 19, eerste en tweede lid, en 32, eerste lid, van de WWB op de bijstand in mindering worden gebracht, geen rekening gehouden met de voor de ontvangen inkomsten gemaakte verwervingskosten. In wat appellant heeft aangevoerd, los van het feit dat hij deze kosten niet inzichtelijk heeft gemaakt, bestaat geen aanleiding om van deze rechtspraak af te wijken. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.

De boete

4.6.

Uit 4.4 volgt dat het college heeft aangetoond dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van de inkomsten die hij heeft ontvangen. Anders dan appellant stelt, is er geen sprake van afwezigheid van alle schuld en kan hem van deze schending wel een verwijt worden gemaakt. Het moest appellant redelijkerwijs duidelijk zijn dat de vergoeding van invloed zou kunnen zijn op het recht op bijstand. Ook bij twijfel had het op zijn weg gelegen de vergoeding te melden, zodat het college had kunnen beoordelen of de vergoeding van invloed was op het recht op bijstand.

Gelet hierop was het college in beginsel gehouden met toepassing van artikel 18a van de Participatiewet een boete op te leggen van ten hoogste het vastgestelde benadelingsbedrag.

4.7.

Het college heeft rekening gehouden met de omstandigheid dat appellant zelf op 26 maart 2014 op verzoek van het college informatie over de ontvangen inkomsten heeft verstrekt, terwijl reeds in november 2013 een signaal over de inkomsten bij het college was binnengekomen en is voor de vaststelling van de boete op basis van verminderde verwijtbaarheid uitgegaan van 25% van het benadelingsbedrag van € 1.074,88.

4.8.

Het college heeft de boete met inachtneming van artikel 2, tweede lid, van het Boetebesluit sociale verzekeringswetten (Boetebesluit), zoals dat luidde tot 1 januari 2017, vastgesteld op € 270,-. Met ingang van 1 januari 2017 is artikel 2, tweede lid, van het Boetebesluit vervallen. Als gevolg daarvan wordt de boete niet meer naar boven afgerond op een veelvoud van € 10,-. Met inachtneming van artikel 5:46, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet bij een voor de betrokkene relevante wijziging in het recht de voor betrokkene meest gunstige bepaling worden toegepast. Dat betekent dat in het geval van appellant een boete van € 268,72 evenredig is.

4.9.

Uit 4.8 volgt dat de aangevallen uitspraak, voor zover betrekking hebbende op de hoogte van de boete, geen stand kan houden. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal het beroep in zoverre gegrond worden verklaard en zal het bestreden besluit in zoverre worden vernietigd. Met toepassing van artikel 8:72a van de Awb zal het boetebedrag worden vastgesteld op € 268,72.

5. Gelet op 4.9 bestaat aanleiding het college te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.485,- (3 punten x € 495,-) voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover het de hoogte van de boete betreft;

- verklaart het beroep in zoverre gegrond en vernietigt het besluit van 12 november 2015 voor

zover daarbij de hoogte van de boete is bepaald op € 270,-;

- stelt het bedrag van de boete vast op € 268,72 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de

plaats treedt van het besluit van 12 november 2015;

- veroordeelt het college in de kosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een

bedrag van € 1.485,-;

- bepaalt dat het college het door appellant in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van € 169,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A. Stehouwer, in tegenwoordigheid van A. Mansourova als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2017.

(getekend) A. Stehouwer

(getekend) A. Mansourova

HD