Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2035

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-06-2017
Datum publicatie
13-06-2017
Zaaknummer
15/4487 AOR
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Toekenning periodieke uitkering. Beroep niet-ontvankelijk. Onvoldoende procesbelang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/4487 AOR

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (verweerder)

Uitspraak: 1 juni 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.C.M. van Berkel, advocaat, beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 20 mei 2015, kenmerk BZ01842008. Dit besluit betreft de toepassing van de Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 april 2017. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van Berkel. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Pieterse.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant, geboren in 1936 in het toenmalig Nederlands-Indië, heeft verweerder in september 2014 verzocht om een periodieke uitkering op grond van de AOR. Bij beschikking van 3 december 2014 is een periodieke uitkering op grond van de AOR toegekend ter hoogte van € 609,87.

1.2.

Bij besluit van 10 februari 2015, na bezwaar gehandhaafd bij bestreden besluit, heeft verweerder appellant te kennen gegeven dat de uitkering niet tot betaling komt vanwege de hoogte van de daarmee te verrekenen inkomsten van appellant. Verweerder heeft daaraan ten grondslag gelegd dat de korting op de AOR-uitkering in verband met het AOW-pensioen, gelet op de artikelen 6 en 7 van het Besluit Commissie AOR van 16 september 2002 terecht is berekend aan de hand van het bedrag aan AOW waarop appellant en zijn echtgenote aanspraak hebben. Dit bedrag is hoger dan de toegekende AOR-uitkering.

1.3.

Namens appellant is aangevoerd dat bij de uitvoering van de AOR ten onrechte een onderscheid wordt gemaakt tussen gehuwde mannen en gehuwde vrouwen. Bij het berekenen van de inkomsten wordt bij de gehuwde man de AOW-gehuwdennorm toegepast, terwijl voor de gehuwde vrouw de AOW-alleenstaandennorm geldt.

2. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

2.1.

Uit vaste rechtspraak (uitspraak van 26 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2805), vloeit voort dat pas sprake is van voldoende procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of (hoger) beroepschrift met het maken van bezwaar of het instellen van (hoger) beroep nastreeft, ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het bereiken van dat resultaat voor deze indiener feitelijke betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van voldoende procesbelang.

2.2.

Zoals ter zitting ook is besproken leidt het berekenen van de ontvangen inkomsten met toepassing van de alleenstaandennorm evenmin tot uitbetaling van de AOR-uitkering. De gevoerde procedure kan voor appellant dan ook niet leiden tot een gunstigere uitkomst. Dat niet is uit te sluiten dat in de toekomst sprake is van enig belang, zoals door appellant is bepleit, vormt in het kader van de voorliggende procedure een onvoldoende actueel belang en kan niet leiden tot een ander oordeel.

2.3.

Uit het voorgaande volgt dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door M.T. Boerlage in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2017.

(getekend) M.T. Boerlage

(getekend) C. Moustaïne

HD