Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2031

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-06-2017
Datum publicatie
12-06-2017
Zaaknummer
16/4411 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Rechtbank gevolgd in oordeel dat verzekeringsarts bezwaar en beroep de conclusie, dat appellante per 20 april 2015 geschikt is voor de gecombineerde maatgevende arbeid, op inhoudelijk overtuigende wijze heeft gemotiveerd. Ook gronden onderschreven. In hoger beroep geen aanknopingspunten voor ander oordeel. Uit enkele diagnose baarmoederhalskanker kunnen geen medisch objectiveerbare beperkingen worden afgeleid, geldend op de datum in geding 6 maanden daarvoor.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/4411 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van
24 mei 2016, 15/1599 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 7 juni 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. K. Aslan, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 april 2017. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Aslan. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

T. van der Weert.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was tot oktober 2013 werkzaam als productiemedewerkster in een vleesverwerkingsbedrijf voor gemiddeld 38 uur per week. Appellante heeft zich op

30 december 2014 ziek gemeld met rugklachten en psychische klachten. Op dat moment ontving zij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Gedurende de

WW-uitkering heeft appellante voor de duur van 7 weken nog gewerkt als medewerkster in een wasserij voor gemiddeld 22,14 uur per week.

1.2.

Op 16 april 2015 heeft appellante het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellante per 20 april 2015 geschikt geacht voor de arbeid in de functie van productiemedewerkster in een vleesverwerkingsbedrijf. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 16 april 2015 vastgesteld dat appellante per 20 april 2015 geen recht meer heeft op ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW). Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 23 juni 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit is een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 19 juni 2015 ten grondslag gelegd.

2.1.

De rechtbank heeft bij tussenuitspraak van 29 februari 2016 het Uwv in de gelegenheid gesteld een gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Hiertoe is overwogen dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en ondeugdelijk is gemotiveerd, omdat het Uwv ter zitting heeft aangegeven dat de combinatie van productiemedewerkster in een vleesverwerkingsbedrijf en de werkzaamheden in de wasserij als maatgevende arbeid geldt. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv onvoldoende heeft gemotiveerd waarom appellante geschikt is te achten voor deze gecombineerde maatmanfunctie.

2.2.

Het Uwv heeft bij brief van 17 maart 2016 een nadere motivering gegeven voor het bestreden besluit, met daarbij gevoegd een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 11 maart 2016. Het Uwv heeft ten aanzien van de omvang van de maatgevende arbeid aangegeven dat de WW-uitkering, van waaruit appellante zich heeft ziek gemeld, is gebaseerd op een gemiddeld aantal arbeidsuren van 38 uur per week en zij hieraan voorafgaand werkzaam was als productiemedewerkster. Tijdens de WW-uitkering heeft appellante gedurende 7 weken gewerkt als medewerkster wasserij. Uit de door haar ingevulde inkomstenformulieren en de polis administratie blijkt dat zij in deze 7 weken totaal 155 uur heeft gewerkt, dit komt neer op 22.14 uur per week. Het Uwv heeft geconcludeerd dat de maatgevende arbeid de combinatie is van medewerkster wasserij voor 22,14 uur per week en productiemedewerkster voor 15,86 uur per week (gemiddeld aantal arbeidsuren van 38 uur).

2.3.

Bij einduitspraak van 24 mei 2016 heeft de rechtbank het bestreden besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen ervan in stand gelaten. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien het hiervoor vermelde nader gemotiveerde standpunt van het Uwv voor onjuist te houden, zodat is geoordeeld dat het Uwv het in de tussenuitspraak vastgestelde gebrek heeft hersteld. Hiertoe is overwogen dat de geschiktheid van appellante voor de gecombineerde maatgevende arbeid in het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 11 maart 2016 op inhoudelijk overtuigende wijze is gemotiveerd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft overwogen dat bij appellante geen sprake is van een aandoening waarbij een urenbeperking noodzakelijk is. Het gaat om relatief milde problematiek, aldus de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Appellante is aangewezen op gestructureerd werk, dat niet zwaar rugbelastend is. Indien aan deze voorwaarden wordt voldaan, is een additionele urenbeperking niet nodig. Tot slot is aangegeven dat beide functies voldoen aan deze voorwaarden. De rechtbank heeft in de gedingstukken geen aanleiding gezien te twijfelen aan de juistheid van de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Uit de gedingstukken is de rechtbank gebleken dat de verzekeringsartsen op de hoogte zijn van de in de gecombineerde maatgevende arbeid voorkomende belasting. De rechtbank heeft de stelling van appellante, dat zij zowel qua belasting als qua omvang ongeschikt is voor de gecombineerde maatgevende arbeid vanwege haar rugklachten, verworpen vanwege gebrek aan medische onderbouwing.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante haar standpunt, als verwoord in beroep, gehandhaafd. Zij is van mening dat onvoldoende in kaart is gebracht welke werkzaamheden moeten worden verricht bij het vervullen van de maatgevende arbeid. Daarnaast zijn haar beperkingen onderschat. Vanwege haar rugklachten, klachten ten gevolge van baarmoederhalskanker en psychische klachten is zij niet in staat de maatgevende arbeid te verrichten.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voor het wettelijk kader wordt verwezen naar overweging 3.1. van de tussenuitspraak van de rechtbank van 29 februari 2016.

4.2.

Vastgesteld wordt dat tussen partijen niet in geschil is dat de maatgevende arbeid bestaat uit de arbeid in de combinatie van de functies medewerkster wasserij voor 22,14 uur per week en productiemedewerkster in een vleesverwerkingsbedrijf voor 15,86 uur per week.

4.3.

Uit de Probleemverkenning van 29 januari 2015 blijkt dat de arbeid in de functie van productiemedewerker in een vleesverwerkingsbedrijf in kaart is gebracht. Uit het verslag van de hoorzitting blijkt dat de arbeid in de functie van medewerkster wasserij is besproken. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat het Uwv is uitgegaan van een onjuiste belasting in de combinatie van deze functies.

4.4.

De rechtbank wordt gevolgd in het oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de conclusie, dat appellante per 20 april 2015 geschikt is voor de gecombineerde maatgevende arbeid, op inhoudelijk overtuigende wijze heeft gemotiveerd. Ook de gronden waarop dat oordeel berust worden onderschreven. In hoger beroep worden geen aanknopingspunten gevonden voor een ander oordeel. Hiertoe wordt als volgt overwogen.

4.4.1.

Uit de door appellante genoemde medische stukken, zijnde de informatie van de

GZ-psycholoog i.o. van 11 december 2015 en de behandelend psycholoog van 22 september 2016, kan niet worden afgeleid dat appellante vanwege haar psychische klachten op de datum in geding niet in staat kan worden geacht de arbeid in de gecombineerde maatstaf te verrichten. Verwezen wordt naar de reacties van de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de rapporten van 16 september 2016 en 27 september 2016. De verzekeringsarts bewaar en beroep heeft in het eerstgenoemde rapport in reactie op de brief van de psycholoog i.o. van

11 december 2015 overwogen dat reeds bekend is dat appellante last heeft van een depressieve stoornis; de informatie van de huisarts hierover was al aanwezig. Bij appellante speelt boosheid een rol bij het in stand houden van de klachten, echter is er volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen sprake van een dusdanig ernstig psychiatrisch ziektebeeld dat ze er niet mee zou mogen werken. Vanwege haar psychische beperkingen is appellante volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep aangewezen op gestructureerd werk, waaraan de functies in de gecombineerde maatstaf arbeid voldoen, aldus de verzekeringsarts bezwaar en beroep. In het rapport van 27 september 2016 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in reactie op de brief van de psycholoog van

22 september 2016 overwogen dat deze informatie de al bekende informatie bevestigt. Er wordt volgens deze verzekeringsarts door de psycholoog duidelijk aangegeven dat de depressie in remissie is. Blijkens het verzekeringsgeneeskundig protocol Depressieve stoornis is het van belang dat appellante zich gaat richten op werkhervatting, dit bevordert volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep immers herstel omdat structuur afleiding biedt. De functies in de gecombineerde maatstaf arbeid betreffen gestructureerd werk dat mentaal niet belastend is. Dit werk is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep passend bij het aanwezige ziektebeeld van depressieve stoornis, matig van ernst en deels in remissie. Nu appellante het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet met medische stukken of anderszins heeft weersproken zijn er geen aanknopingspunten de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet te volgen in zijn conclusies.

4.4.2.

Appellante kan niet worden gevolgd in haar standpunt dat de in oktober 2016 gestelde diagnose baarmoederhalskanker graad 3 ertoe leidt dat zij op de datum in geding, vanwege de klachten die op dat moment reeds aanwezig waren, niet in staat was haar arbeid te verrichten. Uit de enkele diagnose kunnen geen medisch objectiveerbare beperkingen worden afgeleid, geldend op de datum in geding. De door appellante overgelegde brief van de gynaecoloog van 25 oktober 2016 is hiertoe onvoldoende nu hieruit niet kan worden afgeleid dat appellante reeds in april 2015 beperkingen ondervond vanwege een beginnende baarmoederhalskanker.

4.4.3.

Appellante kan voorts niet gevolgd in haar standpunt dat zij vanwege haar rugklachten niet in staat is zware kratten te tillen, dat een juiste tiltechniek geen verschil maakt, en zij daarom niet in staat is de maatgevende arbeid te verrichten. Verwezen wordt naar de overwegingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 16 september 2016 dat bij appellante sprake is van aspecifieke lage rugklachten, een aandoening waarbij de rompspieren moeten worden getraind om zo tot minder pijnklachten te komen en beter te kunnen functioneren. Forse beperkingen aannemen bij dit ziektebeeld zal volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep medicaliserend en antirevaliderend werken. Appellante moest in haar werk in de vleesverwerkende industrie af en toe kratten van 10 kilogram tillen. Ze deed dit werk voor slechts 15,86 uur per week en het tillen van kratten is slechts een onderdeel van het werk. Dit leidt volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet tot overbelasting. Bovendien gaat het om kratten van maximaal 10 kilogram. Vanuit medisch oogpunt heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep dit niet bezwaarlijk geacht. Integendeel, dit werk zou volgens haar juist een goede bijdrage kunnen leveren aan het trainen van de rompspieren. Nu appellante dit standpunt niet met medische stukken of anderszins heeft weersproken ziet de Raad geen aanknopingspunten deze overwegingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep voor onjuist te houden.

4.4.4.

Appellante wordt tot slot niet gevolgd in haar standpunt dat zij vanwege het medicatiegebruik, dat er volgens haar toe leidt dat haar reactie- en concentratievermogen verminderd is en het daardoor gevaarlijk is met machines te werken, de arbeid in de gecombineerde maatstaf niet kan verrichten. Uit de medische bijlage bij het verslag van de hoorzitting blijkt dat het medicatiegebruik van appellante is besproken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft blijkens het rapport van 19 juni 2015 dit medicatiegebruik ook betrokken bij de beoordeling. Er is geen aanleiding gezien dit nader te onderzoeken. In de omschrijving van zowel de functie medewerkster wasserij als de functie productiemedewerkster in een vleesverwerkingsbedrijf komt niet naar voren dat wordt gewerkt met gevaarlijke machines. Door appellante is niet aannemelijk gemaakt dat zij vanwege haar medicijngebruik gevaar loopt bij het uitoefenen van de maatgevende arbeid.

4.5.

Wat appellante in hoger beroep verder heeft aangevoerd geeft onvoldoende aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van het oordeel van de rechtbank dat zij met ingang van 20 april 2015 geschikt is haar maatgevende arbeid te verrichten. Er wordt daarom geen aanleiding gezien een deskundige te benoemen, zoals appellante heeft verzocht.

5. Uit de overwegingen 4.2 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman, in tegenwoordigheid van M. Gayir als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2017.

(getekend) E.W. Akkerman

(getekend) M. Gayir

KP